id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.579 Rolnummer: A. 151528/IX-4523 Zaak: Arrest 148579 - - 05/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-08 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 23:24 Fiche Arrest nr 148.579 van 5 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.579 van 5 september 2005 in de zaak A. 151.528/IX-4523. In zake : Kristof MOENAERT, die woonplaats kiest bij advocaat F. GEORGE, kantoor houdende te VEURNE, Zuidstraat 39/8 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Kristof MOENAERT op 6 mei 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 4 maart 2004 van de buitendienst Antwerpen van het bestuur Landbouwproductiebeheer van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap waarbij zijn producent- en zijn productie-eenheidsnummer worden ingetrokken; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 8 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 juni 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-4523-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. DEPRAETERE die, loco advocaat F. GEORGE verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat Y. VASTERSAVENDTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat verzoeker, naar aanleiding van de overname van de landbouwonderneming van zijn vader, van de verwerende partij een productie- en een productie-eenheidsnummer gekregen heeft; dat met het bestreden besluit die erkenning wordt ingetrokken om reden dat hij “geen producent (
- is)die op autonome wijze voor eigen profijt en gebruik een bedrijf beheert” en dat er hem wordt medegedeeld dat derhalve zijn “oppervlakteaangifte 2003 zonder gevolg geklasseerd wordt”; 2. Overwegende dat de verwerende partij aanvoert dat de vordering, omdat zij gericht is tegen een bevestigende beslissing, laattijdig ingesteld is en dat, aangezien zij betrekking heeft op het recht op steun voor akkerbouwgewassen, zij als een geschil over een burgerlijk recht tot de bevoegdheid van de gewone rechtbanken behoort; dat, aangezien de vordering verworpen wordt omdat niet voldaan is aan een van de grondvoorwaarden waaronder de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging kan bevelen, die ontvankelijkheidsexcepties buiten het onderzoek worden gehouden; 3. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoör- dineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoer- legging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1. Overwegende dat het enige rechtsmiddel dat uit het betoog van verzoeker kan worden afgeleid neerkomt op de schending van de formele motive- ringsverplichting, doordat hij “het raden heeft over welke producent het moet gaan” IX-4523-2/4 en doordat het bestreden besluit ook niet uitlegt “wat dient verstaan te worden (onder) ‘op autonome wijze’ een bedrijf uitbaten”, noch wat “een producent” is en wat “het beheren van een bedrijf” inhoudt, zodat hij zich ter zake niet kan verdedi- gen; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen verwijst naar de in het bestreden besluit opgenomen vermelding dat verzoeker geen producent is die op een autonome wijze voor eigen profijt en gebruik een bedrijf beheert; dat volgens haar die vermelding een afdoende motivering vormt; dat zij daar aan toevoegt dat, mocht aangenomen worden dat deze motivering niet volstaat, verzoeker in ieder geval de redenen waarom het bestreden besluit getroffen is kende, gelet op de feitelijke situatie waarin hij zich met betrekking tot het landbouwbedrijf bevindt; 3.3.1. Overwegende dat het bestreden besluit uitdrukkelijk stelt : “U bent geen producent die op autonome wijze voor eigen profijt en gebruik een bedrijf beheert”; dat verzoeker met die eenvoudige mededeling over onvoldoende gegevens beschikt om uit te maken waarom het bestuur in zijn concreet geval van oordeel is dat hij niet op autonome wijze voor eigen profijt een bedrijf beheert; dat aldus, strikt genomen, de wet op de formele motiveringsverplichting niet nageleefd is; 3.3.2. Overwegende evenwel dat verzoeker niet betwist dat de verwerende partij hem op 1 maart 2004 het controlerapport van 27 februari 2004 heeft overgemaakt, waarin uitdrukkelijk vastgesteld wordt dat de regels van het autonoom beheer niet worden gerespecteerd om reden dat “Kristof Moenaert (...) niet het exclusief gebruik van de productiemiddelen (heeft)” en waarin ook de brief van 28 maart 2003 in herinnering gebracht wordt waarbij de buitendienst West- Vlaanderen van het bestuur Landbouwproductiebeheer de toekenning van een nieuw producentnummer -gesteund op de overname van het bedrijf van Hubert MOENAERT- weigerde om reden dat laatstgenoemde “zich een gedeelte van de winst (van de uitbating) toeëigent” en er dus geen sprake is van het leiden van een bedrijf tot eigen voordeel en voor eigen rekening; dat met die mededeling verzoeker ondubbelzinnig vernomen heeft hoe het bestuur zijn situatie beoordeelde, zodat, wanneer hij dan enkele dagen later het bestreden besluit ontvangt, er voor hem geen enkele onduidelijkheid meer kon bestaan over de vraag waarom het bestuur hem niet als een autonoom producent beschouwde; dat, aangezien verzoeker aldus onmiskenbaar kennis had van de redenen waarom het bestuur zijn erkenning introk IX-4523-3/4 -wat overigens bevestiging vindt in het feit dat Hubert MOENAERT met een brief van 10 maart 2004 aan het bestuur Landbouwproductiebeheer inhoudelijk weerwerk geboden heeft tegen de vaststelling dat verzoeker niet autonoom het landbouwbedrijf zou exploiteren-, hij er geen belang bij heeft aan te voeren dat die redenen niet formeel in het bestreden besluit opgenomen zijn; 3.4. Overwegende dat, op het eerste gezicht, verzoeker geen middel aanvoert dat tot de vernietiging van het bestreden besluit kan leiden, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf september 2000 en vijf, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4523-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.579 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.363 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div