id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.582 Rolnummer: A. 165639/XIV-30494 Zaak: Arrest 148582 - - 05/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-09 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 23:25 Fiche Arrest nr 148.582 van 5 september 2005 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.582 van 5 september 2005 in de zaak A. 165.639/XIV-23.
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat L. DENYS, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE WND VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Kazakse nationaliteit, op 30 augustus 2005 per fax hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 1 augustus 2005 “waarbij wordt meegedeeld dat de weigeringsbe- slissing van 13 januari 2005 van hun regularisatieverzoek behouden blijft, alsook van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde, genomen op 30 augustus 2005, dat daarvan een gevolg is”; Gelet op de beschikking van 1 september 2005 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 1 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 september 2005; XIV-23.460-1/10 Gehoord het verslag van Staatsraad, E. BREWAEYS ; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. VAN CUTSEM die, loco advocaat L. DENYS verschijnt voor de verzoekende partijen en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feitelijke gegevens Overwegende dat verzoekers, nadat hun verblijf door de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 22 maart 2001 was geweigerd, op 10 juni 2002 een aanvraag indienden om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat zij deze aanvraag als volgt staafden : “Hierbij dienen wij, ondergetekenden, XXX, geboren te Almaty op 4.1.1942 en mijn echtgenote, XXX, geboren te Atiraou op 10.1.1947, en XXX, geboren te Almaty op 2.8.1969 en mijn echtgenote mevrouw A. A., geboren te Almaty op 4.2.1963, allen van Kazachse nationaliteit, en samenwonend te 8800 Roeselare, Karnemelkstraat 40, een aanvraag om machtiging tot verblijf in op grond van artikel 9, 3de lid van de Vreemdelingenwet. Deze aanvraag betreft ook onze (klein)kinderen D. S., geboren op 27.03.1990 te Almaty, A. A., geboren op 15.09.1996 te Almaty, M. A., geboren op
- 6.1998 te Almaty. Wij zijn samen in België toegekomen op 1 april 2000 en vroegen op 3 april 2000 asiel aan bij de Dienst Vreemdelingenzaken. Onze asielaanvraag werd onontvankelijk verklaard door de Dienst Vreemdelingenza- ken. Deze beslissing van weigering van verblijf werd een eerste maal bevestigd door de Commissaris-generaal in een beslissing van 22 maart 2001, die daarna ingetrokken werd tengevolge van het indienen van een verzoekschrift bij de Raad van State. Op 4 juli 2001 nam de Commissaris-generaal nochtans opnieuw een bevestigende beslissing van weigering van verblijf ten opzichte van ons. Wij dienden een verzoek- schrift tot schorsing en tot nietigverklaring in tegen deze beslissingen die nog steeds hangende zijn (zie stuk l). Wij dienen deze aanvraag in bij uw ambt en niet bij de consulaire post van België in ons land van herkomst, omdat er bijzondere omstandigheden zijn die een terugkeer naar Kazachstan om daar een aanvraag in te dienen onmogelijk of in ieder geval bijzonder moeilijk maken. Inderdaad, onze (klein)dochter D. S. heeft ernstige fysische en psychische problemen. Zij werd in juni 2000 in België behandeld omwille van hydrosefalie (zie stuk 3) en heeft nog steeds een gespecialiseerde begeleiding nodig in een aangepaste inrichting. Bijgevolg wordt zij hier nog heel regelmatig gevolgd door de huisdokter en door de neurochirurg. Een dergelijke behandeling is in Kazachstan niet beschikbaar. XIV-23.460-2/10 Indien wij zouden moeten terugkeren naar ons land van herkomst om daar een aanvraag in te dienen en te wachten op een antwoord, zou onze (klein)dochter al deze maanden niet meer behandeld kunnen worden en zou dit fatale gevolgen kunnen hebben voor haar leven. Dokter Dupont bevestigt dat verdere technisch-medische follow up in België levensbelangrijk is (stuk 2). Gezien de medische toestand van Dinara, is het voor haar noodzakelijk om school te lopen in een gespecialiseerde onderwijsinstelling. Zij gaat naar school in het Instituut Sterrebos Rumbeke waar zij ook op internaat is. Zij wordt daar medisch en psycholo- gisch gevolgd. Indien wij zouden moeten terugkeren naar Kazachstan om een aanvraag in te dienen, zou zij niet op dergelijke wijze kunnen gevolgd worden daar gespecialiseerde onderwijsinstellingen in Kazachstan niet bestaan en zou zij bijgevolg een schooljaar verliezen (stuk 8 en 10). Bovendien gaan onze twee andere (klein)kinderen M. en A. naar school in de vrije basisschool van Roeselare en dit sedert 1 oktober
