id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 augustus 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.483 Rolnummer: A. 133957/XIV-14138 Zaak: Arrest 148483 - - 31/08/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-19 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 23:01 Fiche Arrest nr 148.483 van 31 augustus 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.483 van 31 augustus 2005 in de zaak A. 133.957/XIV-14.
- In zake : XXX, wonende te 1070 BRUSSEL, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Chinese nationaliteit, op 28 februari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 januari 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 23 december 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 28 januari 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 17 maart 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 7 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 april 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-14.138-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat J-P. VIDICK verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 20 november 2002 en zich vluchteling verklaart op dezelfde dag; dat op 23 december 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 28 januari 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U verklaarde de Chinese nationaliteit te bezitten, van Tibetaanse origine te zijn en afkomstig te zijn uit het dorp Shetanghang te Saga district. U zou leven van het landbouw- en nomadenbestaan. Sinds 1995 zou uw vader samen met zijn vriend Topgyal actief zijn in de strijd voor een onafhankelijk Tibet. Zo zou uw vader geluidsbanden met conferenties van de Dalai Lama onder de naam 'Dhunga Wangchen' onder de Tibetaanse bevolking verspreiden. Topgyal zou deze cassettes uit Nepal smokkelen. Op 15 september 2001 zou uw vader in Sagaxian betrapt zijn door de Chinese autoriteiten bij het verdelen van voornoemde cassettes. Uw vader zou zijn aangehouden. Sindsdien zou u geen nieuws meer van uw vader vernomen hebben. Op 20 augustus 2002 zou Topgyal vanuit Nepal naar uw ouderlijke woning zijn gekomen. U zou aangeboden hebben uw vader te vervangen in het verspreiden van de geluidsbanden. Samen met twee vriendinnen Mingmar en Dhundrup zou u op 21, 22 en 23 augustus cassettes hebben verspreid in Babazadong en in Shetanghang. In de ochtend van 27 augustus 2002 zou u de dieren zijn gaan hoeden in de bergen. Enkele uren later zou uw moeder u zijn toegesneld met het nieuws dat zowel Mingmar als Dhundrup werden aangehouden door de politie. U zou onmiddellijk naar Drakyu zijn gegaan, waar u zich bij uw tante zou hebben schuilgehouden. Op 3 september 2002 zou u vanuit Drakyu met begeleiding van de handelaar Topgyal te voet Tibet ontvlucht zijn. Na een tocht van zeven dagen zou u op 10 september 2002 in Kathmandu te Nepal zijn aangekomen. Daar zou u bij Topgyal hebben verbleven. Op 18 november 2002 zou u samen met de smokkelaar Kiring Muj vanuit Kathmandu per vliegtuig naar Europa zijn afgereisd. Op 20 november 2002 zou u in België zijn gearriveerd. U vroeg hier dezelfde dag asiel aan. Ter ondersteuning van uw asielaanvraag legde u op het CGVS een attest van het ‘Bureau van Tibet’ te Brussel neer. Vooreerst kunnen er aan de hand van enkele door het commissariaat-generaal (CGVS) gestelde vragen aangaande Tibet in het algemeen en aangaande uw beweerde plaats van herkomst in het bijzonder, ernstige bedenkingen worden gemaakt bij uw beweerde afkomst en nationaliteit. De geografische beschrijving die u gaf van uw dorp en het district Saga is immers uiterst gering te noemen. Zo kon u behalve de dorpen 'Babazadong, Leksetsorang en Gatchu' geen andere plaatsen in Saga district opnoemen. Bovendien beweerde u volgens informatie waarover het CGVS beschikt en waarvan een kopie in het administratief dossier is gevoegd, foutief dat Saga district in de prefectuur Ngari zou gelegen zijn. U bleek voorts geen van de omliggende districten van Saga te kunnen weergeven. Evenmin wist u wat de districtshoofdstad is van Saga en had u vreemd genoeg nog nooit gehoord van de belangrijke stad Xyakyaru' in Saga. Uw geografische omschrijving van Saga bleef beperkt tot de bergen 'Tsari en Léta'. Ook zou u wel al gehoord hebben van de rivier 'tsangpo'. Echter, 'tsangpo' betekent in het Tibetaans 