← België

Arrest 148490 - - 31/08/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 augustus 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.490 Rolnummer: A. 129949/XIV-12811 Zaak: Arrest 148490 - - 31/08/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-19 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 23:02 Fiche Arrest nr 148.490 van 31 augustus 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 148.490 van 31 augustus 2005 in de zaak A. 129.949/XIV-12.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. DE WINTER, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
  2. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Angolese nationaliteit, op 29 november 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 30 oktober 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 1 augustus 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 30 oktober 2002; Gelet op de beschikking van 4 december 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 24 maart 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 11 mei 2005; XIV-12.811-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. NAVASARTIAN, die loco advocaat J. DE WINTER verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 18 juli 2002 en zich vluchteling verklaart op dezelfde dag; dat op 1 augustus 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 30 oktober 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U verklaarde afkomstig te zijn uit Miconge (Cabinda) en opeenvolgend in Camabatela, Luanda, Miconge, Tchiowa en de bossen van Mayombé te hebben geleefd. In 1990 werd u lid van het Frente de Libertação de Enclave de Cabinda-Renovada (Flec-Renovada), maar u nam voornamelijk deel aan activiteiten van het Frente de Libertação de Enclave de Cabinda-Forgas Armadas de Cabinda (Flec-Fac) en dit sinds
  4. Uw man was oorspronkelijk lid van Flec- Fac, maar is bij de creatie in 1981 lid geworden van het Rec-Renovada. In 1992, toen uw man aan het werken was in een stad, werden mensen (onder wie de politie) jaloers op zijn functie (hij mobiliseerde nieuwe leden) en werd hij aangevallen. Uw man werd geslagen en naar het ziekenhuis gebracht. In Luanda stelde u continue het slachtoffer te zijn geweest van discriminaties. Iedereen wees u met de vinger omdat u lid was van het Flec, er werd slecht over u gesproken en er werd u gezegd dat u weg moest uit Luanda. Op 4 april 2000 reisde u naar de Cabindese hoofdplaats Tchiowa samen met uw drie kinderen, omdat u sinds vier maanden geen nieuws meer had van uw man die aan het werk was in Luali (Cabinda). U ontmoette op de luchthaven Alexandre Tati, de secretaris-generaal van het Flec-Fac, die aan u verklaarde evenmin te weten waar uw man was. U logeerde in het huis dat normaal ter beschikking stond van uw echtgenoot. Op een- dág-I-Vielen een aantal- mannen in uniform uw huis binnen. U zag brand in de keuken en vluchtte dadelijk weg zonder uw kinderen. U rende naar uw schoonzus Ana, die in de wijk Primeiro de Maio leefde, te Tchiowa. Uw twee kinderen heeft u de volgende dag teruggevonden bij Alexandre Tati. In januari 2001 besliste Alexandre Tati om u met uw kinderen naar de bossen van Mayombé te brengen. U was het beu om daar te blijven. Dit leven in open lucht samen met uw drie kinderen was zeer vermoeiend voor u. Daarenboven was het eten er niet goed en kampten jullie met gezondheidsproblemen. Via Jema bent u op 18 mei 2002 in Kinshasa toegekomen. Op 17 juli 2002 nam u te Kinshasa het vliegtuig met bestemming Brussel. Zonder enig reis- of identiteitsdocument, bent u probleemloos de verschillende controleposten in de luchthaven van Zaventem voorbijgelopen. Op 18 juli 2002 heeft u zich aangemeld op de dienst Vreemdelingenzaken en vroeg u asiel aan. Vooreerst kon u het geenszins aannemelijk maken afkomstig te zijn uit de Cabindese provincie en