id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 augustus 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.495 Rolnummer: A. 139761/VII-35315 Zaak: Arrest 148495 - - 31/08/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-19 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-02 23:03 Fiche Arrest nr 148.495 van 31 augustus 2005 - Beslissing : Bevolen Voortzetting gewone procedure Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.495 van 31 augustus 2005 in de zaak A. 139.761/XIV-16.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat L. LUYTENS, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Berckmansstraat 89 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Algerijnse nationaliteit, op 28 juli 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 juni 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 22 augustus 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 27 juni 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 8 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 februari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-16.145-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat L. LUYTENS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 14 juli 2002 en zich vluchteling verklaart op 5 augustus 2002; dat op 22 augustus 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 26 juni 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U verklaart afkomstig te zijn uit Algerije en getrouwd te zijn met een Marokkaanse vrouw. U verklaart jaarlijks naar Marokko te zijn gegaan tot 1994, toen er een aanslag werd gepleegd in Marakesh. Hierna was het u niet meer toegestaan om naar Marokko te gaan. In december 1997 kwamen terroristen bij u thuis in Toumiat. Drie gewapende personen kwamen bij u en spraken over uw buur Nekka Abdelkader die werd gedood door de autoriteiten. Uw buurman Nekka Abdelkader was een vooraanstaand islamist en was actief voor de terroristen. De drie gewapende personen die u kwamen bezoeken, zeiden u dat u werd geconvoceerd door de Emir in de bergen en dat ze u de volgende dag om een bepaald uur gingen komen halen. De volgende dag ging u logeren bij uw moeder tot 10 uur. Hierna ging u bij uw zus logeren in Oran. Uw broer ging de volgende dag naar uw huis een kijkje nemen en vond alles vernield terug. Hierna vroeg u een paspoort aan omdat uw leven in Algerije te gevaarlijk was. U vertrok naar Libië in
- De eerste zes maanden van uw verblijf in Libië werd u actief gezocht door terroristen in Algerije, en toen ze hoorden dat u het land uit was, staakten ze hun zoektocht. In Libië had u geen werk en verbleef er bij uw schoonbroer, die er over een verblijfstatuut beschikt. U kreeg een identiteitskaart in Libië, en diende een aanvraag in voor een Libisch paspoort. Nadat u hoorde van de Concorde Civile in Algerije, besloot u na anderhalf jaar, in juli 1999 terug te keren naar uw land. In 1999 ging u klacht indienen bij de gendarmerie, maar deze waren op de hoogte van de bezoeken van de terroristen aan uw adres. Ze stelden u enkel voor om u van een wapen te voorzien. Op 29/9/1999 ging u terug naar Libië en verbleef er tot oktober 2001, toen u opnieuw naar Algerije terugkeerde. U werkte niet in Algerije, u leefde op kosten van uw zus in Oran van oktober 2001 tot juli
- U hoorde van verscheidene personen dat de terroristen wisten dat u terug was van Libië en dat ze u actief zochten. U vroeg een visum en kreeg dit van de Belgische ambassade. Uw echtgenote vergat de aanvraag van een visum voor uw dochter in te vullen, waardoor uw dochter in Marokko diende te verblijven. Op 14/7/2002 hebt u Algerije verlaten om naar België te komen. B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat de feiten die u aanhaalt ter ondersteuning van uw asielaanvraag onvoldoende zwaarwichtig zijn om als vervolging in de zin van de Conventie van Genève te worden beschouwd. U brengt namelijk onvoldoende concrete elementen aan die wijzen op een gegronde vrees voor vervolging in Algerije. Zo verklaarde u tussen oktober 2001 en januari 2002 bij uw zus in Oran te hebben gewoond, maar u maakte geen melding van effectieve persoonlijke problemen met de terroristen aldaar (zie CGVS, gehoorverslag, pp. 7- 10). U haalt bijgevolg geen afdoende redenen aan waarom u niet elders in Algerije zou kunnen wonen om, na het lokale probleem met de terroristen, dat zich reeds voordeed in 1997, verdere moeilijkheden te ontlopen (gehoorverslag p. 19-20). Bovendien wordt uw vrees verder XIV-16.145-2/8 ondermijnd door het feit dat u sinds het begin van uw problemen in 1997, verschillende keren vanuit Libië terug naar Algerije bent gegaan. Zo