id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 augustus 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.488 Rolnummer: A. 151188/XIV-19432 Zaak: Arrest 148488 - - 31/08/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-30 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 23:02 Fiche Arrest nr 148.488 van 31 augustus 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 148.488 van 31 augustus 2005 in de zaak A. 151.188/XIV-19.
- In zake : XXX wonende te 1000 BRUSSEL, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Syrische nationaliteit, op 26 april 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 23 maart 2004 houdende bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 7 april 2004; Gelet op de beschikking van 5 mei 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 24 maart 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 11 mei 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-19.432-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DUPONT, die loco advocaat M.C. WARLOP verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 1 maart 2003 en zich vluchteling verklaart op 11 maart 2003; dat op 11 maart 2003 de minister van Binnenlandse Zaken de asielaanvraag van de verzoekende partij ontvankelijk verklaart; dat op 9 juli 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beslist tot weigering van de hoedanigheid van vluchteling; dat op 25 februari 2004 de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen beslist tot weigering van de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling en dat op 23 maart 2004 de minister van Binnenlandse Zaken het bevel geeft om het grondgebied te verlaten; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “(...) Verblijft langer in het Rijk dan de overeenkomstig art. 6 bepaalde termijn of slaagt er niet in het bewijs te leveren dat hij deze termijn niet overschreden heeft. (Wet van 15 december 1980 - art. 7, alinea 1, 2/). Werd niet erkend als vluchteling. (K.B. van 8 oktober 1981 - art. 77). (...).”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de beide middelen de schending aanvoert van artikel 1, A, 2), van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), en van de artikelen 3 en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele Vrijheden (E.V.R.M.); dat de verzoekende partij betoogt dat de verwerende partij de beslissing van de Vaste Beroepscommissie aanwendt enkel en alleen om de bestreden beslissing te rechtvaardigen, dat zij de Raad van State had gevat ter vernietiging van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen, dat zij reeds een aanvraag om machtiging tot verblijf had ingediend op grond van artikel 9, § 3, van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), zodat de verwerende partij een rechtsdwaling beging door bij het onderzoek van de voormelde aanvraag op grond van artikel 9, § 3, van de Vreemdelingenwet, geen rekening te hebben gehouden met de criteria vooropgesteld in de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), dat uit internationale rapporten blijkt dat de mensenrechtentoestand in haar land van herkomst te wensen overlaat, dat de verwerende XIV-19.432-2/6 partij het levensbedreigend karakter daarvan heeft onderschat, dat een verwijderingsbeslissing in deze een schending inhoudt van haar privé-leven en dat de bestreden beslissing geen rekening hield met haar inmiddels ontwikkelde sociale banden in België; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In een eerste middel beroept verzoeker zich op een vermeende schending van het art.
- A van de Vluchtelingenconventie dd. 28.07.
- Ter ondersteuning stelt de verzoekende partij dat: - hij een annulatieberoep instelde tegen de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen, houdende de verwerping van zijn asielaanvraag, - hij een aanvraag indiende in toepassing van het art. 9, 3/ lid van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.
- Tevens verwijst verzoeker naar de Regularisatiewet dd. 22.12.1999 en naar het art. 3 EVRM. Behoudens het gegeven dat de verwerende partij geen kennis heeft van een door verzoeker tegen de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen ingesteld annulatieberoep, merkt de verwerende partij op dat de genoemde beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen rechtsgeldig en uitvoerbaar moet worden geacht tenzij en tot dat de Raad van State er op het laatstgenoemde beroep tot nietigverklaring anders over zou beslissen (cf. R.v.St. nr. 50.134, 09.11.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 49.748, 20.10.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 4ï.513, 28.06.1993, Arr. R.v.St. 1993), z.p.). In het in casu bestreden bevel wordt dan ook geheel terecht gesteld dat verzoeker niet werd erkend als vluchteling, nu zijn asielaanvraag definitief werd verworpen. Verzoekers kritiek terzake kan dan ook niet worden aangenomen. Gelet op het voorgaande valt bovendien niet redelijk in te zien hoe de in casu bestreden beslissing het art. 1, A van de Vluchtelingenconventie zou miskennen. In antwoord op verzoekers beschouwing dat hij een aanvraag indiende op grond van het art.
