← België

Arrest 148578 - - 05/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.578 Rolnummer: A. 161996/IX-4869 Zaak: Arrest 148578 - - 05/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-08 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 23:24 Fiche Arrest nr 148.578 van 5 september 2005 - Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.578 van 5 september 2005 in de zaak A. 161.996/IX-

  1. In zake : de BVBA V.D.K. PRODUCTION, die woonplaats kiest bij advocaat I. DEPRAETERE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Tavernierkaai 2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA V.D.K. PRODUCTION op 25 april 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 23 februari 2005 van de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen van het Bestuur Sociale Zekerheid van de Zelfstandigen in de mate haar aanvraag om ontheffing van hoofdelijke aansprakelijkheid te verkrijgen voor de betaling van de sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd door Kris SACRÉ wordt geweigerd; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van dezelfde beslissing; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring en over de vordering tot schorsing opgemaakt door eerste auditeur J. STEVENS, op grond van artikel 94 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gelet op de beschikkingen van 24 mei 2005, houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 juni 2005; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-4869-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. DEPRAETERE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van adjunct-adviseur P. BOSMAN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. STEVENS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat verzoekster met een op 5 oktober 2004 bij de verwerende partij geregistreerde aanvraag de opheffing heeft gevraagd van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de betaling van voorlopige bijdragen en regularisatiebijdragen die Kris SACRÉ voor de jaren 2001, 2002 en 2003 verschuldigd was in het kader van het sociaal statuut van de zelfstandigen; dat de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen op 23 februari 2005 besloten heeft de aangevraagde ontheffing te verlenen voor de driemaandelijkse regularisatiebijdragen voor het eerste kwartaal van de jaren 2001 en 2002, terwijl de ontheffing geweigerd wordt voor de “driemaandelijkse voorlopige bijdragen” voor het jaar 2003 en voor de “driemaandelijkse regularisatiebijdragen” voor het tweede tot het vierde kwartaal van de jaren 2001 en 2002; dat het besluit als volgt gemotiveerd is : “Beslissingsnr : 046222.053.90 N 01 Inzake : V.D.K. PRODUCTION SACRÉ KRIS (...) DE COMMISSIE VOOR VRIJSTELLING VAN BIJDRAGEN Gelet op het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, inzonderheid op de artikelen 15, 17 en 22; Gelet op het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, inzonderheid op de artikelen 80 tot 94bis; Gelet op artikel 15, § 1, derde, vierde en vijfde lid, van voornoemd koninklijk besluit nr. 38, luidend als volgt : «De zelfstandige is, samen met de helper, hoofdelijk gehouden tot de betaling van de door deze laatste verschuldigde bijdragen. Hetzelfde geldt voor de rechtspersonen voor de bijdragen verschuldigd door hun vennoten of mandatarissen. Wanneer de echtgenoot-helper is onderworpen in de plaats van zijn echtgenote, is deze laatste hoofdelijk gehouden tot betaling van de bijdragen welke haar man verschuldigd is. IX-4869-2/7 In de gevallen voorzien in de twee voorgaande alinea’s kunnen de bijdragen gevorderd worden van de hoofdelijk aansprakelijke personen, zelfs indien de onderworpene vrijstelling heeft bekomen bij beslissing van de Commissie bedoeld in artikel 22.»; Gelet op artikel 17, eerste lid, van voornoemd koninklijk besluit nr. 38, luidend als volgt : «De zelfstandigen die zich in staat van behoefte bevinden of in een toestand die de staat van behoefte benadert, kunnen volledige of gedeeltelijke vrijstelling aanvragen van de verschuldigde bijdragen door zich te wenden tot de in artikel 22 voorziene Commissie.»; Gelet op artikel 17, tweede lid, van voornoemd koninklijk besluit nr. 38, luidend als volgt : «De personen hoofdelijk aansprakelijk krachtens artikel 