er tevens te hebben geleefd. Zo stelde u meerbepaald van 1987 tot 1992 in Miconge (Cabinda) te hebben geleefd; vervolgens in april 2000 vanuit Luanda te zijn teruggekeerd naar Tchiowa (Cabinda) en daaropvolgend enkele maanden in de bossen van Mayombé (Cabinda) te hebben geleefd. Wanneer u echter tijdens het verhoor voor het commissariaat-generaal werd gevraagd te specificeren waar u leefde in Miconge, stelde u 'dat er wijken zijn' (p.4). Uit de informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt, blijkt echter dat de door u vernoemde wijken Luali en Tando Zinze, twee steden zijn, gelegen op ruime afstand van Miconge(p.4). U kon evenmin preciseren hoe u van Luali, volgens uw verklaringen een wijk in Miconge, naar uw huis zou gaan (p.9). Verder is het gezien de afstand tussen beide plaatsen volstrekt onaannemelijk dat u voor de aankoop van voedingswaren naar de Cabindese hoofdstad zou moeten trekken en er in Miconge geen markt XIV-12.811-2/7 werd gehouden (p.5). U stelde tevens volstrekt verkeerdelijk dat u tijdens de rit van Miconge naar Tchiowa, langs Necuto en Tando Zinze zou rijden (p.6). Verder was Buco Zau aanvankelijk het enige dorp dat u kon vernoemen op wandelafstand van Miconge, terwijl deze stad hoedanook op meer dan twintig kilometer van Miconge verwijderd is (p.6-p.7). Later in ditzelfde verhoor vernoemde u Luali en Dinge als zijnde twee dorpen vlakbij Miconge, welke zich volgens uw verklaringen op 3O kilometer van Miconge situeren (p.32). U kon echter geen enkel dorp vernoemen dat zich zou situeren tussen Miconge en Dinge én tussen Miconge en Luali (p.32-p.33). De plaats Panga was u volstrekt onbekend (p.9). U stelde verder dat Caio Quembo in het bos van Mayombé gelegen is, maar u kon geen enkel dorp vernoemen dat u zou passeren om van Miconge naar Caio Quembo te gaan, niettegenstaande u bovendien zelf gedurende circa een jaar in het bos van Mayombé zou hebben geleefd (p.9). De rivier Chinguali (sic), waarmee u vermoedelijk verwijst naar Chiluangu, doorkruist evenmin Miconge (p.8). Verder werden u drie foto's voorgelegd van prominenten, welke op de één of andere manier een band hebben met Cabinda. U herkende slechts één van hen en beweerde bovendien verkeerdelijk dat het de gouverneur van Cabinda zou zijn (p.9). Verder stelde u niet te weten waar uw ouders geboren zijn noch kende u de geboorteplaats van uw vriendjes vader van uw kinderen (p.11-p.12). Verder dient te worden vastgesteld dat u er tijdens het verhoor voor het Commissariaat- generaal niet in slaagde uw beweerde lidmaatschap van de Flec-Renovada en uw activiteiten binnen de Flec-Fac aannemelijk te maken. Allereerst legde u doorheen uw verhoor voor het commissariaat-generaal volstrekt uiteenlopende verklaringen af met betrekking tot uw persoonlijke lidmaatschap (naam van de partij, datum van aansluiting, de datum van het verkrijgen van uw lidkaart) welke ernstige twijfels doen rijzen met betrekking tot de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Zo stelde u aanvankelijk voor het commissariaat- generaal geregistreerd lid te zijn van het Flec sinds 1990, maar legde u een lidkaart voor van het ' Flec-Renovada, welke u zou verkregen hebben in 1990 (p. 13). Toen u werd gevraagd of u lid was van het Flec dan wel van Flec-Renovada, stelde u lid te zijn van Flec-Fa (p. 13). Deze partij zou zich volgens uw verklaringen echter hebben opgesplitst in Flec-Fac en Hec- Renovada. U stelde hierna lid te zijn van Flec-Fac (p.14), om dadelijk daarna te stellen dat u in 1990 lid werd van Flec-Renovada en vervolgens opnieuw te verklaren lid te zijn van Flec- Fac sinds 1990 (p. 14). Uiteindelijk stelde u sinds 1990 lid te zijn van Flec-Renovada, maar uw lidkaart pas ontvangen te hebben in