- Zij volgen er dagelijks en regelmatig de lessen. Wij wensen uw aandacht te vestigen op het feit dat de Raad van State geoordeeld heeft dat de verplichting om een schooljaar, ook voor de kleuterklas, stop te zetten een buitengewone omstandigheid uitmaakt in de zin van artikel 9,
- (zie stuk 11). Voorheen gingen zij naar school in de Vrije Basisschool te Izegem. Indien wij zouden moeten terugkeren naar Kazachstan om een aanvraag in te dienen, zouden zij een schooljaar verliezen. Dit moet beschouwd worden als een buitengewone omstandigheid. Bovendien lijdt de heer XXX ook aan ernstige medische problemen die voor het ogenblik verzorgd worden in België en met name in het Heilig Hart Ziekenhuis van Roeselare. Hij werd al verschillende keren opgenomen wegens longproblemen en moet nog steeds heel regelmatig gevolgd worden. De behandelende specialist besluit dat hij een levenslange astmabehandeling moet volgen. Dergelijke behandelingen zijn niet op een adequate manier toegankelijk in Kazachstan. Bijgevolg is het ook voor de heer XXX noodzakelijk om in België te blijven om verzorgd te worden en, indien wij zouden moeten terugkeren naar ons land van herkomst om een aanvraag in te dienen, zou hij niet meer gevolgd kunnen worden en zou dit ernstige gevolgen kunnen hebben voor zijn gezondheid en zijn leven. Tenslotte moet nog opgemerkt worden dat wij nog steeds een procedure hangende hebben bij de Raad van State tegen de bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal en wij deze procedure wensen te volgen. Indien wij zouden moeten terugkeren naar ons land van herkomst om een aanvraag in te dienen, zouden wij de procedure niet meer kunnen volgen en zou deze bovendien zonder belang worden daar de Raad uit onze vrijwillige terugkeer zal afleiden dat wij zelf menen dat wij geen ernstige vluchtmotieven hebben, en dus niet nuttig de bestreden beslissingen kunnen aanvech- ten. Omwille van al deze verschillende redenen, die moeten worden begrepen als buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 9, 3, dienen wij deze aanvraag in bij uw ambt en niet bij de consulaire post van België en moet onze aanvraag bijgevolg ontvankelijk verklaard worden. Wij gronden onze aanvraag, enerzijds op de medische problemen van onze (klein)dochter Dinara en de medische problemen van XXX en anderzijds op de sociale banden die wij hebben ontwikkeld met België en al de moeite die wij gedaan hebben om ons in België te integreren.
- Zoals hierboven vermeld is D. S.a ernstigfysisch en psychisch gestoord en heeft zij een adequate en heel regelmatige behandeling nodig. Het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu bevestigt dat zij getroffen is door een blijvende ongeschiktheid van tenminste 66 % en een blijvende invaliditeit van 50 % (zie stuk 9). De verschillende medische attesten, zowel van Dokter Dupont als van Dokter De Praetere, maken duidelijk dat het nodig is voor haar om in België verzorgd te worden en dat zij een hoogtechnische verzorging nodig heeft die in Kazachstan niet aanwezig is. XIV-23.460-3/10 Dokter Dupont oordeelt in een attest van 28 maart 2001 dat de nodige zorgen niet toegediend kunnen worden in het land van origine en dat een verder verblijf in België noodzakelijk is. Bovendien heeft zij een gespecialiseerde begeleiding nodig in een aangepaste inrichting. Om deze redenen is zij op internaat in het Instituut Sterrebos van Rumbeke waar zij nauwgezet gevolgd wordt. Dergelijke onderwijsinstellingen zijn ook in Kazachstan niet beschikbaar. Voor een verdere verzorging en ontwikkeling van Dinara, is het noodzakelijk dat wij in België blijven. Zoals reeds hierboven vermeld, is het ook noodzakelijk voor de heer XXX om in België te blijven om hier verzorgd te worden omwille van heel ernstige longproblemen. Wij moeten dus hier blijven met onze familie met wie wij sinds het begin van onze aankomst in België, dit is ruim tweejaar geleden, samenleven.
