id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.577 Rolnummer: A. 161938/IX-4867 Zaak: Arrest 148577 - - 05/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-08 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 23:23 Fiche Arrest nr 148.577 van 5 september 2005 - Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.577 van 5 september 2005 in de zaak A. 161.938/IX-
- In zake : Herman VANHUMBEECK, wonende te MECHELEN, Wezelstraat 34 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Herman VANHUMBEECK op 22 april 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van “de beslissing van 23 februari 2005 van de Militaire Commissie van Beroep voor Geschiktheid en Reform, waarbij werd geoordeeld dat verzoeker definitief ongeschikt is voor de dienst, in toepassing van artikel 117 § 2 van de wet van 14 februari 1961, en waarbij het verlies van de graad van zelfredzaamheid volgens het M.B. van 30 juni 1987 werd vastgesteld op minder dan 12 punten. Verzoeker heeft dan ook geen recht op het forfaitair pensioensupplement volgens artikel 134 van de wet van 26 juni 1992”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgemaakt door auditeur H. COLIN, op grond van artikel 94 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing opgemaakt door auditeur H. COLIN; IX-4867-1/7 Gelet op de beschikkingen van 8 juni 2005, houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 juni 2005; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VAN HOOGENBEMT die, loco advocaat L. KOOLS verschijnt voor de verzoekende partij, en van luitenant-kolonel militair administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker maakt deel uit van het kader van de beroepsvrijwilligers van de Krijgsmacht. Hij is bekleed met de graad van eerste korporaal-chef. 1.
- Op 2 februari 2004 stelt de korpscommandant van verzoeker voor, gezien het groot aantal dagen dat hij om gezondheidsredenen afwezig was, de procedure met het oog op het nagaan van zijn medische geschiktheid voor de dienst op te starten. Op 1 april 2004 verleent de Algemene Directie Human Resources de toelating om verzoeker te laten onderzoeken door een militaire geneesheer teneinde een attest van medisch onderzoek “model 5” op te stellen. 1.
- Dat attest van medisch onderzoek wordt op 3 juni 2004 afgeleverd. De geneesheer verklaart dat verzoeker aangetast is door “1213”. Hij oordeelt dat verzoeker “ongeschikt” is voor de dienst, dat de kwaal waaraan hij lijdt “ongeneesbaar” is en dat de ongeschiktheid die zij met zich meebrengt “definitief” is. IX-4867-2/7 Het nummer “1213” verwijst naar de “Tabel van de aandoeningen en de lichaamsgebreken die aanleiding geven tot de ongeschiktheid voor de dienst als militair”, gevoegd bij het koninklijk besluit van 11 maart 2003 tot vaststelling van de medische geschiktheidscriteria voor de dienst als militair. Nummer 1213 betreft “aandoeningen van de wervelzuil en de ribben”. 1.
- Op 23 juni 2004 wordt een dossier tot voorstel voor fysische ongeschiktheid van verzoeker naar de voorzitter van de Militaire Commissie voor Geschiktheid en Reform (MCGR) gestuurd. 1.
- Op 21 oktober 2004 onderzoekt de MCGR, “oordelend bij toepassing van het Koninklijk Besluit van 5 oktober 1959”, het geval van verzoeker. Het proces-verbaal van de zitting vermeldt : “DE COMMISSIE na inzage van het dossier, na het verschijnen van belanghebbende, rekening houdend met de keuringscriteriatabel van het Koninklijk Besluit van 11 maart 2003, BESLIST dat belanghebbende ONGESCHIKT is voor de dienst en dat deze ongeschiktheid DEFINITIEF is, in de zin van artikel 117 van de wet van 14 februari
- Het verlies van de graad van zelfredzaamheid, volgens het M.B. van 30 juli 1987, werd vastgesteld op MINDER DAN - TEN MINSTE 12 punten. Belanghebbende heeft GEEN RECHT op het forfaitair pensioensupplement volgens artikel 134 van de wet van 26 juni
- CRITERIA : 1213 MOTIVERING : Persisterende lage rugpijn n.a.v. arthrodese en defintieve intrathecale morfine infusiepomp”. 1.
- Op 8 november 2004 stelt verzoeker tegen de beslissing van de MCGR beroep in bij de Militaire Commissie van Beroep voor Geschiktheid en Reform (MCBGR), en vraagt hij de beslissing van 21 oktober 2004 te hervormen en “te zeggen voor recht dat verzoeker arbeidsgeschikt is”. Ter ondersteuning van zijn beroep, voegt hij een attest toe van het multidisciplinair pijncentrum van de Universitaire Ziekenhuizen Leuven, waarin wordt verklaard wat volgt : “Patiënt wordt bij ons op het Multidisciplinair Pijn Centrum gevolgd in het kader van een Failed Back Surgery Syndrome FBSS daterend van 8-02-
- Omwille van blijvende lumboischialgie klachten rechts met secundair myofasciale pijnen wordt hij gevolgd. Gezien falen medicamenteuze aanpak werd in juni 2004 een intrathecale pijnpomp geplaatst met gunstig resultaat. Patiënt werd sindsdien op regelmatige basis terug gezien via de raadpleging. Gezien de nu reeds geruime tijd stabilisatie van problematiek met behoorlijke analgesie en algemene tevredenheid van patiënt qua analgesie en functionaliteit IX-4867-3/7 kunnen wij de wens van de patiënt om zijn werkzaamheden te hervatten ondersteunen. Wij zien geen directe contra-indicatie voor hernemen professionele activiteiten”. 1.