  5. U nam reeds voor 1990, namelijk sinds 1987, geregeld deel aan activiteiten van de Flec-Fac (p. 15-p. 17). Wanneer u werd gevraagd of u tevens in het bezit was van een lidkaart van de Flec-Fac antwoordde u aanvankelijk bevestigend om dadelijk nadien te stellen dat u slechts over één lidkaart beschikte, namelijk deze van Flec-Renovada (p. 17). Verder stelde u verkeerdelijk dat Flec-Renovada werd gesticht in 1981 en liet u de werkelijke stichter van de partij onvermeld (p. 1 4-p. 15). U verklaarde tevens foutief dat José Bentou de president was van de Flec-Renovada in 2002 (p. 16). Wanneer u werd gevraagd of u behalve de president andere leiders kende binnen de Fiec-Fac. vernoemde u drie personen, namelijk Luis Ranque Franque, Francisco Xaviere Lubota en Eduardo Sozinho. U was totaal onwetend over de functie van deze drie personen en stelde vervolgens dat deze personen een eigen partij zouden hebben, wat geenszins een antwoord is op de aan u gestelde vraag (p. 18). Verder antwoordde u bevestigend op de vraag of Alexandre Tati, een goede kennis van u (sic), problemen zou hebben gekend met de autoriteiten, maar u kon geenszins specificeren welke problemen het betrof (p.24). U stelde verder niet te weten sinds wanneer Alexandre Tati de secretaris-generaal zou zijn van het Flec-Fac (p. 18). Verder antwoordde u aanvankelijk voor het commissariaat-generaal bevestigend op de vraag of er binnen de Flec-Fac een jeugdafdeling is, maar toen u werd gevraagd naar de naam van deze jeugdafdeling, stelde u echter verkeerdelijk dat er geen jeugdafdeling is van de Flec-Fac (p.20). Tenslotte is het merkwaardig dat u, zoals we mogen afleiden uit uw laatste verklaringen voor het commissariaat-generaal, als lid van de Flec-Renovada en als participant aan de activiteiten van het Flec-Fac als enige verschil tussen de twee partijen kon opmerken dat 'de ene (partij) veel leden heeft, de andere minder’ en ‘ze zeggen beiden in hun propaganda dat ze de beste zijn’ (p. 18). Betreffende de politieke activiteiten van uw vriend dient verder te worden vastgesteld dat u voor de dienst Vreemdelingenzaken volstrekt onwetend was over de inhoud van zijn functie en zijn concrete verantwoordelijkheden en bezigheden (punt 42). Voor het commissariaat- generaal stelde u aanvankelijk dat uw man de militairen mobiliseerde (p.21). Nadat u werd gevraagd naar de specifieke naam voor deze militairen van de Flec-Renovada alsook de ligging van de militaire basis en u het antwoord schuldig bleef op deze vragen, stelde u dat uw man geen militairen mobiliseerde, maar personen (p.21). Betreffende uw lidkaart kan worden getwijfeld aan het feit dat u deze lidkaart van de Flec- Renovada zou gekregen hebben van Alexandre Tati, de secretaris-generaal van de Flec-Fac. U legde bovendien incoherente verklaringen af met betrekking tot de datum waarop u deze lidkaart hebt ontvangen (zie infra). U wist evenmin wie deze kaart getekend had noch kon u preciseren van wanneer uw foto dateert die op uw lidkaart prijkt (CG, p.19 - DVZ, punt 42). XIV-12.811-3/7 Gelet op het voorgaande kan er bezwaarlijk nog geloof worden gehecht aan de asielmotieven waarop u zich beroept. Verder is uw verklaring als zou u zonder enig reis- of identiteitsdocument, probleemloos de verschillende controleposten in de luchthaven van Zaventem gepasseerd zijn, geheel niet ernstig Bij gebrek aan enig document terzake is een controle van uw reisweg hoe dan ook niet mogelijk. Het artikel dat u voorlegt uit de krant 'Folho 8' doet evenmin afbreuk aan voorgaande opmerkingen aangezien dit artikel van algemene aard is en geenszins ingaat op uw persoonlijk wedervaren. Uw verzoekschrift ter instelling van een dringend beroep bevat tenslotte geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen.”; 2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
  7. Dat het commissariaat generaal dan ook de plicht heeft om de feiten, waarop zij zich stoelt, te verzamelen op een zorgvuldige wijze.