'grote rivier', wederom kon u geen rivieren die doorheen Saga stromen bij naam opnoemen. Voorts dient te worden vastgesteld dat ook uw bewering te hebben geleefd van het landbouw- en nomadenbestaan, sterk in twijfel kan worden getrokken. Hoewel volgens uw XIV-14.138-2/5 verklaringen uw vader 'drokpa' (Tibetaans voor nomade) zou zijn en ook u voor de dieren zou hebben gezorgd, stelde u desalniettemin dat een yak niet echt nuttig is voor het bestaan van een Tibetaanse familie. Gezien de fundamentele rol van yak in de Tibetaanse maatschappij als levensbron voor het merendeel van de Tibetaanse bevolking, zoals blijkt uit informatie op het CGVS; komt uw voorgaande stelling dan ook ten zeerste ongerijmd over. Hierdoor brengt u de geloofwaardigheid van uw asielrelaas verder in het gedrang. De feiten dat u niet wist hoe yak naargelang hun leeftijd worden genoemd, wat de precieze leeftijd is van een yak die 'yaru' of 'sonyi' wordt genoemd en hoe een 'dri' (vrouwelijke yak) wordt genoemd in het eerste jaar dat zij een kalf baarde, kunnen deze bovenstaande vaststellingen enkel maar versterken (zie CGVS, p.5-6). Bovendien wist u niks te vertellen over het beleid van de Chinese autoriteiten ten aanzien van de nomadenbevolking (zie CGVS, p.9). Daarenboven is het eveneens bevreemdend te noemen dat u geen kennis had van de Chinese taal, temeer dat het Chinees toch de officiële landstaal betreft (zie CGVS, p.9). Tenslotte is het document dat u ter staving van uw asielaanvraag voorlegde, in het licht van bovenstaande vaststellingen, niet van die aard om de appreciatie van de commissaris-generaal inzake uw asielaanvraag in positieve zin om te buigen. Temeer daar dit document weliswaar uw Tibetaanse origine aantoont, doch geenszins een bewijs vormt dat u de Chinese nationaliteit bezit.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Genomen in schending van artikel 52, par. 2/ en 62, al. 1/ van de wet van 15.12.1980 op de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en het verwijderen van vreemdelingen, van de art. 1/ tot 3 van de wet van 29 juli 1991 over de motivatie van de administratieve aktes en de manifeste fout van waardering, alsook deze waaronder de autoriteit moet staturen door kennis te nemen van alle elementen aan de zaak gepast. Overwegende dat het CGVS de aangevochten beslissing niet op een adequate manier motiveert. Dat inderdaad de lezing van de gezegde beslissing op een kaarduidelijke manier laat blijken dat de argumenten van het CGVS de volgende zijn:
- De verzoeker weet niet te antwoorden op de vragen die over de geografie van zijn land gaan.
- De verzoeker kan zich niet uitdrukken over de rol die de ‘yak’ heeft in het Tibetaanse leven.
- De verzoeker spreekt niet de Chinese taal.
- Dat het aangebrachte document door de verzoeker zijn origine aantoont maar zijn Chinese nationaliteit niet bewijst. Overwegende dat het CGVS manifest abstractie gemaakt heeft van de historische en politieke context van het land van origine van de verzoeker. Dat de laatste opmerking van het CGVS betreffende de nationaliteit van de verzoeker volledig belachelijk is. Dat het inderdaad overdreven is nationaliteit te betwisten dat een persoon afkomstig uit TIBET de Chinese nationaliteit kan zijn. Dat dit aantoont op welk punt de agent van het CGVS abstractie gemaakt heeft van de echte historische context van China en Tibet ingelijfd door China. Dat het echte probleem van de Tibetaanse bevolking is terecht zich te verzetten tegen de verwerving van de Chinese nationaliteit terwijl ze vechten om hun onafhankelijkheid tegenover China terug te winnen en dat ze de Chinese nationaliteit betwisten. Overwegende dat de aangevochten beslissing haar onbevoegdheid bewijst wat de aangevochten beslissing nietig maakt. Overwegende de verwijten relatief aan de kennis de geografie vanwege de verzoeker kunnen geen motivatie tot weigering van verblijf zijn. Dat inderdaad zulke ontbreken de oorsprong van verschillende elementen kunnen zijn die niet automatisch toelaten eruit af te leiden dat de verzoeker niet van Tibetaanse afkomst is. Dat trouwens de verzoeker een document heeft aangebracht die zijn Tibetaanse afkomst bewijst en dat de aangevochten beslissing niet beweerd heeft dat dit gezegde document vals zou zijn. Dat in tegenstelling het CGVS van dit gezegde document gebruik maakt om