- 3/ lid van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980, laat de verwerende partij gelden dat: - hij geen kennis heeft van een dergelijke aanvraag om machtiging tot verblijf - het administratief dossier geen stukken desbetreffend bevat, - indien al een dergelijke aanvraag werd ingediend, de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken bij het nemen van de in casu bestreden beslissing aldus geen kennis van deze aanvraag had, terwijl de regelmatigheid van een bestuursbeslissing dient te worden beoordeeld in functie van de gegevens waarover het bestuur ten tijde van het nemen van zijn beslissing kon beschikken om deze beslissing te nemen, - indien al een dergelijke aanvraag werd ingediend, voor de in casu bestreden beslissing werd genomen, deze geen afbreuk doet aan de in casu bestreden beslissing nu verzoeker geen, zelfs maar voorlopig, verblijfsrecht aan de enkele indiening van een aanvraag tot verblijfsmachtiging ontleend, zodat dit gegeven hoe dan ook niet aan het nemen van de in casu genomen bestuursbeslissing in de weg kon staan, - een aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van het art.
- 3/ lid van de Vreemdelingenwet dient te worden onderscheiden van een regularisatieaanvraag in toepassing van de Wet dd. 22.12.1999 waarnaar de verzoekende partij verwijst. - de desbetreffende beschouwingen niet dienstig in verband kunnen worden gebracht met de door de verzoekende partij opgeworpen schending van het art. 1, A van de Vluchtelingenconventie. In zoverre de verzoekende partij zich tot slot beroept op het art. 3 EVRM laat de verwerende partij gelden dat het desbetreffende verdragsartikel betrekking heeft op het -'verbod op foltering". Onder folteringen in de zin van art. E.V.R.M. wordt begrepen, ‘die handelingen waarbij op doelbewuste wijze hevige pijn of ernstig leed van fysieke of psychische aard wordt toegebracht’ (Arbitragehof nr. 51/94, 29 juni 1994, T Vreemd. 1994, 253, noot VANHEULE, D.). Het Hof van Cassatie oordeelde reeds bij arrest dd. 04.02.1993 (nr. 9567) dat het uit het land zetten van een vreemdeling een schending van het art. 3 E.V.R.M. kan uitmaken, ‘in zoverre er ernstige en duidelijke redenen zijn om te geloven dat de betrokkene, indien hij aan die Staat (waaruit hij gevlucht is) wordt overgeleverd een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen, XIV-19.432-3/6 maar dat die bepaling evenwel niet impliceert dat een vreemdeling het recht heeft het grondgebied van een bepaalde Staat binnen te komen offer te verblijven’. In casu verplicht het in casu bestreden bevel om het grondgebied te verlaten verzoeker geenszins om terug te keren naar haar land van herkomst. Bovendien is er in casu ook geen sprake van een reëel risico om te worden onderworpen aan folteringen, of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen, zoals reeds bleek uit het diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag van verzoeker, dewelke werd afgewezen nu betrokkenes asielrelaas niet geloofwaardig was. Gelet op het voorgaande is de verwerende partij de mening toegedaan dat verzoekers enig middel niet kan worden aangenomen. Betreffende een tweede middel van de verzoekende partij. In een tweede middel beroept verzoeker zich op een vermeende schending van het art. 8 EVRM. Ter ondersteuning verwijst verzoeker zeer summier naar zijn sociale relaties Wat betreft de vermeende schending van het art. 8 EVRM, die er volgens verzoeker in zou bestaan dat de beslissing indruist tegen het recht op privé- en gezinsleven, laat de verwerende partij gelden dat reeds werd geoordeeld dat een mogelijke toepassing van art. 8 EVRM een vreemdeling niet vrijstelt van het verkrijgen van de vereiste documenten om in het Rijk te verblijven (R.v.St. nr 48.653, 20.07.1994, Arr. R. v. St. 1994, z.p.), en dat een tijdelijke verwijdering om reden dat hij niet in het bezit is van die documenten geenszins strijdig is met art. 8 EVRM (R.v.St. nr. 42.039, 22.02.1993, Arr. R. v. St. 1993, z.p.) Het bevel om het grondgebied te verlaten heeft inderdaad niet tot gevolg dat betrokkene definitief van zijn gezin of sociale relaties zal worden gescheiden, doch enkel dat hij tijdelijk uit het land wordt verwijderd met de mogelijkheid er terug te keren nadat hij zich in het bezit zal hebben gesteld van de nodige documenten voor een regelmatige binnenkomst in het Rijk. Overigens dient er op te worden gewezen dat ook de asielaanvraag van verzoekers echtgenote en zoon definitief werd verworpen, en ook aan hen bevel werd gegeven om het grondgebied te verlaten. De verwerende partij is derhalve van oordeel dat er geen sprake is van een schending van het art. 8 EVRM, en dat verzoekers tweede middel ongegrond is.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord stelt dat haar aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, § 3, van de Vreemdelingenwet reeds voor de betekening (op 20 april 2004) van de bestreden beslissing was ingediend, namelijk op 1 april 2004, dat de verwerende partij daar eerst uitspraak over had moeten doen, dat zij het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden, en dat de bestreden beslissing derhalve formeel gebrekkig is gemotiveerd; dat de verzoekende partij voor het overige verwijst naar haar inleidend verzoekschrift; 2.