  8. Dat bovendien de feiten moeten volledig zijn.
  9. Dat de feiten ook juist moeten worden beoordeeld. Wat de argumenten betreft.
  10. Dat de argumenten juist moeten zijn.
  11. Dat de argumenten bovendien volledig moeten zijn
  12. Dat ook de argumenten juist moeten worden beoordeeld. Bovendien moet de motivatie ook voldoen aan het beginsel van behoorlijk bestuur een meer bepaald aan het redelijkheidsbeginsel. Eerste onderdeel : Het commissariaat generaal steunt haar beslissing op het feit dat er tal van verwarringen en onduidelijkheden zitten in haar relaas. De advocaat van verzoekster heeft dit eveneens opgemerkt in zijn pleidooi, doch heeft hierbij een aantal pertinente opmerkingen gemaakt die niet zijn weerhouden in de beslissing. Op een bepaald ogenblik stelt verzoekster dat een dorp op wandelafstand van haar vandaan is, terwijl zij anderzijds deze wandelafstand wel op 30 km situeert. Een andere moment stelt zij dat twee steden 300 km uit elkaar zouden liggen, terwijl zij even later heeft verklaard dat de enclave zelfs niet zo groot zou zijn. Het is duidelijk en dit werd dan ook expliciet gemeld door de raadsman dat verzoekster een zeer gebrekkige oriëntatie in ruimte heeft, zeker wat afstanden betreft. Hetzelfde kan gezegd worden over de oriëntatie in tijd. Er is dan ook op het einde van het interview op gewezen dat een evaluatie van een dergelijk relaas niet mag gebeuren met de westerse invalshoek. Verzoekster is hier duidelijk niet klaar voor. Nochtans zijn bepaalde evenementen uit haar relaas wel degelijk objectief verifieerbaar terwijl dit blijkbaar moedwillig werd weggelaten. Zo beschikt het commissariaat generaal over tal van informatie over haar vriend Alexander Tati. Een toetsing van haar verhaal aan de gegevens van Alexander Tati, zou dan ook een ander licht op de zaak werpen. In het licht hiervan kan verzoekster melden dat zij zelf heeft geprobeerd om via het internationale rode kruis in contact te komen met de heer Alexander Tati. De heer Alexander Tati blijkt effectief een gekend politicus en verzetstrijder te zijn. De demarches die verzoekster momenteel heeft genomen had eveneens door het commissariaat generaal kunnen genomen worden in het kader van haar zorgvuldigheidsplicht. (zie stuk 3) Het commissariaat is niet uitgegaan van alle gegevens bij de beoordeling van het dossier. Minstens is hier een schending van het zorgvuldigheidsprincipe. Het commissariaat heeft als administratieve overheid de taak om zorgvuldig alle gegevens te verzamelen dienstig om een dergelijke beslissing te nemen. Met de opmerkingen van de advocaat werd duidelijk geen rekening gehouden. Tweede onderdeel Het commissariaat generaal gaat er ook van uit dat verzoekster liegt omwille van het feit dat zij geen duidelijke beschrijving kan geven van de lidkaart van Flec. Dit is vastgesteld tijdens het interview. Ook de raadsman heeft hier op het einde van het interview op gewezen. Nochtans is nadien duidelijk geworden dat verzoekster een exemplaar had van een lidkaart, waarvan trouwens de authenticiteit niet in twijfel wordt getrokken. XIV-12.811-4/7 Er is toen duidelijk vastgesteld dat zelfs met de kaart voor haar neus, verzoekster nog niet, naar westerse normen, een deftige beschrijving kon geven. Hieruit kan dus niet afgeleid worden dat verzoekster liegt, hoogstens dat verzoekster in de onmogelijkheid verkeert om naar westerse normen een adequate beschrijving te geven. Door hier geen rekening mee te houden heeft het commissariaat ook hier een inbreuk gepleegd tegen de zorgvuldigheidsnorm. Temeer dat