- Sinds onze aankomst in België hebben wij veel moeite gedaan om ons in de Belgische gemeenschap te integreren. Onze drie (klein)kinderen gaan naar school, Dinara in het Buitengewoon Lager Onderwijs van het Sterrebos Instituut en M. en A.), in de Vrije Basisschool van Roeselare. Voorheen, wanneer wij in Izegem woonden, gingen zij naar school in de vrije basisschool Sint-Thillo. Onze tweejongste (klein)kinderen spreken reeds vloeiend Nederlands. Ook wij hebben alles gedaan om Nederlands te leren. Wij hebben ook verschillende beroepsopleidingen gevolgd bij de FDAB van Nederlands en informatica. A. en A.t hebben verschillende overeenkomsten afgesloten bij de VDAB voor training en opleiding zowel voor cursussen Nederlands voor anderstaligen voor administratie, als Nederlands voor anderstaligen voor technisch, als voor attitudetraining (zie stukken 22-27). Wij zijn goed geïntegreerd in Roeselare, zoals ook blijkt uit de verschillende attesten van kennissen en vrienden.
- Tenslotte wensen wij ook de nadruk te leggen op het feit dat het voor ons gevaarlijk is om terug te keren naar Kazachstan. Uit een officiële brief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van Kazachstan van 10.1.2001 blijkt dat van de personen die teruggestuurd worden vanuit België naar Kazachstan een strafrechtelijk onderzoek plaatsheeft en dat wij riskeren om veroordeeld te worden. Wij zouden er inderdaad van worden beschuldigd om misdaden te hebben begaan. Om al deze redenen vragen wij om gemachtigd te worden tot verblijf in België.”; dat de verwerende partij, ten aanzien van verzoekers, bij beslissing van 13 januari 2005 de aanvraag onontvankelijk verklaarde; dat deze negatieve beslissing als volgt is gemotiveerd: “(...) in toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mede dat dit verzoek onontvankelijk is. Voor de volgende personen werd een aparte beslissing genomen: . T., A. . Dinara B. S., M. A. Ab. en Abo. Reden(en) : De redenen die werden aangehaald waarom de betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure van artikel 9, alinea 2 van genoemde wat, namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud In het buitenland, kunnen niet als uitzonderlijke omstandigheden aanvaard worden en verantwoorden niet dat de aanvraag in België wordt ingediend. De problemen in hun land hebben reeds het voorwerp uitmaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen door de bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen door het Commissariaat- generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen op 04/07/2001 en ter kennis gebracht op 06/07/2001, hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van artikel 9, alinea 3 van de wet in België in te dienen. Hun verblijf was ook slechts toegelaten in het kader XIV-23.460-4/10 van de asielaanvraag en zij wisten dat zij bij een eventuele negatieve beslissing het land zouden dienen te verlaten. Wat de verwijzing naar het document van Binnenlandse Zaken in verband met zogenaamde sancties die genomen worden tegen personen die Kazachstan verlaten hebben, betreft: uit onze informatie blijkt dat IOM Almaty nog nooit benaderd is geweest door mensen die zijn teruggekeerd en hulp nodig hebben. Nochtans hebben zij in samenwerking met een mensenrechtenorganisatie een project lopen dat voorziet in juridische bijstand voor migranten. Dat betrokkenen nog een procedure hangende hebben bij de Raad van State op het moment van de aanvraag o.b.v. artikel 9§3 van de Vreemdelingenwet is op zich niet uitzonderlijk en verhindert betrokkenen niet terug te keren naar hun land van herkomst om aldaar een aanvraag conform artikel 9§2 van de Vreemdelingenwet in te dienen. Het indienen van een verzoekschrift bij de Raad van State heeft geen schorsende werking en het is perfect mogelijk dat hun raadsman hun belangen bij de Raad van State verdedigt. Dat betrokkenen geïntegreerd zijn in de Belgische samenleving, is op zich geen uitzonderlijke omstandigheid en verantwoordt niet dat de aanvraag in België wordt ingediend, Betrokkenen dienen, net zoals alle andere staatsburgers van Kazachstan, de aanvraag in te dienen conform artikel 9§2 van de Vreemdelingenwetgeving, in casu via de Belgische Ambassade te Moskou. Betrokkenen beroepen zich tevens op de medische toestand van T. .om de aanvraag alhier in te dienen. Uit het voorgelegde medische attest van januari 2004 blijkt niet dat betrokkene aan een aandoening lijdt die een specifieke behandeling behoeft die niet voorhanden is in het land van herkomst, evenmin dat betrokkene niet zou kunnen reizen. Bijgevolg kan het medisch motief niet weerhouden worden. Er dient opgemerkt dat ook voor de aanvraag o.b.v. art 9§3 van de zoon van betrokke- ne, T. A. en zijn gezin