- Overwegende dat de bestreden beslissing is genomen op 23 maart 2004, zodat de verwerende partij geen rekening kon houden met de op 1 april 2004 door de verzoekende partij ingediende aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, § 3, van de Vreemdelingenwet; dat voorts op 25 februari 2004 de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen inzake de verzoekende partij heeft beslist tot weigering van de erkenning als vluchteling en dat nergens blijkt dat de verzoekende partij daartegen een annulatieberoep bij de Raad van State heeft ingesteld, zodat de beslissing van de Vaste Beroepscommissie moet worden geacht wettig te zijn; dat de bestreden beslissing in de mate dat zij verwijst naar het feit dat de verzoekende partij niet werd erkend als vluchteling, niet onwettig is; Overwegende, wat artikel 8 van het E.V.R.M. betreft, dat luidens deze bepaling eenieder recht heeft op gezinsleven voor zover er geen wettelijke regelingen zijn voorzien die hieraan beperkingen stellen; dat de verzoekende partij een Syrisch onderdaan XIV-19.432-4/6 is en als dusdanig is onderworpen aan de bepalingen van de Vreemdelingenwet, inzonderheid aan artikel 2, 2/ van die wet; dat de in voormeld artikel vereiste binnenkomst- en verblijfsdocumenten tot doel hebben een controle uit te oefenen betreffende de identiteit, de burgerlijke staat en het strafrechtelijk verleden van de vreemdeling die het grondgebied wenst te betreden of er wenst te verblijven; dat aldus een doel wordt nagestreefd dat is voorzien als een mogelijke uitzondering op het recht op gezinsleven en privé-leven; dat artikel 8 van het E.V.R.M. dergelijke rechtmatige toepassing van de Vreemdelingenwet niet in de weg staat; Overwegende, met betrekking tot de voorgehouden schending van artikel 3 van het E.V.R.M., dat de verzoekende partij moet aantonen dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat in het land waarnaar ze mag worden teruggeleid, zij een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat de bescherming via artikel 3 van het E.V.R.M. slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden; dat degene die aanvoert dat hij een dergelijk risico loopt zijn beweringen moet staven met een begin van bewijs; dat de eenvoudige vrees voor een onmenselijke behandeling op zich niet volstaat om een inbreuk uit te maken op artikel 3 van het E.V.R.M.;dat de verzoekende partij verwijst naar verslagen betreffende de algemene toestand in Syrië doch deze niet op haar eigen concrete situatie betrekt; dat, in de mate dat de verzoekende partij verwijst naar haar asielrelaas, de asielaanvraag met de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen van 25 februari 2004 definitief werd verworpen; dat de verzoekende partij derhalve geen schending van artikel 3 van het E.V.R.M. aannemelijk maakt; Overwegende dat de beide middelen ongegrond zijn; Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord verwijst naar de schending van de formele motiveringsplicht en van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur; dat zulks echter neerkomt op het opwerpen van een nieuw middel dat niet van openbare orde en derhalve niet-ontvankelijk is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. XIV-19.432-5/6 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig augustus tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-19.432-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.488 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.