deze opmerking eveneens werd geformuleerd door de advocaat op het einde van het interview Derde onderdeel Er wordt aan verzoekster verweten dat zij geen afdoende geschiedkundige beschrijving kan geven van de gebeurtenissen rond de onafhankelijkheidsbeweging van Flec. Anderzijds heeft verzoekster en dit is niet terug te vinden in de beslissing herhaaldelijk gesteld dat zij eigenlijk feitelijk enkel haar man volgde en dat zij ongeacht haar eventuele politieke voorkeur, als vrouw geacht werd haar man te volgen. Het is dan ook haar man(feitelijk vriend en vader van haar kinderen) die zich bezig hield met politieke activiteiten. Zij heeft dat uitdrukkelijk verklaard en dit is een zeer plausibele uitleg waarom haar exposé over de geschiedenis van Flec en Flec-Fac en Flec-Renovada dermate verwarrend overkomt. Dit werd trouwens erkend door haar raadsman op de zitting van het commissariaat generaal. Het is duidelijk een inbreuk tegen de zorgvuldigheidsplicht hiermee geen rekening te hebben gehouden.”, 2.
  13. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In een enig middel beroept verzoekster zich op een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In een eerste onderdeel stelt verzoekster dat er rekening mee gehouden dient te worden dat ze een gebrekkige oriëntatie in ruimte en tijd heeft. Het interview zou niet geëvalueerd mogen worden vanuit een westerse invalshoek. Verweerder antwoordt dat verzoekster een heel aantal inconsistente verklaringen heeft afgelegd die niet zomaar aan een evaluatie van de feiten vanuit een westerse hoek toegeschreven kunnen worden. Abstractie gemaakt van tegenstrijdige verklaringen met betrekking tot oriëntatie in ruimte (afstanden) blijkt dat verzoekster nog steeds een veelheid aan tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, soms over zeer basale elementen. Zo kon verzoekster niet specifiëren waar in Miconge ze woonde, alhoewel ze verklaarde er vijf jaar verbleven te hebben. Ze verwees daarvoor naar twee wijken die twee steden blijken te zijn op ruime afstand van Miconge (CGVS gehoorverslag p 4). Ook over dorpen die verzoekster zou passeren op vaak gefrequenteerde wegen bleken verzoeksters verklaringen schromelijk tekort te schieten (CGVS gehoorverslag p. 6, 9). Verder kon verzoekster de naam van een rivier niet juist benoemen waarvan ze verkeerdelijk beweert dat deze Miconge doorkruist (CGVS gehoorverslag p. 8), enz... De commissaris-generaal stelde terecht vast dat verzoekster geenszins aannemelijk kon maken afkomstig te zijn uit de Cabindese provincie en er tevens te hebben geleefd. In een tweede onderdeel meent verzoekster dat ze geen, naar westerse normen, deftige beschrijving kon geven van haar lidkaart van het Flec zelfs toen ze voor haar neus lag. Hieruit zou niet kunnen afgeleid worden dat verzoekster liegt hoogstens dat ze geen adequate beschrijvingen kan geven. Verweerder antwoordt zelfs indien verzoekster er niet in zou slagen om degelijke beschrijvingen te geven van voorwerpen in het algemeen en haar lidkaart meer specifiek blijft de vaststelling dat verzoekster een hoeveelheid aan inconsistente verklaringen heeft afgelegd. Verzoekster poogt tevergeefs deel per deel van de bestreden beslissing te weerleggen. Ook op dit punt komt haar verklaring weinig aannemelijk over. In een derde onderdeel stelt verzoekster dat ze geen goede kennis van het Flec-Fac en het Flec-Renovada heeft omdat haar man zich voornamelijk bezighield met deze politieke activiteiten. Verzoekster beweerde sinds 1990 lid te zijn van het Flec-Renovada. Een stelling