id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 augustus 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.493 Rolnummer: A. 136121/XIV-14907 Zaak: Arrest 148493 - - 31/08/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-03 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 23:02 Fiche Arrest nr 148.493 van 31 augustus 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.493 van 31 augustus 2005 in de zaak A. 136.121/XIV-14.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat F. JACOBS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Kroonlaan 207 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van XXX nationaliteit, op 16 april 2003 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 maart 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 14 februari 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 6 mei 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 7 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het voorlopig advies opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 7, §2 van het hoger genoemde koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit voorlopig advies aan de partijen; XIV-14.907-1/5 Gelet op de beschikking van 7 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 april 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. JACOBS die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché B. DIERICKX die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 16 december 2002 en zich vluchteling verklaart op dezelfde dag; dat op 14 februari 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 12 maart 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die luidt als volgt: “U, een I. staatsburger verklaart uw land te hebben verlaten omwille van onderstaande problemen. Begin december 2002 verliet u uw land, vergezeld van twee minderjarige kinderen M. en N. Op 16 december 2002 heeft u in België asiel aangevraagd. U bent niet in het bezit van enig identiteitsdocument. U werkte sinds enkele jaren als receptioniste bij dokter N. Drie tot vier maanden voor uw vertrek droeg de dokter u een extra taak op, namelijk enveloppen afleveren bij drie vrouwelijke studenten op een drietal adressen, zo'n drie keer per week. U werd hiervoor extra betaald. De enveloppen werden u door ofwel A., S. of M. bezorgd. De inhoud van de enveloppen betrof de dag 16 azar (volgens de Perzische kalender; stemt overeen met 7 december volgens de Gregoriaanse tijdrekening). Op het einde van de maand aban, begin van de maand azar van dit jaar (rond 21-22/11/2002) kwam de dokter niet opdagen. Hij liet niet weten dat hij die dag belet was. Na twee uren wachten, sloot u het dokterskabinet en verliet u uw werkplaats. Na thuiskomst kwam A. langs om u te laten weten dat de dokter, S. en M. waren opgepakt en dat u diende te vluchten gezien uw leven in gevaar was. De enveloppen die u had besteld, bleken eigenlijk voor de M. (Marxistische-islamitische oppositiegroep) bestemd te zijn. U wou niet geloven dat de gevolgen voor u zo ernstig zouden zijn en wou niet vluchten. U besloot samen met uw twee kinderen die op dat moment thuis waren, naar uw zus te gaan om bij haar te logeren. Uw oudste zoon was gaan voetballen, u bracht hem niet op de hoogte van wat u was overkomen. Uw man was op missie voor het werk en zou de volgende dag naar huis komen. Drie dagen nadat u het huis verliet, ging uw schoonbroer K. bij u thuis langs om uw man te spreken. Hij zag echter hoe uw man werd meegenomen door de E. (staatsveiligheid). Intussen werd uw echtgenoot vrijgelaten, onder borg. Hij wordt echter nog regelmatig gevraagd waar u zich bevindt en is bijgevolg zeer nerveus. U ontmoette uw neef in I. Uw schoonbroer K. liet hem weten dat u naar I. zou komen. Jullie bleven samen één week bij de smokkelaar, om nadien naar België te komen. Samen met uw neef S. (OV 5.413.128) en M. (OV 5.413.231), zijn vriend, kwam u naar België, U gaf zich op de dienst Vreemdelingenzaken aanvankelijk uit als zus van de twee jongens, onder de naam XXX. Voor het commissariaat-generaal verklaarde u echter M. te heten en de tante te zijn van S. B. Motivering Vooreerst moet worden vastgesteld dat u valse verklaringen aflegde aangaande uw identiteit en verwantschap met S. en M. Volgens de richtlijnen van het UNHCR, waarvan een kopie aan het dossier werd gevoegd, wordt van u verwacht dat u de waarheid vertelt (Handbook on procedures and criteria for determining refugee status, Office of the United XIV-14.907-2/5 Nations High Commissioner for Refugees, januari 1992, art. 205, a, i, p 48). Door valse verklaringen af te leggen aangaande uw identiteit, komt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas ernstig in het gedrang. Verder moeten een aantal tegenstrijdigheden worden opgemerkt tussen uw verklaringen voor de dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en het commissariaat-generaal (CGVS). Hierdoor wordt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas verder aangetast. Wat betreft de arrestatie van de dokter verklaarde u voor de dienst Vreemdelingenzaken dat de dokter op 1/09/1381 (22/11/2002), een zaterdag was gearresteerd (gehoorverslag DVZ, vraag 42, p 7). Voor het commissariaat-generaal blijkt u zich de datum niet meer te herinneren, maar wel dat het een donderdag was (gehoorverslag CGVS, p. 1 l). Ook in verband met uw eigenlijke activiteiten legde u tegengestelde verklaringen af, dit keer bij het gehoor voor het commissariaat-generaal. Aanvankelijk verklaarde u dat u de enveloppen in de brievenbus deponeerde (gehoorverslag CGVS, p.7). Later wijzigde u uw verklaring en verklaarde u dat u ze niet in de brievenbussen deponeerde, maar persoonlijk aan de bestemmelingen gaf (gehoorverslag CGVS, pp. 10-1 l). U legde eveneens tegenstrijdige verklaringen af over hoe u te weten kwam dat uw man werd gearresteerd. Voor de dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u dat uw ouders u telefonisch op de hoogte brachten van zijn arrestatie (gehoorverslag DVZ, vraag 42, p.8). Voor het