15, § 1, kunnen, onder dezelfde voorwaarden, vragen van deze aansprakelijkheid geheel of gedeeltelijk te worden ontheven.»; Gelet op artikel 88, § 1 van voornoemd koninklijk besluit van 19 december 1967, luidend als volgt : «De onderworpenen die een vrijstelling wensen te bekomen en de personen bedoeld in artikel 17, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 38, die van hun solidaire verantwoordelijkheid wensen ontheven te worden, moeten een aanvraag indienen (...).»; Gelet op artikel 88, § 3 van voornoemd koninklijk besluit van 19 december 1967, luidend als volgt : «Opdat de aanvraag van een persoon bedoeld in artikel 17, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 38 ontvankelijk zou zijn, moet zij worden ingediend op de wijze bepaald in § 2, 1-, van dit artikel, binnen twaalf maanden volgend op het kalenderkwartaal in de loop waarvan het sociaal verzekeringsfonds hem verzocht heeft te betalen in de plaats van de onderworpene.»; Gelet op artikel 88, § 4 van voornoemd koninklijk besluit van 19 december 1967, luidend als volgt : «Zo de in § 2 of § 3 bedoelde persoon overleden is in de periode gedurende welke de termijn loopt om, naar gelang van het geval, een aanvraag tot vrijstelling of tot ontheffing van hoofdelijke aansprakelijkheid in te dienen, moet de aanvraag van zijn of haar rechthebbenden, om ontvankelijk te zijn, binnen de zes maanden die volgen op het kalenderkwartaal in de loop waarvan zij werden verzocht te betalen in de plaats van de verzekeringsplichtige ingediend worden op de wijze voorzien in § 2, 1 - van dit artikel.»; Gelet op artikel 90, § 2, tweede lid, van voornoemd koninklijk besluit van 19 december 1967 luidend als volgt : «De aanwezigheid ter zitting van de aanvrager is niet vereist. Indien hij hiertoe de wens uitdrukt, kan hij persoonlijk verschijnen of zich laten vertegen- woordigen of bijstaan hetzij door een advokaat, drager in voorkomend geval van stukken, hetzij door iedere andere persoon voorzien van een geschreven volmacht en voor ieder geval aanvaard door de voorzitter.»; Overwegende dat uit de gegevens betreffende de balansen en rekeningen van de vennootschap tijdens de jaren 2004, kan worden afgeleid dat genoemde vennootschap momenteel niet te verwaarlozen financiële moeilijkheden ondervindt; Overwegende dat enkele elementen in het dossier aanwezig zijn die de huidige toestand van genoemde vennootschap, die de staat van behoefte benadert, aantonen; Gelet op de aanvraag om ontheffing van hoofdelijke aansprakelijkheid ingediend op 28/09/2004 en geregistreerd op 05/10/2004; Overwegende dat deze aanvraag om ontheffing van hoofdelijke aan- sprakelijkheid op de volgende driemaandelijkse voorlopige bijdragen betrekking heeft : van 1/2003 t.e.m. 4/2003; IX-4869-3/7 Overwegende dat deze aanvraag om ontheffing van hoofdelijke aan- sprakelijkheid op de volgende driemaandelijkse regularisatiebijdragen betrekking heeft : van 1/2001 t.e.m. 4/2002; Overwegende dat de afrekening m.b.t. de regularisatiebijdragen verstuurd werd op / / voor de periode van 1/2001 t.e.m. 4/2001 - op / / voor de periode van 1/2002 t.e.m. 4/2002; Gelet op de andere stukken van het dossier; Overwegende dat de aanvraag aan de in voornoemd artikel 88, § 3 gestelde voorwaarde voldoet voor de volgende driemaandelijkse voorlopige bijdragen : van 1/2003 t.e.m. 4/2003; Overwegende dat de aanvraag aan de in voornoemd artikel 88, § 3 gestelde voorwaarde voldoet voor de volgende driemaandelijkse regularisatiebijdragen : van 1/2001 t.e.m. 4/2002; Gehoord betrokkene in zijn uiteenzetting; BESLIST : Ontheffing van hoofdelijke aansprakelijkheid wordt verleend voor de volgende driemaandelijkse regularisatiebijdragen : 1/2001 en 1/
  3. Ontheffing van hoofdelijke aansprakelijkheid wordt geweigerd voor de volgende driemaandelijkse voorlopige bijdragen : van 1/2003 t.e.m. 4/
  4. Ontheffing van hoofdelijke aansprakelijkheid wordt geweigerd voor de volgende driemaandelijkse regularisatiebijdragen : van 2/2001 t.e.m. 4/2001 - van 2/2002 t.e.m. 4/2002.” Overwegende dat dit besluit, dat het voorwerp vormt van het onderhavige beroep in de mate dat het de aanvraag van verzoekster niet inwilligt, met een op 24 februari 2005 aangetekend verzonden brief ter kennis van verzoekster gebracht is; 2.