te beweren dat dit document geen bewijs is dat de verzoeker de Chinese nationaliteit bezit. Overwegende dat de Chinese nationaliteit niet het essentiële van het verhaal van de verzoeker uitmaakt. Dat de agent van het CGVS moet weten dat de Tibetanen verplicht zijn de Chinese nationaliteit te dragen. Dat daaruit voortvloeit dat de argumentatie van de aangevochten beslissing die het ontbreken van de nationaliteit aanhaalt onbestaande is. Overwegende dat hetzelfde geld voor het argument getrokken uit het feit dat de verzoeker de Chinese taal kan of niet wil spreken. Dat het duidelijk is dat de verzoeker geen enkel respect kan hebben zowel voor de nationaliteit als voor de Chinese taal daar de hechtenis van zijn land van herkomst aan China (ingelijfd door China) de basis is van de politieke problemen die hij op een onverdedigbare manier beleefd heeft en die hem verplicht hebben Tibet en China uit te vluchten. XIV-14.138-3/5 Overwegende dat de verzoeker een scholing gehad heeft in dewelke geen enkele opening tot dialoog bestond. Dat het door zijn asielaanvraag is dat hij voor de eerste keer geconfronteerd wordt met een verhoor waar hij zich vrijuit kan uitdrukken. Dat de verzoeker het principe zelf van de auditie niet begrepen heeft zowel op de dienst Vreemdelingenzaken als bij het CGVS. Dat het de reden is waarom hij een teruggetrokken houding had, durvende zelfs praktisch niet te praten noch te antwoorden op de gestelde vragen. Overwegende dat dit uitlegt dat hij schrik had tegenover de agenten die hem ondervroegen en dat hij geparalyseerd was om te kunnen praten daar hij de autoriteit van de agenten boven hem voelde zweven. Dat daaruit voortvloeit dat in elk geval op niveau van het CGVS het verhoor verlopen is in een ongelijkmatige gedwongen sfeer die als resultaat meebracht dat deze niet met de werkelijkheid overeenkomst of de werkelijkheid ten boven gaat. Dat inderdaad, na lezing van de aangevochten beslissing, de vraag geheel blijft en dat dit niet normaal is... Als de verzoeker niet Chinees van Tibetaanse origine is wat hij is ? ... daar hij Tibetaans praat ? Overwegende dat het manifest is dat behalve het ontbreken aan motivatie en het ontbreken aan waardering, het CGVS ook de fout begaan heeft de aanvraag van de verzoeker te beschouwen alsof ze zich in een stadium de gegrondheid bevond al was deze enkel in het stadium van de ontvankelijkheid. Overwegende dat daaruit voortvloeit dat de uitleg hierboven aangetoond de nietigverklaring van de aangevochten beslissing gegrond maakt.”; 2.
- Overwegende dat artikel 62 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent doch betwist dat die motieven de beslissing kunnen dragen; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren; dat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij België binnenkwam zonder identiteits- of reisdocumenten waaruit haar afkomst en nationaliteit kon worden afgeleid, zodat de commissaris-generaal terecht haar ware afkomst kon trachten te achterhalen door een eenvoudige en gerichte vraagstelling over Tibet en Saga als voorgehouden land en plaats van herkomst en over haar landbouw- en nomadenbestaan; dat de verzoekende partij de daaruit voorvloeiende bevindingen van de commissaris-generaal poogt te weerleggen door te verklaren dat zij “schrik” had tijdens de verhoren voor de verschillende asielinstanties, dat zij “geparalyseerd” was en dat het verhoor op het commissariaat-generaal in een “ongelijkmatige gedwongen sfeer” verliep; dat echter uit het verhoorverslag van het commissariaat-generaal blijkt dat de verzoekende partij een zeer uitgebreid verhoor kreeg in het Tibetaans, dat zij assertief was bij het beantwoorden van de gestelde vragen, dat aan haar raadsman de gelegenheid werd geboden om opmerkingen te formuleren aangaande het verhoor en dat uit die opmerkingen niet kan worden afgeleid dat de verzoekende partij effectief “geparalyseerd” was of dat zij “schrik” XIV-14.138-4/5 had; dat de verzoekende partij derhalve niet aannemelijk maakt dat de commissaris- generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het enige middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig augustus tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-14.138-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.483 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.