brengt u hier evenmin concrete elementen aan die wijzen op effectieve persoonlijke problemen met de terroristen bij uw vorige terugkeren naar Algerije, namelijk in juli 1999 en oktober 2001 (gehoorverslag dringend beroep p. 14 en p. 19). Bijgevolg maakt u niet aannemelijk waarom u geen beroep zou kunnen doen op het interne vluchtalternatief. Wat betreft uw verblijf in Libië kan worden vastgesteld dat u geen enkel ernstig element aanhaalt waaruit blijkt dat er, in uw hoofde, een gegronde vrees voor vervolging bestaat in Libië (CGVS, gehoorverslag, p. 16). De door u neergelegde documenten wijzigen bovenstaande vaststellingen niet. Uw paspoort, militair boekje, identiteitskaart, huwelijksakte, uittreksel burgerlijke stand en geboorteakte bevestigen enkel uw identiteit en het feit dat u uw legerdienst heeft volbracht, hetgeen niet wordt betwist. Ook uw werkattest en uittrekstel van uw blanco strafregister kunnen bovenstaande vaststellingen niet in positieve zin ombuigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dagen), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al 2.).”;
- Wat betreft de toepassing van artikel 26 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van artikel 1, al. 2 van Het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, goedgekeurd en bekrachtigd bij Wet van 14 juli 1987,aangevuld door het Protocol betreffende de status van vluchtelingen van 18 november 1966, van artikel 52, $1, 7/ en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de uitdrukkelijke motiveringswet van 29 juli 1991, de manifeste appreciatiefout en tenslotte de algemene rechtsbeginselen meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel en de rechten van de verdediging Doordat de bestreden beslissing ten opzichte van verzoeker (en vervolgens ten opzichte van verzoekster die haar aanvraag grondt op die van verzoeker) ten onrechte en volledig overhaast stelt dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is; doordat dit een manifeste appreciatiefout uitmaakt; doordat dit ook een onjuiste interpretatie uitmaakt van de term ‘kennelijk ongegrond’. Doordat de bestreden beslissing zich niet op de volledige en correcte feiten baseert Doordat de bestreden beslissing niet beantwoord aan de verplichting van de formele motiveringsplicht in zoverre zij niet als afdoende kan bestempeld worden. Doordat zij eveneens inhoudelijk niet beantwoord aan de verplichting van de materiële motivering aangezien de inhoud van de motieven betwistbaar is, namelijk doordat zij niet gebaseerd zijn op de juiste wettelijke grond en de juiste feiten. Terwijl de bestreden beslissing niet in twijfel trekt dat verzoeker in 1997 een confrontatie met de terroristen heeft gehad en sindsdien op de vlucht is voor hen omdat hij ervan verdacht werd een van de vooraanstaande leden te hebben verklikt aan de overheid; terwijl zij ook niet in twijfel trekt dat verzoeker klacht heeft ingediend bij zijn overheid maar spijtig genoeg niet op een genoegzame bescherming kon rekenen zodat hij zijn toevlucht elders diende te zoeken; terwijl de bestreden beslissing dus geen rekening schijnt te houden met een nochtans algemeen erkende toestand, namelijk dat het terrorisme in de laatste jaren in Algerije tienduizenden slachtoffers heeft gemaakt en nog dagelijks bijkomende slachtoffers maakt (zoals trouwens ook de overheid maar dit doet hier niet ter zake). Terwijl deze terroristen goed georganiseerd zijn en zich ook heel gemakkelijk verplaatsen doorheen het land omdat zij overal op hulp kunnen rekenen (vrijwillig of onder dwang). Terwijl er ook geen eind is gekomen aan het terrorisme zodat deze trieste staat duidelijk wijst op voldoende aanwijzingen om een gegronde vrees voor XIV-16.145-3/8 vervolging te hebben vanwege de terroristen, die immers geen enkele genade kennen en er de meest barbaarse methoden op nahouden. Terwijl redelijkerwijze door iedere aandachtige lezer en onderzoeker van het relaas dient vastgesteld te worden dat er wel ‘aanwijzingen’ naar voren worden gebracht dat er een gegronde vrees voor vervolging bestaat in zijnen hoofde (zoals de term voorziet in artikel 52 $1,7/ van de Vreemdelingenwet). Terwijl het aangewezen is alle feiten in overweging te nemen zoals ze hierboven werden weergegeven en nog beter in het verslag dat hijzelf heeft opgestuurd in het kader van het dringend beroep verzoeker immers (zoals gezegd baseert verzoekster zich volledig op het dossier van verzoeker). Van bij de dienst Vreemdelingenzaken heeft hij trouwens een duidelijk en gedetailleerd relaas verstrekt omtrent de problemen die hem ertoe gebracht hebben zijn land te verlaten en vervolgens asiel aan te vragen