(4946150)op 1 december 2004 een negatieve beslissing word genomen. Betrokkenen dienen contact op te nemen met de I.O.M. en/of de.vertegenwoordiging van hun land in België, teneinde hun terugkeer voor te bereiden. Bijgevolg dienen betrokkenen dringend het Belgisch grondgebied te verlaten en gevolg te geven aan het hen reeds betekende bevel om het grondgebied te verlaten (bijlage 26bis) van 06/06/2000, bevestigd door het CGVS dd. 04/07/2001”; dat de Raad van State bij arrest nr. 137.285 van 18 november 2004 de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring tegen de weigeringsbeslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft verworpen; dat, na tussenkomst bij de Dienst Vreemdelingenzaken van de advocaat van verzoekers en hun familie en van een organisatie die zich over het lot van de vluchtelingen ontfermt, de negatieve beslissing van 13 januari 2005 ten opzichte van de schoondochter en de kleinkinderen van verzoekers op 1 augustus 2005 werd ingetrokken; dat voornoemde familieleden werden toegelaten in België te verblijven; dat, wat verzoekers betreft, de verwerende partij aan de burgemeester van de stad Roeselare bij brief van 1 augustus 2005 het volgende liet weten : “Terugkomend op het afgewezen regularisatieverzoek van betrokkenen, dien ik u mee te delen dat de weigeringsbeslissing van 13/01/2005 genomen in hun dossier, behouden blijft. Deze beslissing werd hen betekend op 19/01/2005. Zoals u ook per brief werd meegedeeld werd de beslissing van genoemde datum in het dossier van hun zoon, schoondochter en kleinkinderen wel gewijzigd (DV 4.946.150).”; XIV-23.460-5/10 dat dit gegeven op 9 augustus 2005 aan verzoekers ter kennis werd gebracht; dat verzoekers op 30 augustus 2005 betekening ontvingen van een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde; dat deze bevelen als volgt zijn gemotiveerd : “artikel 7, eerste lid, 1/ : verblijft in het Rijk zonder houder te zijn van de vereiste documenten; de betrokken is niet in het bezit van een geldig paspoort voorzien van een geldig visum. Met toepassing van artikel 7, tweede lid, van dezelfde wet, is het noodzakelijk om de betrokkene zonder verwijl naar de grens te doen terugleiden, met uitzondering van de grens met Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Nederland, Portugal, Spanje, Italië, Griekenland, Oostenrijk, Noorwegen, Zweden, IJsland, Finland en Denemarken, om volgende reden :
(3)C Betrokkene kan met zijn eigen middelen niet wettelijk vertrekken. C Betrokkene weigert manifest om op eigen initiatief een einde te maken aan zijn onwettige verblijfsituatie, zodat een manu militari tenuitvoerlegging van de grensleiding noodzakelijk is.”;
- De ontvankelijkheid 2.
- De beslissing tot vrijheidsberoving Overwegende dat de Raad van State de bevoegdheid mist om kennis te nemen van middelen gericht tegen de vrijheidsberovende maatregel; dat op grond van artikel 71 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) de beoordeling van dergelijke maatregel aan de raadkamer van de correctionele rechtbank is toevertrouwd; 2.
- De beslissingen omtrent de aanvraag tot regularisatie op grond van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet Overwegende dat verzoekers uiteraard enkel de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging kunnen nastreven van de maatregel die te hunnen opzichte werd genomen; dat voorts niet wordt aangetoond dat de negatieve beslissing van 13 januari 2005 omtrent de regularisatieaanvraag van verzoekers opnieuw in overweging werd genomen ingevolge het eind januari 2005 ingediende bezwaar; dat integendeel uit de eerder geciteerde brief van 1 augustus 2005 blijkt dat de weigeringsbeslissing van 13 januari 2005, betekend op 19 januari 2005, behouden blijft; dat het willig bezwaar de termijn voor het indienen van het annulatieberoep (en van de vordering tot schorsing) niet lijkt te hebben gestuit of geschorst; dat de verwerende partij op het eerste gezicht terecht stelt dat de beslissing van 1 augustus 2005 (...) niet vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring XIV-23.460-6/10 omdat er geen wijziging wordt teweeggebracht in de verblijfstitel van verzoekers zodat de daartegen gerichte vordering niet ontvankelijk is; 2.
- Het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Overwegende dat de vordering ook is gericht tegen het op 30 augustus 2005 aan verzoekers gegeven bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat de verwerende partij niet betwist dat de tegen deze beslissing gerichte vordering ontvankelijk is; dat zij trouwens op de bestreden bevelen heeft aangegeven dat deze vatbaar zijn voor een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing bij de Raad van State;
- Ten gronde 3.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
- Overwegende dat verzoekers de uiterst dringende noodzakelijkheid als volgt verantwoorden : “Op 30 augustus 2005 werd aan verzoekers een bevel om het grondgebied te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde betekend. Zij werden dezelfde dag aangehouden en opgesloten in het gesloten centrum 127bis waar zij tot op heden verblijven.”; Overwegende dat de geschetste omstandigheden de behandeling van de zaak bij uiterst dringende noodzakelijkheid verantwoorden; dat daaruit blijkt dat de verwerende partij de intentie heeft het bevel daadwerkelijk ten uitvoer te leggen; 3.
