id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 augustus 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.485 Rolnummer: A. 134436/XIV-14311 Zaak: Arrest 148485 - - 31/08/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-19 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 23:01 Fiche Arrest nr 148.485 van 31 augustus 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.485 van 31 augustus 2005 in de zaak A. 134.436/XIV-14.311 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat G. VERGAUWE, kantoor houdende te 9940 EVERGEM, Belzeelsestraat 40 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Algerijnse nationaliteit, op 22 maart 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 februari 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 13 januari 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 8 april 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 7 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 april 2005; XIV-14.311-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VERGAUWE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 2 januari 2002 en zich vluchteling verklaart op 7 januari 2002; dat op 13 januari 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 19 februari 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die luidt als volgt: “A. Vluchtrelaas U verklaart de Algerijnse nationaliteit te bezitten, en afkomstig te zijn uit de stad Oran, Wilayat Oran. U zou Algerije ontvlucht zijn omwille van familiale problemen en omwille van de aanwezigheid van ‘terroristen’ in uw wijk. U zou vooral omwille van laatsgenoemd probleem gevlucht zijn. U zou schrik hebben dat de ‘terroristen’ uit uw wijk u zullen doden. Uzelf zou nooit contact gehad hebben met de ‘terroristen’ omdat u telkens naar huis ging als ze in de omgeving waren. In de haven van Oran zou u in een goederenboot hebben plaatsgenomen. Na zes dagen varen zou u op 2 december 2002 in Antwerpen aangekomen zijn. Op 7 januari 2003 heeft u asiel aangevraagd. B. Motivering U heeft in de loop van uw asielprocedure een cruciaal element aan uw asielrelaas toegevoegd, waardoor de oprechtheid van uw asielaanvraag ernstig in twijfel kan worden getrokken. Zo heeft u voor de dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) nooit ook maar enige allusie gemaakt op het feit dat u gevlucht bent voor het terrorisme dat in uw wijk heerst. Tijdens het gehoor op de dienst Vreemdelingenzaken gaf u familiale en economische problemen op als motief voor u vertrek. U verklaarde Algerije te hebben verlaten vanwege problemen met uw vader en het feit dat jongeren uit de wijk u niet met rust lieten (gehoorverslag DVZ, asielverhaal). U verklaarde uitdrukkelijk dat er geen andere types van intimidatie waren. Op de zetel van het commissariaat-generaal echter beweert u dat de hoofdreden van uw vluchtaanleiding het terrorisme in uw wijk is. U vreest te zullen worden gedood door de terroristen (gehoorverslag CGVS, p 4). Het niet eerder aanhalen van dit feit ondermijnt ten zeerste de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Tot slot bent u niet in het bezit van enig reis- of identiteitsdocument, waardoor uw reisweg en identiteit niet kunnen worden gecontroleerd. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de Vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze XIV-14.311-2/6 beslissing het grondgebied te verlaten (koninklijk besluit van 19/05/1993; artikel 17, par. 2, al. 2). Ik vestig de aandacht van de minister van Binnenlandse Zaken op het feit dat u minderjarig bent en dat bijgevolg het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989, geratificeerd door België, op u kan worden toegepast.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van de algemene rechtbeginselen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de algemene motiveringsverplichting en de rechten van verdediging. Verweerder houdt voor dat de aanvraag ‘bedrieglijk’ is. Het is evident dat het bewijs hiervoor bij verweerder ligt. Overeenkomstig art. 5 van het EVRM kan niemand geacht worden strafbaar te zijn of een strafbare handeling te hebben gesteld. Indien hij niet vooraf en volgens de regels van het strafrecht is veroordeeld. Het vermoeden van onschuld speelt in het voordeel van degene die nog niet veroordeeld is. Op geen enkel punt wordt het bewijs naar voor gebracht dat de asielaanvraag van verzoeker ‘bedrieglijk’ zou zijn. Verweerder steunt op verklaringen die uitsluitend genoteerd zijn door de verweerders en op vragen door hen gesteld. Het is evident dat het niet vermelden van bepaalde gegevens omdat er ook niet naar gevraagd werd enigszins kan aanzien worden als bedrog. Zolang het bedrog derhalve niet bewezen is, kan de aanvraag dan ook niet als bedrieglijk worden aanzien en is de beslissing derhalve vernietigbaar.”; 2.1.