- Op 23 februari 2004 onderzoekt de MCBGR, “oordelend in tweede aanleg, bij toepassing van het koninklijk besluit van 5 oktober 1959, op het beroep ingesteld door belanghebbende tegen de beslissing genomen op 21 oktober 2004 door de Militaire Commissie voor Geschiktheid en Reform”, het geval van verzoeker. Het proces-verbaal van de zitting van 23 februari 2005 vermeldt wat volgt : “DE COMMISSIE na inzage van het dossier en na verschijnen van belang- hebbende, rekening houdend met de keuringscriteriatabel van het koninklijk besluit van 11 maart 2003, BEVESTIGT, de in eerste aanleg getroffen beslissing, BESLIST dat hij/zij DEFINITIEF ONGESCHIKT is voor de dienst, in toepassing van Art. 117 Par. 2 van de wet van 14 februari
- Het verlies van de graad van zelfredzaamheid, volgens het M.B. van 30 juli 1987, werd vastgesteld op MINDER DAN 12 punten. Belanghebbende heeft GEEN RECHT op het forfaitair pensioensupplement volgens Art. 134 van de wet van 26 juni
- KEURINGSCRITERIA : 1213 MOTIVERING : Blijvende lage rugpijn met sterk beperkte mobiliteit ten gevolge van arthrodese en definitieve intrathecale morfine infusiepomp”. Die beslissing, waarvan verzoeker kennis neemt op 2 maart 2005, maakt het voorwerp uit van het onderhavige beroep tot nietigverklaring. 1.
- Op 19 april 2005 stuurt de Algemene Directie Human Resources het pensioneringsdossier van verzoeker naar de minister van Pensioenen. 2.
- Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat hij de door de MCBGR vermelde motivering niet afdoende vindt om reden dat zij alleen maar de “even beperkte motivering van de beslissing van de (MCGR)” overneemt, terwijl hij tegen dat besluit hoger beroep had aangetekend -waarbij hij de aandacht vestigde op het verslag van het pijncentrum van het UZ-Leuven waarin geen contra- indicaties voor een werkhervatting waren vermeld- en het bestreden besluit op deze gegevens niet antwoordt; IX-4867-4/7 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen betreffende de vordering tot schorsing van het bestreden besluit opmerkt dat de MCGR gemotiveerd heeft waarom verzoeker definitief ongeschikt was voor de dienst, dat verzoeker in zijn beroepschrift de desbetreffende argumen- tatie niet weerlegd heeft, dat zijn argumenten trouwens niet dienend zijn en dat de MCBGR zich bijgevolg heeft kunnen beperken tot de overname van de motieven van de MCGR; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker ongeschikt verklaard is op grond van het keuringscriterium 1213 van de tabel A bij het koninklijk besluit van 11 maart 2003; dat blijkens de “aanvullende medische verklaringen en richtlijnen aangaande de beoordeling (...) van de vaststellingen gedaan bij een medisch onderzoek van de militair tijdens zijn loopbaan” -kolom 6 van de tabel- de vaststelling van de aandoening tot de “definitieve ongeschiktheid” leidt -aandoeningen die een cijfer 1 krijgen- dan wel, wanneer zij het cijfer 2 hebben gekregen, een “nadere beoordeling” moeten krijgen in functie van een aantal beoordelingscriteria, waaronder “de professionele mogelijkheden van de betrokken militair” -criterium ‘b’-, de “mogelijkheid om de betrokken militair een aangepast ambt te geven” -criterium ‘d’- en de “eventuele aanpassingsmogelijkheden ten gevolge van een behandeling (...) of een ander hulpmiddel” -criterium ‘e’-; 2.3.
- Overwegende dat voor de aandoening 1213 in kolom 6 het cijfer 2 vermeld is; dat de MCBGR derhalve niet automatisch de definitieve ongeschiktheid van verzoeker mocht koppelen aan de vaststelling van de aandoening van verzoeker, maar dat zij zijn ongeschiktheid moest beoordelen met inachtneming van de passende beoordelingscriteria vermeld in het koninklijk besluit van 11 maart 2003; dat verzoeker in zijn beroepschrift erop had gewezen -en dit gestaafd had met een geneeskundig attest- dat zijn situatie sinds het plaatsen van een pijnpomp gestabiliseerd was en dat er geen contra-indicatie meer bestond voor het hervatten van zijn professionele activiteit; dat, in weerwil van wat de verwerende partij betoogt en gelet op de afweging die de commissie moest maken, de argumentatie en de bewijsvoering van verzoeker wel degelijk pertinent waren voor de beoordeling die de MCBGR diende te maken; 2.3.
- Overwegende dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de MCBGR de zaak van verzoeker onderzocht heeft met inachtneming van de regels vermeld in het koninklijk besluit van 11 maart 2003; dat met name niet blijkt dat bij de beoordeling van de definitieve ongeschiktheid van verzoeker de beoordelings- IX-4867-5/7 criteria van kolom 6 van bijlage A bij dat koninklijk besluit betrokken zijn, terwijl nochtans verzoeker in zijn beroepschrift precies daar was op ingegaan; dat, betrokken op het aangevoerde middel, verzoeker terecht stelt dat het bestreden besluit geen blijk geeft van enige reden waarom, ondanks zijn onderbouwd betoog ten overstaan van de MCBGR, deze commissie er toch toe is kunnen komen dezelfde beslissing te treffen als de MCGR; dat het middel kennelijk gegrond is;
- Overwegende dat de vernietiging van de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de door verzoeker ingediende vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geen voorwerp meer heeft, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 23 februari 2005 van de Militaire Commissie van Beroep voor Geschiktheid en Reform, waarbij werd geoordeeld dat Herman VANHUMBEECK definitief ongeschikt is voor de dienst. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-4867-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf september 2000 en vijf, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4867-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.577 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.