id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 augustus 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.494 Rolnummer: A. 110328/XIV-6597 Zaak: Arrest 148494 - - 31/08/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-19 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 23:03 Fiche Arrest nr 148.494 van 31 augustus 2005 - Beslissing : Bevolen Voortzetting gewone procedure Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148494 van 31 augustus 2005 in de zaak A. 110.328/XIV-
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat M. GROUWELS, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, A. Lacvomblélaan 59-61, bus 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door: de minister van Binnenlandse zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Srilankaanse nationaliteit, op 14 september 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 31 juli 2001 waarbij de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 16 augustus 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 4 oktober 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 23 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 maart 2005; XIV-6597-1/4 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. GROUWELS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur eerste auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten. Overwegende dat de verzoekende partij op 19 februari 2001 een aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen indient; dat op 31 juli 2001 de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag ontvankelijk doch ongegrond verklaart, dat dit de bestreden beslissing is die luidt als volgt: “De niet-terugleidingsclausule van het commissariaat-generaal, dd 11/10/2000, is niet meer actueel. Heden is de commissaris-generaal van oordeel dat Srilankanen kunnen teruggeleid worden mits zij in het bezit zijn van een geldig Srilankaans paspoort of van een door de Srilankaanse ambassade uitgereikt ICOM-document (Identity Certificate Overseas Missions). Dat betrokkene 2 broers heeft in België en 1 broer in Nederland beletten hem niet een aanvraag op basis van gezinshereniging in te dienen bij de bevoegde ambassade in het land van herkomst. Tevens bewijst verzoeker op geen enkele manier zijn integratie in België. Gezien de huidige onstabiele situatie in het land van herkomst wordt het bevel om het grondgebied te verlaten, bijlage 26bis, verlengd tot en met 30/09/
- Verdere verlengingen zijn afhankelijk van de evolutie in het land van herkomst.”;
- Wat betreft de toepassing van artikel
- 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat zij ondermeer betoogt dat de bestreden beslissing een tegenstrijdigheid bevat door enerzijds te stellen dat “De niet-terugleidingsclausule van het commissariaat-generaal, dd. 11/10/2000, (...) niet meer actueel (is) en anderzijds door te verwijzen naar “de huidige onstabiele situatie in het land van herkomst”; XIV-6597-2/4 2.
- Overwegende dat de hierboven geciteerde motivering in de bestreden beslissing tegenstrijdig voorkomt; dat dit een schending van de formele motiveringsplicht inhoudt; dat het enige middel niet ongegrond lijkt; 2.
- Overwegende dat, nu de kamer het niet eens is met de conclusies van het verslag, het beroep tot nietigverklaring, overeenkomstig de artikelen 21 tot 25 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt voortgezet;
- Wat betreft de vordering tot schorsing. 3.
- Overwegende dat het auditoraat in het verslag oordeelt dat indien de kamer geen toepassing maakt van meergenoemd artikel 26, de vordering tot schorsing moet worden verworpen wegens gebrek aan ernstige middelen, met toepassing van artikel 7, § 2 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000; Gezien de nota van de verwerende partij; 3.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat de verzoekende partij met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel onder meer betoogt dat de dienst Vreemdelingenzaken zelf toegeeft dat momenteel de situatie in Sri Lanka niet van die aard is dat de verzoekende partij kan worden teruggestuurd; Overwegende dat de verzoekende partij met dit betoog, ongeacht de verlenging met een maand van het bevel om het grondgebied te verlaten, aannemelijk maakt dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent; Overwegende dat sub 2.
- werd geoordeeld dat het eerste middel niet ongegrond lijkt; dat uit de daaraan voorafgaande bespreking integendeel blijkt dat het eerste middel op het eerste gezicht gegrond kan zijn en derhalve ernstig is; XIV-6597-3/4 Overwegende dat voldaan is aan de twee door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State cumulatief opgelegde voorwaarden; dat bijgevolg aan de wettelijke voorwaarden voor een schorsing van de tenuitvoerlegging is voldaan, BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 31 juli 2001 waarbij de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard. Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt voortgezet overeenkomstig de artikelen 21 tot 25 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzonder procedureregeling inzake geschillen over de beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen. Artikel
- De kosten worden voorbehouden. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig augustus tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-6597-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.494 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.