- Overwegende dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet de commissaris- generaal toelaat een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering te bevestigen wanneer de aanvraag klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk is en/of wanneer de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat de asielprocedure een administratieve procedure is, waarbij het begrip bedrieglijk geenszins “een term (is) die aanleunt en thuishoort in het strafrecht”; dat het eerste middel niet dienstig kan worden aangevoerd; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van art. 1, § A, al. 2 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de zorgvuldigheidsverplichting. Geldt als vluchteling: ‘elke persoon die zich uit gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en die de bescherming van dat land niet kan of uit hoofde van bovenbedoelde vrees niet wil inroepen’. De gegevens door verzoeker aangebracht en door verweerder geenszins weerlegd maken duidelijk gewag van gevaren die zijn ingegeven op basis van politieke en religieuze activiteiten. Het moslimfundamentalisme met zijn terroristische uitspattingen in Algerije is algemeen bekend. Verweerder gaat hier volledig aan voorbij. Op deze concrete opmerkingen wordt geenszins geantwoord in de bestreden beslissing.”; XIV-14.311-3/6 2.2.
- Overwegende dat aan artikel 1, A, 2) van de Vluchtelingenconventie een directe werking moet worden ontzegd; dat de verzoekende partij de rechtstreekse schending van deze bepaling niet dienstig kan inroepen; dat het tweede middel niet- ontvankelijk is; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van het redelijkheidsbeginsel. Verweerder meent eveneens tegenstrijdigheden te kunnen ontdekken in de diverse verklaringen die zijn afgelegd. Eén en ander is duidelijk te verklaren nu het verhaal van verzoeker is ingegeven door de vragen die gesteld zijn door verweerder en de neerslag van de antwoorden. Daarenboven is het voor verzoeker als minderjarige onervaren en dan toch achterdochtig individu geenszins gemakkelijk om bij zijn eerste contactname met een overheid waarvan hij niet weet hoe deze zal reageren zomaar vrijuit te praten over problemen dat voor hem een levensbedreiging vormen. Verzoeker is van oordeel dat er redelijkheid moet aan de dag gelegd worden en dat het niet opgaat een aanvraag als bedrieglijk te aanzien op basis van een dergelijk argument.”; 2.3.
- Overwegende dat van een kandidaat-vluchteling, ook al is hij ongeveer 16 jaar, kan worden verwacht dat hij alle zwaarwichtige elementen van zijn vluchtrelaas op een correcte en volledige wijze aanbrengt; dat dit des te meer geldt nu de verzoekende partij een belangrijk element in zijn asielrelaas wel voor het commissariaat-generaal heeft vermeld en niet bij de dienst Vreemdelingenzaken; dat de kritiek van de verzoekende partij dat haar verhaal “is ingegeven door de vragen die gesteld zijn door verweerder en de neerslag van de antwoorden” hieraan geen afbreuk doet; dat het derde middel ongegrond is; 2.4.
- Overwegende dat de verzoekende partij een vierde middel aanvoert dat luidt als volgt: “Daarenboven is de beslissing in strijd met art. 3.1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, aangenomen te New York op 20 november 1989 en door België geratificeerd. Inderdaad, dit artikel bepaald: Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging. Het hoeft geen betoog dat een beslissing tot weigering van verblijf en tot terugwijzing in de gegeven omstandigheden geenszins in het belang van de minderjarige is. Het is niet voldoende in een beslissing te verwijzen naar dit verdrag en de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde erop te wijzen dat dit verdrag op verzoeker ‘kan’ worden toegepast zonder het verdrag zelf toe te passen. Dit verdrag is geratificeerd en het behoort derhalve aan de overheid om dit verdrag effectief toe te passen. ‘Kunnen’ toepassen houdt willekeur is en betekent dat de overheid vrij is om dit verdrag al dan niet toe te passen.”; 2.4.
- Overwegende dat de uitspraak van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in verband met de terugleiding slechts een advies uitmaakt XIV-14.311-4/6 dat de minister van Binnenlandse Zaken niet moet opvolgen en dat dus niet bindend is; dat dit onderdeel van de beslissing van de commissaris-generaal bijgevolg niet vatbaar is voor nietigverklaring, omdat het niet onder de toepassing valt van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat het vierde middel niet-ontvankelijk is; dat, ten overvloede, de commissaris-generaal in dat advies aan de minister van Binnenlandse Zaken wijst op de minderjarigheid van de verzoekende partij en dat de verzoekende partij meedeelt dat zij zich kan beroepen op het Verdrag inzake de rechten van het kind; dat het vierde middel aldus ook feitelijke grondslag mist;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig augustus tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-14.311-5/6 M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-14.311-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.485 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div