id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 augustus 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.377 Rolnummer: A. 165352/VII-34480 Zaak: Arrest 148377 - - 26/08/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-30 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 22:57 Fiche Arrest nr 148.377 van 26 augustus 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 148.377 van 26 augustus 2005 in de zaak A. 165.352/VII-34.480 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat M. KIWAKANA, kantoor houdende te 1150 BRUSSEL, Tervuerenlaan 138 A tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Armeense nationaliteit, op 23 augustus 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 18 augustus 2005 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 25 augustus 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 24 augustus 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 25 augustus 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-34.480-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. KIWAKANA, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij kwam België binnen op 19 januari 2005 en verklaarde zich op 20 januari 2005 vluchteling. 1.2. Op 18 augustus 2005 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, waarvan de motivering luidt als volgt: "België is niet verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag die aan
(2)de Zweedse autoriteiten toekomt, met toepassing van art. 51/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van art. 16§lc van de Europese Verordening 343/2003. Betrokkene heeft op 18/03/2003 in Zweden een asielaanvraag ingediend en de Zweedse overheid heeft op datum van 29/06/2005 ingestemd met de vraag tot terugname van bovengenoemde persoon. Betrokkene verklaart dat ze in december 2003 vanuit Zweden zou zijn teruggekeerd naar Armenië. In maart 2004 zou betrokkene met een aantal familieleden naar Iran gevlucht zijn en daar een jaar verbleven hebben in onbekende dorpen. Via Turkije reisde betrokkene naar Frankrijk en trok van daaruit naar België omdat ze gehoord had dat haar familieleden (moeder, broer, schoonzus, zus) naar België waren vertrokken. Van deze familieleden is echter geen spoor te vinden. Voorts heeft betrokkene geen specifieke elementen aangehaald waarom haar asielaanvraag in België behandeld zou moeten worden. Betrokkene geeft bovendien geen enkel bewijs of details van haar verblijf buiten het grondgebied van de lidstaten of van de reizen die ze ondernomen zou hebben. Bijgevolg zal de bovengenoemde worden overgedragen aan
(4)de bevoegde Zweedse autoriteiten.". Dit is de bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen VII-34.480-2/4 verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
- Overwegende dat verzoekster met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel uiteenzet dat zij geen vertrouwen meer heeft in de Zweedse overheid omdat deze haar asielaanvraag op lichtzinnige wijze heeft beoordeeld; dat zij eveneens verwijst naar een verslag van Amnesty International waaruit zou moeten blijken dat deze instelling zijn bezorgdheid heeft uitgedrukt omtrent het Zweedse asielbeleid; dat zij ook verwijst naar de ernst van de middelen; Overwegende dat een vrees voor het asielbeleid van een bepaalde staat louter subjectief is; dat verzoekster haar beweringen desbetreffende met geen enkel concreet en objectief controleerbaar gegeven staaft; dat de twee grondvoorwaarden voor de schorsing een afzonderlijke beoordeling vereisen zodat de beweerde ernst van een middel niet op zichzelf de schorsing van de tenuitvoerlegging kan verantwoorden;
- Overwegende dat niet is voldaan aan de derde van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-34.480-3/4 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig augustus tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-34.480-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.377 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div