id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 augustus 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.433 Rolnummer: A. 165259/IX-5002 Zaak: Arrest 148433 - Tucht (openbaar ambt) - 30/08/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-02 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 23:00 Fiche Arrest nr 148.433 van 30 augustus 2005 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.433 van 30 augustus 2005 in de zaak A. 165.259/IX-
- In zake : Peter POPPE , die woonplaats kiest bij advocaat D. MATTHYS, kantoor houdende te GENT, Sint-Annaplein 34 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij advocaten D. D’HOOGHE en R. HEIJSE, kantoor houdende te BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-
- tussenkomende partij : de politiezone Rhode & Schelde, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER, Gezien het verzoekschrift dat Peter POPPE op 18 augustus 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 3 augustus 2005 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij aan verzoeker de tuchtstraf van blaam wordt opgelegd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 22 augustus 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 augustus 2005, om 15.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. MATTHYS, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaten R. HEIJSE en IX-5002-1/5 T. VAN LAUTER, die verschijnen voor de verwerende partij, en van advocaat P. DEVERS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de politiezone Rhode & Schelde met een ter terechtzitting ingediend verzoekschrift vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om dat verzoek in te willigen; Overwegende dat luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel aanvoert wat volgt : “Voor verzoeker is de werksituatie binnen zijn politiezone thans volledig onmogelijk geworden. Bij zijn terugkeer na zeventien maanden preventieve schorsing wordt verzoeker gewoonweg in een isolement geduwd, en verzoeker kan hierover nu zelfs nauwelijks zijn beklag maken, vermits hij ‘tuchtrechtelijk werd gesanctioneerd* en dus geen reden tot protesteren heeft. Verzoeker kreeg een afzonderlijk bureau toegewezen in een gang waar zo goed als niemand komt, met gammel meubilair en een sterk verouderde pc. Het ander politiepersoneel heeft formeel verbod gekregen om met verzoeker contact te hebben, en het werk dat verzoeker kreeg toebedeeld is beneden zijn capaciteiten en rang. Dat zulks een onleefbare situatie was moge blijken uit het feit dat verzoeker reeds één dag na zijn terugkomst met ziekteverlof werd gestuurd omwille van de onleefbare werksituatie. Het ziekteverlof loopt nu reeds van 25.10.2004 tot heden, en werd steeds opnieuw bevestigd door de aangestelde controle- geneesheer. De adviserende geneesheer heeft gewaarschuwd dat ontslag wegens medische ongeschiktheid weleens onafwendbaar zou kunnen worden wanneer het werk niet tegen het jaareinde hernomen wordt. Iets dergelijks is -gelet op de hoger geschetste situatie - eenvoudigweg niet doenbaar. Om aan deze situatie een einde te stellen bestaat maar één oplossing, met name dat verzoeker mobiliteit aanvraagt en aldus zo spoedig mogelijk op een andere standplaats aan het werk kan gaan. IX-5002-2/5 De uitgesproken tuchtstraf, al is ze licht en op het eerste gezicht zonder noemenswaardige gevolgen, vormt voor verzoeker niettemin een ernstige belemmering om voor een nieuwe functie aanvaard te worden. Functies voor de rang van commissaris komen slechts met mondjesmaat open en de plaatsen zijn zeer beperkt. Bovendien moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de recente wetswijziging die het tevens voor leden van het middenkader, onder bepaalde voorwaarden, mogelijk maakt om te solliciteren voor een officierenfunctie. Wanneer de selectiecommissie voldoende keuze heeft tussen de verschillende kandidaten, is het normaal dat zij niet zal kiezen voor een officier met een recent ingeschreven tuchtstraf. Op die wijze, en mede rekening houdend met wat hierboven werd uiteengezet, wordt de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten beslissing voor verzoeker in concreto de zwaarste straf, met name ontslag (wegens medische ongeschiktheid). Los van het bovenstaande is er ook nog het feit dat verzoeker door de uitgesproken tuchtstraf, hoe licht ook, als officier zijn moreel gezag verliest. Verzoeker werd destijds steeds positief beoordeeld door zijn oversten; hij werd door het personeel van zijn politiezone alsook door de leden van de andere diensten waarmee hij in aanraking kwam sterk gewaardeerd en geniet bij de bevolking een goede faam. Dit alles dreigt verloren te gaan bij een verdere tenuitvoerlegging van de aangevochten beslissing”; Overwegende dat verzoeker hiermee vooreerst aanvoert dat hij in zijn werkomgeving geïsoleerd is geraakt; dat dit vermeende isolement evenwel niet het gevolg kan zijn van de bestreden beslissing doch veeleer van interne organisatie; dat hij trouwens ook met ziekteverlof is zodat niet ingezien wordt op welke wijze hij thans als gevolg van de bestreden beslissing op zijn werkplaats geïsoleerd zou kunnen worden; dat zijn argument dat zijn ziekteverlof wel eens zou kunnen worden omgezet in ontslag wegens medische ongeschiktheid evenmin onmiddellijk kan worden gekoppeld aan de bestreden beslissing; dat verzoeker verder argumenteert dat hij van plan is mobiliteit aan te vragen om zo spoedig mogelijk “op een andere standplaats aan het werk te gaan” en dat de uitgesproken tuchtstraf een “ernstige belemmering (vormt) om voor een nieuwe functie aanvaard te worden” omdat de selectiecommissie “niet zal kiezen voor een officier met een recent ingeschreven tuchtstraf”; dat hij vooreerst voor dergelijke gevolgtrekking geen begin van bewijs aanbrengt; dat het evengoed mogelijk is dat de selectiecommissie precies omwille van de verzuurde situatie tussen verzoeker en zijn korpsoverste zou kunnen opteren om hem in een andere standplaats tewerk te stellen, teneinde hem verder op een nuttige wijze aan het werk te houden; dat dit nadeel te hypothetisch is om als ernstig te kunnen worden beschouwd; dat de lichte tuchtstraf - op één na de lichtste - zelfs recentelijk uitgesproken, hiervoor in beginsel geen enkel beletsel kan zijn; dat verzoeker voorts ook niet preciseert welke nieuwe standplaats hij beoogt en of die wel degelijk beantwoordt aan zijn persoonlijk profiel; dat hij bijgevolg op dat vlak heel vaag is gebleven zodat de Raad van State bezwaarlijk zijn argumentatie IX-5002-3/5 daaromtrent als overtuigend kan beschouwen; dat verzoeker mobiliteit trouwens ook lijkt te verwarren met promotie; dat het aangevoerde nadeel van verlies van moreel gezag, zo er een nadeel is, als een moreel nadeel moet worden bestempeld dat ruimschoots kan worden goedgemaakt door een gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing; dat overigens niet wordt aangetoond dat de opgelopen tuchtstraf in die mate wereldkundig wordt gemaakt dat zowel het personeel van zijn politiezone als de bevolking ervan daar ooit kennis van zullen krijgen; dat ten slotte niet wordt ingezien hoe een op één na lichtste tuchtstraf op zich in de gegeven omstandigheden voor verzoeker een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan opleveren dat een optreden bij hoogdringendheid zou vereisen, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de politiezone Rhode & Schelde in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. IX-5002-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig augustus 2000 en vijf, door : de HH. L. HELLIN, wnd. kamervoorzittter, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS, L. HELLIN. IX-5002-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.433 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.132 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.