commissariaat-generaal verklaarde u daarentegen dat uw schoonbroer K. zag hoe uw man werd gearresteerd en u daarvan op de hoogte werd gesteld door hem (gehoorverslag CGVS, p.8). De eigenlijke ontmoeting met uw neef en zijn vriend in I. blijkt u ook totaal anders te verklaren voor de dienst Vreemdelingenzaken en het commissariaat-generaal. Voor de dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u dat u hen per toeval tegen het lijf liep aan de busterminal (gehoorverslag DVZ, p.7-8). Voor het commissariaat-generaal daarentegen verklaarde u dat uw schoonbroer K. zijn zoon waarschuwde van uw komst en S. u dus stond op te wachten aan de terminal en u vertelde dat zijn vader hem had verwittigd (gehoorverslag CGVS, p 5-6). Verder is het zeer merkwaardig dat wanneer u het over de inhoud van de enveloppen heeft, u het voor de dienst Vreemdelingenzaken over pamfletten heeft bestemd voor studenten en hun studentendag van 16 azar (7 december). Voor het commissariaat-generaal verklaarde u dat de enveloppen later bestemd bleken voor de M. (CGVS, p.7 Het is toch wel zeer merkwaardig dat u dit feit over M. niet vertelde voor de dienst Vreemdelingenzaken. Een dergelijk aspect is van doorslaggevend belang, gezien de beruchte reputatie van de organisatie en de uitzonderlijke aandacht die deze organisatie van de XXX autoriteiten geniet. Het is dan ook weinig geloofwaardig dat u deze belangrijke wending vergat te vermelden. U legde geen enkel document voor ter bevestiging van uw identiteit, nationaliteit, origine of vluchtrelaas. Gelet op het voorgaande kan voor u geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, bestaan. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de Vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (koninklijk besluit van 19/05/1993; artikel 17, par. 2, al. 2).”;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; XIV-14.907-3/5 3.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat als volgt luidt : “Schendig van art. 2 par. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motiveringsplicht van administratieve akten en artikel 62 van de wet van 15.12.1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdeling. Dat echter de motivering moet betrekking hebben op de ingeroepen feiten, waarbij melding moet worden gemaakt van de toepasselijke juridische regels en waarbij dient gemeld te worden hoe en waarom deze juridische regels hebben aanleiding gegeven tot de genomen beslissing. Bovendien stelt de wet dat de motivering afdoende dient te zijn. Teneinde als afdoende kunnen beschouwd te worden dient de motivatie steun te vinden in het administratief dossier en dienen alle elementen die ter kennis van de administratie werden gebracht in overweging genomen te worden. Het CGVS heeft de getroffen beslissing als volgt gemotiveerd (...) Verzoekende partij heeft voor het CGVS laten gelden dat zij enkele jaren geleden een schedeltrauma had ondergaan, dat een bloedklont nog in haar hersenen zat, waarvoor zij onderzocht (scan) behandeld werd in XXX. Hierdoor heeft zij concentratie en geheugen problemen (14/15 CGVS). De getroffen beslissing houdt met dit element geen enkele rekening en zegt evenmin waarom deze medische redenen niet van aard zijn om de aangetroffen tegenstrijdigheden uit te leggen of te weren. Het CGVS beperkt zich gewoon deze elementen te verzwijgen, hetgeen niet aanneembaar is. Verzoekende partij heeft tevens spontaan en meteen voor het CGVS verklaard dat zij een valse identiteit had aangegeven voor de DVZ. Ook heeft verzoekende partij minstens 2 redenen aangegeven om haar houding uit te leggen: Zij heeft uitdrukkelijk verklaard dat zij - zich enerzijds door andere vluchtelingen had laten beïnvloeden, die haar de slechte raad gaven dit te doen om ‘problemen te vermijden’. Wanneer zij echter zag dat zijzelf en de kinderen in België goed werden behandeld, zag zij in dat dit onzin was - bang was om van de twee jongeren gescheiden te zijn door een plaatsing in verschillende centra's Het CGVS rechtvaardigt zijn beslissing geenszins in dit optiek. Het gehoor gebeurde op dringend beroep, zodat enkel de plausibiliteit van het relaas dient te worden getoetst. In casu gaat het reeds om een verhoor ten gronde. De getroffen beslissing is bijgevolg niet wettig gemotiveerd.”; 3.
- Overwegende dat uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent en deze motieven inhoudelijk aanvecht; dat de verzoekende partij aldus de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt en dat het middel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motivering niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij aan het einde van het verhoor op het commissariaat-generaal heeft vermeld dat zij geheugenproblemen heeft; dat zij dit niet XIV-14.907-4/5 met een medisch attest heeft aangetoond, hoewel zij stelde in België reeds tweemaal te zijn onderzocht door een geneesheer; dat de verzoekende partij prima facie niet aantoont dat de commissaris-generaal de medische toestand van de verzoekende partij foutief heeft ingeschat; dat de verzoekende partij tegen de vaststelling van de commissaris-generaal dat zij valse verklaringen heeft afgelegd aangaande haar identiteit en verwantschap met S. en M. inbrengt dat zij zich heeft laten beïnvloeden door andere vluchtelingen en dat zij “bang was om van de twee jongeren gescheiden te zijn door een plaatsing in verschillende centra”; dat de verzoekende partij met dit betoog prima facie niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal op kennelijk onredelijke wijze of op grond van onjuiste feitelijke gegevens tot de bestreden beslissing is kunnen komen; dat het enige middel niet ernstig is;
- Overwegende dat niet is voldaan aan één van de twee door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State cumulatief opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig augustus tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-14.907-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.493 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.