id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.581 Rolnummer: A. 165468/IX-5011 Zaak: Arrest 148581 - - 05/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-08 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 23:25 Fiche Arrest nr 148.581 van 5 september 2005 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.581 van 5 september 2005 in de zaak A. 165.468/IX-
- In zake : Willy VANGILBERGEN, die woonplaats kiest bij advocaat M. SPAAS, kantoor houdende te HASSELT, Sepulkrijnenlaan 75 tegen : de burgemeester van de stad SINT-TRUIDEN, die woonplaats kiest bij advocaat C. LEMACHE, kantoor houdende te SINT-TRUIDEN, Tongersesteenweg
- verzoekster in tussenkomst : de VZW DIERENBESCHERMING LIMBURG, die woonplaats kiest bij advocaat B. VANMECHELEN, kantoor houdende te SINT-TRUIDEN Beekstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Willy VANGILBERGEN op 27 augustus 2005 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit genomen op 18 augustus 2005 door de burgemeester van de stad Sint-Truiden, houdende opleggen van een verbod aan de verzoekster in tussenkomst om “de op 15/7/05 in beslag genomen dieren terug te geven aan Willy Van Gilbergen of elke andere persoon of derde, dit in afwachting van een definitieve uitspraak in een procedure ten gronde”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 29 augustus 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 1 september 2005, om 14.30 uur; IX-5011-1/6 Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. SPAAS, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat C. LEMACHE, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat B. VANMECHELEN, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de VZW DIERENBESCHERMING LIMBURG met een ter terechtzitting ingediend verzoekschrift vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat op 15 juli 2005 door Katrien PATTIJN, inspecteur-dierenarts bij het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen een bewarend beslag bij administratieve maatregel werd gelegd op een aantal dieren die waren aangetroffen op het erf van verzoeker, waarvan er een aantal werden toevertrouwd aan het Dierenasiel te Sint-Truiden, toebehorende aan de tussenkomende partij; dat blijkens een “nota” van 10 augustus 2005 ondertekend door Dr. H. Decraemere, inspecteur-dierenarts, coördinator Vlaanderen van het Directoraat-generaal Dier, Plant en voeding van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, gezonden naar het voormelde dierenasiel, een aantal dieren, te weten 9 + 3 honden en 4 poezen teruggegeven dienden worden aan verzoeker, respectievelijk zijn dochter; dat de huidige tussen- komende partij op 18 augustus 2005 tegen die beslissing bij de raad van State een verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft ingesteld; dat de burgemeester van de stad Sint-Truiden op dezelfde datum het besluit dat voorwerp is van de onderhavige vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft genomen; dat blijkens een “nota aan het Dierenasiel te Sint-Truiden”, gedateerd 25 augustus 2005, de beslissing van 10 augustus 2005 werd ingetrokken; dat dienvolgens de Raad van State, vaststellende dat de ertegen ingestelde vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid daardoor doelloos was geworden, ze bij arrest nr. 148.410, van 29 augustus 2005 heeft verworpen; IX-5011-2/6 Overwegende dat luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat verzoeker aangaande het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat hij meent te zullen ondergaan en de uiterst dringende nood- zakelijkheid het volgende uiteenzet : “IV. MOEILIJK TE HERSTELLEN NADEEL Dat door het opheffen van het tijdelijk bewarend beslag door de FOD verzoeker wettelijk recht heeft om terug in het bezit gesteld te worden van zijn dieren. Dat, zoals hoger reeds uiteengezet, zo de beslissing dd. 18.08.2005 van verweerder gehandhaafd blijft, verzoeker mogelijkerwijze nooit meer zijn dieren terug zal zien, gelet op het feit dat deze door ouderdom overleden zullen zijn. Dat het tevens in het belang van de dieren is dat zij zo snel als mogelijk terug naar verzoeker komen en dit om het risico op vervreemding zoveel als mogelijk te beperken. Dat er enkele zeer jonge honden tussenzitten, waarvoor het voor hun latere ontwikkeling belangrijk is contact te hebben met hun baasje, in casu verzoeker. V. UITERST DRINGENDE NOODZAKELIJKHEID. Dat zoals hoger reeds uiteengezet het tijdelijk bewarend beslag is komen te vervallen, en wettelijk gezien de in beslag genomen dieren terug naar verzoeker dienen te gaan. Dat deze teruggave enkel en alleen tegengehouden wordt door het door verweerder aan het asiel opgelegde verbod om de honden en katten terug te