bij de Belgische autoriteiten; terwijl hij in het kader van zijn dringend beroep ook een gedetailleerd geschreven verslag heeft opgestuurd, omdat hij van mening was dat het verhoor niet van die aard was geweest dat hij alle omstandigheden van zijn zaak had kunnen uiteenzetten. Terwijl het inderdaad zo is dat het verhoor in dringend beroep niet voldoende zorgvuldig werd gevoerd; dit mag blijken uit de verslagen enerzijds en het gedetailleerd verslag van verzoekers anderzijds. Terwijl uit dit alles blijkt dat verzoeker wel degelijk voldoende concrete elementen (objectieve en subjectieve) heeft aangevoerd die wijzen op een gegronde vrees. Terwijl hieruit ook blijkt dat een zus van verzoeker en een familie uit zijn dorp reeds eerder werden omgebracht door terroristen; terwijl het ook logisch is dat de terroristen hem konden viseren; dat dit trouwens door de ordediensten ook werd erkend maar dat deze machteloos staan om dit onheil dat het terrorisme uitmaakt te bestrijden; dat dit uiteraard het vertrouwen in de autoriteiten om een bescherming van hen te bekomen volledig op de helling zette; dat al deze feiten in overweging werden genomen en gekend zijn door het CGVS dat nochtans de manifeste beoordelingsfout maakt om te stellen dat al deze feiten geen voldoende concrete elementen zijn dat er wat hem betreft "aanwijzingen" zijn van een gegronde vrees voor vervolging. Terwijl ook met betrekking tot het intern vluchtalternatief een manifeste beoordelingsfout wordt gemaakt in die zin dat verzoeker al die tijd bij zijn zus in Oran ondergedoken leefde en geen enkel sociaal of economisch leven kon leiden, alhoewel dit de voorwaarde is om van een effectief intern vluchtalternatief te kunnen spreken; dat verzoekers trouwens gedurende elke van hun verblijven in Oran op de hoogte gebracht werden dat de terroristen nog steeds op zoek waren naar verzoeker; terwijl in dit kader dient verwezen te worden naar het feit dat het hier gaat om een zeer specifieke vorm van vervolging, namelijk door islamitische groepen die over heel het territorium van Algerije woeden en perfect georganiseerd zijn en informatie doorspelen binnen hun netwerken, efficiënt optreden en zich ook verplaatsen. Terwijl de bestreden beslissing geen rekening houdt met dit fenomeen : iemand die gezocht wordt door de terroristen is nergens meer veilig en kan zich nergens meer vrij bewegen omdat zijn aanwezigheid binnen de kortste keren zal doorgegeven worden aan de terroristen. Het probleem met terrorisme is trouwens dat men niet kan herkennen wie aan wiens zijde staat. Terwijl het trouwens ook correct is dat zij door daar onder te duiken ook de zus van verzoeker ernstig in gevaar brachten en ook om die reden beter niet in Algerije bleven. Terwijl het land verlaten voor verzoekers niet moeilijk was, in die zin dat die trajecten alle door de overheid worden gecontroleerd en verzoekers met hen geen enkel probleem hadden. Terwijl om dezelfde redenen verzoeker ook niet elders in Algerije kon gaan wonen; dat hij ook daar onmiddellijk zou ‘doorgegeven’ worden. Terwijl de bestreden beslissing niet op de hoogte is of niet wil zijn van de situatie op het terrein: dat immers Algerije over honderden verschillende dialecten beschikt zodat iemand van Oran onmiddellijk wordt opgemerkt indien hij zich bvb. 100 km. verderop gaat vestigen zodat er onmiddellijk een onderzoek gestart wordt naar wie die persoon is ... de terroristen hebben hun informanten overal. Terwijl dus de aangevoerde motieven niet afdoende zijn omdat ze geen rekening houden met het belang van de zaak. Terwijl de (niet afdoende) aangevoerde motieven ook inhoudelijk niet correct zijn, zoals blijkt uit de hierboven uiteengezette redenering. Terwijl verzoekers tenslotte vanuit Algerije gevlucht zijn en niet vanuit Libië zodat hun vrees t.o.v. dit land in casu niet meer dient onderzocht te worden; dat zij hoe dan ook in Libië geen sociaal-economisch leven konden leiden maar er ook volledig afhankelijk waren van de zus van verzoekster. Terwijl er nogmaals dient opgemerkt te worden dat verzoekers alles gedaan hebben om mee te werken met de Belgische autoriteiten en al hun identiteitsdocumenten hebben neergelegd. Uit dit alles blijkt dat de beslissing om de asielaanvragen kennelijk ongegrond te verklaren niet correct en niet afdoende werd gemotiveerd en dat er manifeste beoordelingsfouten en redeneringsfouten werden gemaakt. XIV-16.145-4/8 Tenslotte blijkt uit de aangehaalde motieven zelf dat het onderzoek dat gevoerd werd, duidelijk heel ver de grenzen van het ontvankelijkheidsonderzoek overschreden hebben en in feite betrekking hebben op een onderzoek ten gronde.”; 2.