die ze meermaals veranderde naar beweerd lidmaatschap van het Flec-Fac. Van verzoekster kan redelijk verwacht worden dat ze een basale kennis heeft van de partij waarvan ze beweerde reeds tien jaar lid te zijn, en op zijn minst de juiste naam ervan kent. Uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoekster volstrekt uiteenlopende verklaringen heeft afgelegd over haar beweerde lidmaatschap van het Flec-Fac (dan wel Flec-Renovada) die flagrant tegenstrijdig zijn. Stellen dat haar man zich vooral bezighield met de politieke activiteiten is geen afdoende verklaring voor verzoekster zeer beperkte kennis van het Flec-Fac/Flec-Renovada. XIV-12.811-5/7 Verweerder merkt bovendien op dat bij het onderzoek naar de eerbiediging van de motiveringsplicht dient rekening te worden gehouden met het geheel van de motivering en niet met diverse onderdelen van de motivering op zich. Eén onderdeel op zich kan misschien een beslissing niet dragen, maar kan in samenlezing met andere onderdelen voldoende draagkrachtig zijn. Het is het geheel van de in de bestreden beslissing opgesomde motieven die verweerder hebben doen besluiten tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag. Het enige middel is niet gegrond.”; 2.
  14. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord verwijst naar haar inleidend verzoekschrift; 2.
  15. Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de bestreden beslissing verwijst naar talrijke inconsistenties en tegenstrijdigheden in de verklaringen van de verzoekende partij; dat de verzoekende partij daar tegenoverstelt stelt dat haar oriëntatie in de tijd en ruimte gebrekkig is en dat de door de commissaris-generaal gemaakte evaluatie van de feiten “westers” is; dat deze stelling echter niet kan worden bijgetreden, nu sommige van deze inconsistenties en tegenstrijdigheden op zeer elementaire zaken slaan die niet zonder meer aan een evaluatie van de feiten vanuit “westerse invalshoeken” kunnen worden toegeschreven; dat de verzoekende partij aldus niet kon specificeren waar zij in Miconge woonde, alhoewel zij verklaarde er vijf jaar te hebben vertoefd, dat zij verkeerdelijk verwees naar twee wijken in Miconge die werkelijk twee steden (op ruime afstand van Miconge) blijken te zijn (verhoorverslag commissaris-generaal, p. 4) en dat zij een rivier foutief in Miconge trachtte te situeren (verhoorverslag commissaris-generaal, p. 8); Overwegende dat de verzoekende partij verder uiteenlopende verklaringen heeft afgelegd over haar beweerde lidmaatschap van het Flec-Fac (dan wel Flec-Renovada); dat van de verzoekende partij eveneens kan worden verwacht dat zij een elementaire kennis heeft van een politieke partij waarvan zij beweert tien jaar lid te zijn geweest en dat zij op zijn minst de juiste benaming ervan kent; dat haar betoog dat het haar vriend was die zich voornamelijk met de politieke activiteiten bezig hield haar onwetendheid daaromtrent niet kan rechtvaardigen, nu zij reeds had verklaard dat zij sinds 1987 (als vrouw) zelf politiek actief was; Overwegende dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van zijn ruime appreciatiebevoegdheid heeft genomen; dat het enige middel ongegrond is; XIV-12.811-6/7
  16. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  17. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  18. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig augustus tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-12.811-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.490 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.