  5. Overwegende dat verzoekster in het eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het motiveringsbeginsel, dat het bestreden besluit de motieven waarop het steunt “slechts in heel algemene termen samenvat en weergeeft, zonder in concreto en individueel deze motieven te onderzoeken, te bespreken en eventueel te weerleggen”; dat zij betoogt dat het bestreden besluit vermeldt dat uit haar balansen en rekeningen voor 2004 afgeleid kan worden dat de vennootschap “niet te verwaarlozen moeilijkheden ondervindt” en dat “enkele elementen in het dossier (...) de huidige toestand (...) die de staat van behoefte benadert, aantonen” maar dat op geen enkele wijze gemotiveerd wordt waarom slechts een ontheffing wordt verleend voor twee van de twaalf aangevraagde kwartalen; 2.
  6. Overwegende dat de verwerende partij ter terechtzitting betoogt dat in de huidige stand van de procedure het middel zeker niet kennelijk gegrond is, IX-4869-4/7 aangezien het besluit aanneemt dat de toestand van verzoekster de staat van behoefte benadert en dat zulks de gedeeltelijke vrijstelling verklaart; 2.3.
  7. Overwegende dat de beslissingen van de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen onder toepassing vallen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat bijgevolg de bestreden beslissing de juridische en de feitelijke overwegingen moet bevatten die aan het besluit ten grondslag liggen en dat zij afdoende moeten zijn, in die zin dat zij de betrokkene in staat moeten stellen om de beweegredenen die het bestuur in zijn concreet geval in aanmerking genomen heeft, te begrijpen; 2.3.2.
  8. Overwegende dat het bestreden besluit de ontheffing van hoofdelijke aansprakelijkheid verleent voor de driemaandelijkse regularisatiebijdragen voor het eerste trimester van 2001 en 2002, maar die ontheffing weigert voor de volgende kwartalen van de jaren 2001 en 2002 evenals voor de voorlopige bijdragen voor het gehele jaar 2003; dat het besluit evenwel geen enkele uitleg verschaft over de reden waarom slechts gedeeltelijk op de aanvraag wordt ingegaan, terwijl nochtans eerst aangenomen was dat de vennootschap “momenteel niet te verwaarlo- zen financiële moeilijkheden ondervindt” en terwijl er ook wordt bevestigd dat de aanvraag voldeed aan de ontvankelijkheidsvoorwaarde gesteld door artikel 88, § 3, van het koninklijk besluit van 19 december 1967; dat de verwijzing naar “de andere stukken van het dossier” en naar “de uiteenzetting (van de betrokkene)” vanzelfspre- kend de weigeringsbeslissing niet verantwoorden; dat ook de uiteenzetting van de verwerende partij ter terechtzitting dat manifest vormgebrek niet kan goedmaken; 2.3.2.
  9. Overwegende bovendien dat, aangenomen dat de slechts gedeeltelijke vrijstelling vanuit formeel oogpunt gemotiveerd zou kunnen worden door de vaststelling dat de toestand van verzoekster “de staat van behoefte benadert” -in welk geval dan aangenomen zou worden dat de commissie op dat vlak een gebonden bevoegdheid heeft- dat motief in rechte niet deugdelijk is, aangezien artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen voorziet in de “volledige of gedeeltelijke” vrijstelling van de bijdragen of ontheffing van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor “de zelfstandigen, die menen dat zij zich in staat van behoefte bevinden of in een toestand die de staat van behoefte benadert”; dat die bepaling de gehele vrijstelling of ontheffing niet koppelt aan een bewezen staat van behoefte en de gedeeltelijke vrijstelling of ontheffing reserveert voor een toestand die de staat van behoefte IX-4869-5/7 benadert, maar dat zij aan de Commissie de discretionaire bevoegdheid verleent om in ieder geval afzonderlijk en rekening houdend met de gegevens van het dossier, uit te maken of hetzij de staat van behoefte hetzij de toestand die deze staat benadert een gehele dan wel een gedeeltelijke vrijstelling of ontheffing verantwoordt; dat in die zin de verwijzing naar de benaderde toestand van behoefte de weigering niet verant- woordt; Overwegende dat het middel kennelijk gegrond is;
  10. Overwegende dat, aangezien het annulatieberoep gegrond is, de vordering tot schorsing geen voorwerp meer heeft, BESLUIT: Artikel
  11. Vernietigd wordt de beslissing van 23 februari 2005 van de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen van het Bestuur Sociale Zekerheid van Zelfstandigen in de mate de aanvraag van de BVBA V.D.K. PRODUCTION om ontheffing van hoofdelijke aansprakelijkheid te verkrijgen voor de betaling van de sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd door Kris SACRÉ wordt geweigerd. Artikel
  12. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  13. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf september 2000 en vijf, door : IX-4869-6/7 de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4869-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.578 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.