geven aan verzoeker. Dat het voor zich spreekt dat er zo snel als mogelijk een einde dient te komen aan deze situatie, reden waarom thans de schorsing van de bevolen maatregel gevorderd wordt.”; Overwegende dat de vraag rijst of een eventuele schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor gevolg heeft dat de in de beslissing van 10 augustus 2005 van inspecteur-dierenarts Decraemere opgesomde dieren aan verzoeker teruggegeven zullen worden; dat die beslissing immers is ingetrokken en het bewarend beslag erop gehandhaafd blijft; dat verzoeker stelt dat overeenkomstig artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen, het bewarend beslag -van rechtswege- wordt opgeheven bij het verstrijken van de termijn en dat die termijn blijkens het ministerieel besluit van 18 december 2002 IX-5011-3/6 dertig dagen bedraagt, zodat hij thans is verstreken en zodoende het beslag is vervallen, en dat thans enkel het bij deze bestreden besluit de teruggave verhindert; Overwegende dat een tegenstrijdigheid moet worden vastgesteld tussen de thans ingetrokken beslissing van 10 augustus 2005, welke genomen is in toepassing van artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren en de beslissing van inbeslagname van 15 juli 2005; dat luidens § 5 van voormeld artikel 42 dat artikel niet van toepassing is op de controles die zijn verricht met toepassing van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen; dat de beslissing tot inbeslagname van 15 juli 2005 evenwel precies verwijst naar artikel 6 van dat koninklijk besluit van 22 februari 2001, waarvan de eerste paragraaf luidt als volgt : “Art.
- §
- De met toepassing van artikel 3, § 1, van dit besluit aangewezen personen kunnen, bij administratieve maatregel, de producten waarvan ze vermoeden dat ze niet conform de bepalingen zijn van de wet die ze regelt of van haar uitvoeringsbesluiten of conform de verordeningen van de Europese Unie onder bewarend beslag plaatsen, om ze binnen een door de Minister bepaalde termijn te onderwerpen aan een onderzoek of een analyse overeenkomstig artikel 3, § 5, van dit besluit. Het bewarend beslag wordt opgeheven op bevel van de persoon die het heeft opgelegd, bij het verstrijken van de termijn of bij het definitief beslag.”; Dat de termijn voor onderzoek of analyse in artikel 1 van het ministerieel besluit van 18 december 2002 bepaald is op dertig dagen; Overwegende dat hoewel het bevreemdend lijkt dat een regeling welke in de eerste plaats bedoeld is om in het kader van de voedselveiligheid verdacht uitziende “producten” voorlopig in beslag te nemen met het oog op analyse en onderzoek, aangewend wordt bij een inbeslagname welke duidelijk steunt op een - strafrechtelijke- betichting van dierenverwaarlozing, en daargelaten de vraag of, zoals verzoeker beweert, de in beslag genomen “producten” -in deze niet voor menselijke consumptie bestemde honden en katten- teruggeven moeten worden wanneer de termijn voor analyse of onderzoek verstreken is, de door verzoeker aangevoerde redenen niet volstaan om een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te wettigen; Overwegende, immers, dat het door verzoeker aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel, zelfs als het wordt aangenomen, niet van die aard IX-5011-4/6 is dat het niet door een gewone schorsing volgens de normale procedure zou kunnen worden ondervangen; dat verzoeker overigens geen enkel concreet gegeven aanbrengt nopens de uiterst dringende noodzakelijkheid; dat hij zich ertoe beperkt aan te voeren dat “zo snel als mogelijk een einde dient te komen aan deze situatie”; dat overigens de toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State ernstig verstoort, de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt - wat ter zake geïllustreerd wordt door de hiervoor vastgestelde tegenstrijd nopens de gevolgde beslagprocedure waarop in het kader van een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet kan worden ingegaan - en de uitoefening van de rechten van de verdediging van de verwerende partij en van de tussenkomende partij aanzienlijk belemmert; dat dienvolgens de aanwending van die procedure zeer uitzonderlijk moet blijven; dat de uitzonderlijke omstandigheden welke ze rechtvaardigen hier niet zijn aangetoond, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de VZW DIERENBESCHER- MING LIMBURG in het administratief kort geding bij uiterst dringende nood- zakelijkheid worden ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf september tweeduizend en vijf, door : IX-5011-5/6 de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-5011-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.581 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.