- Overwegende dat artikel 62 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent doch betwist dat de gegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de commissaris-generaal tot de conclusie komt dat de asielaanvraag van de verzoekende partij kennelijk ongegrond is, nadat hij heeft vastgesteld dat de verzoekende partij “onvoldoende concrete elementen (heeft aangebracht) die wijzen op een gegronde vrees voor vervolging in Algerije”; dat hij zich voornamelijk baseert op het feit dat de verzoekende partij tussen oktober 2001 en januari 2002 bij haar zus in Oran “woonde” zonder er problemen te hebben ondervonden met de terroristen, dat zij vroeger “verschillende keren vanuit Libië terug naar Algerije” was gegaan en dat zij bijgevolg over een intern vluchtalternatief beschikte; dat bij de beoordeling van het bestaan van een intern vluchtalternatief rekening moet worden gehouden met de concrete situatie waarin de betrokkene zich bevindt; dat uit het verhoorverslag van het commissariaat- generaal blijkt dat de verzoekende partij op de vraag of zij nog in de periode van oktober 2001 en januari 2002 andere problemen met de terroristen kende, heeft geantwoord dat zij bij haar zus ondergedoken leefde (verhoorverslag, p. 10); dat de commissaris-generaal echter nergens in de bestreden beslissing dit ondergedoken leven van de verzoekende partij vermeldt noch uiteenzet waarom hij dit gegeven niet heeft betrokken bij zijn beoordeling van het bestaan van het interne vluchtalternatief; dat de verzoekende partij nochtans heeft verklaard persoonlijk vrees te koesteren om getroffen te worden door de Algerijnse terreurgroepen en dat zij daardoor ondergedoken was gaan leven bij en op kosten van haar zus in Oran; dat de commissaris-generaal niet betwist dat de verzoekende partij in het verleden persoonlijk in confrontatie kwam met de terroristen, dat zij klacht had ingediend bij de Algerijnse autoriteiten (waarbij zij te horen kreeg dat zij zich best van een wapen zou voorzien), dat zij steeds op de vlucht was, en dat zij verklaard heeft Algerije te zijn ontvlucht omwille van problemen die verband houden met de voornoemde terroristen; dat XIV-16.145-5/8 de commissaris-generaal prima facie op grond van al die elementen niet in redelijkheid kon besluiten dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakte waarom zij geen beroep zou kunnen doen op het interne vluchtalternatief in Algerije; dat de commissaris-generaal prima facie op basis van deze feitenvinding in de ontvankelijkheidsfase niet in redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen; dat het middel in die mate niet ongegrond lijkt; 2.
- Overwegende dat, nu de kamer het niet eens is met de conclusies van het verslag, het beroep tot nietigverklaring, overeenkomstig de artikelen 21 tot 25 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt voortgezet;
- Wat betreft de vordering tot schorsing. 3.
- Overwegende dat het auditoraat in het verslag oordeelt dat indien de kamer geen toepassing maakt van meergenoemd artikel 26, de vordering tot schorsing moet worden verworpen wegens gebrek aan ernstige middelen, met toepassing van artikel 7, § 2 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000; Gezien de nota van de verwerende partij; 3.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat het verzoekschrift van de verzoekende partij de uiteenzetting bevat van het risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; dat uit die uiteenzetting blijkt dat de verzoekende partij bij haar terugkeer in Algerije, indien zij niet onmiddellijk onderduikt, in handen dreigt te vallen van terroristen die haar “in barbaarse omstandigheden om het leven dreigen te brengen”; dat de verwerende partij in haar nota zeer vaag blijft over het feit dat de verzoekende partij verwijst naar de moord op haar zus door de terroristen en naar de machteloosheid van de Algerijnse autoriteiten voor wat betreft de concrete situatie van de verzoekende partij; Overwegende dat hierboven sub 2.2, laatste considerans, is geoordeeld dat het eerste middel niet ongegrond lijkt; dat uit de daaraan voorafgaande bespreking integendeel blijkt dat het eerste middel op het eerste gezicht gegrond kan zijn en derhalve ernstig is; XIV-16.145-6/8 Overwegende dat voldaan is aan de twee door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State cumulatief opgelegde voorwaarden; dat bijgevolg aan de wettelijke voorwaarden voor een schorsing van de tenuitvoerlegging is voldaan, BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de commissaris-generaal van 26 juni 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 22 augustus 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt voortgezet overeenkomstig de artikelen 21 tot 25 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzonder procedureregeling inzake geschillen over de beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen. Artikel
- De kosten worden voorbehouden. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig augustus tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-16.145-7/8 M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-16.145-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.495 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.