- Overwegende dat verzoekers een enig middel inroepen dat als volgt is gesteld: “Schending van de motiveringsplicht zoals onder meer geformuleerd in artikel 62 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980, de artikelen 2 en 3 van de wet op de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen van 29 juli 1991, en van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens Doordat artikel 8 van het EVRM van openbare orde is zodat tegenpartij ambtshalve moest onderzoeken of er een gezinsleven is tussen verzoekers en hun schoondochter en kleinkinderen, en in bevestigend geval, of de inmenging van de overheid in casu geoorloofd was XIV-23.460-7/10 Terwijl in de bestreden beslissing geenszins wordt gemotiveerd waarom de scheiding van verzoekers van hun schoondochter en kleinkinderen, met wie zij samenwonen, geen schending zou uitmaken van artikel 8 EVRM, en waarom de verwijdering van verzoekers van het grondgebied nodig zou zijn voor 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, de bescherming van de openbare orde, het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. (...) Verzoekers, hun zoon A. T., hun schoondochter A. A. en haar drie kinderen vormen de facto een gezin sinds 17 jaar. Verzoekers kunnen derhalve het recht op bescherming van het gezinsleven inroepen. Tegenpartij was op de hoogte van het bestaan van deze gezinstoestand wanneer zij de bestreden beslissing heeft genomen (o.m. door het feit dat er één enkele aanvraag om machtiging tot verblijf werd ingediend). Tegenpartij moet ambtshalve toetsen of de beslissing die zij neemt geen schending inhoudt van artikel 8 EVRM daar dit artikel van openbare orde is (R.v.St., nrs. 26.932 en 26.933 van 25 september 1986 en zeer talrijke arresten nadien). Tegenpartij maakt geen enkele afweging tussen het nadeel dat verzoekers ondervinden en het belang van de Belgische Staat bij een dergelijke zware ingreep als een verwijdering van het grondgebied, die ernstige repercussies heeft op het gezinsleven van verzoekers en zijn gezinsleden (R.v.St., nr. 127.325 van 22 januari 2004, idem, 27 augustus 2004, J.D.J. 2004, nr. 240, 40). Door deze afweging niet te maken en door niet uit te leggen waarom artikel 8 EVRM niet geschonden zou zijn, schiet tegenpartij tekort in haar motiveringsplicht en schendt ze het recht op gezinsleven van verzoekers, wat een schending uitmaakt van de ingeroepen wetsbepalingen. Artikel 8 EVRM waarborgt niet als zodanig het recht om niet uit een bepaald land te worden verwijderd. Desondanks erkent het Hof te Straatsburg dat, gelet op het recht op eerbiediging van het gezinsleven, de verwijdering van een persoon uit een land waar zijn familie woont, verdragsonverenigbaar kan zijn. Opdat een vreemdeling zich op artikel 8 kan beroepen, moet er sprake zijn van een voldoende hechte relatie tussen de vreemdeling en diens familie, en moet het (vrijwel) onmogelijk zijn om in het land van herkomst een familieleven te leiden. (...).”; 3.
- Overwegende dat artikel 8 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 als volgt luidt: “
- Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.
- Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ‘s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”; 3.
- Overwegende dat uit de bestreden bevelen met terugleiding inderdaad niet kan worden afgeleid of de verwerende partij, die het dossier en dus de in de aanvraag op grond van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet uiteengezette hechte familiale band tussen verzoekers hun schoondochter en hun kleinkinderen kende, met dit gegeven bij het nemen van de terugleidingsmaatregel rekening heeft gehouden; dat inzonderheid niet blijkt dat de verwerende partij heeft overwogen om welke dwingende redenen, nodig in een XIV-23.460-8/10 democratische samenleving, de betrokken maatregel nodig was gelet op de gekende omstandigheden van het dossier; dat het middel ernstig is; 3.
- Overwegende dat, met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel verzoekers het volgende uiteenzetten: “Uit de feiten en het middel blijkt dat de uitvoering van de bestreden beslissing aan verzoekers een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou berokkenen. Indien zij niet tot verblijf in België gemachtigd worden en uit het land worden verwijderd, zullen zij gescheiden worden van de enige familie die zij hebben, vermits hun enige zoon en zijn gezin in België zijn. Hun schoondochter en kleinkinderen verblijven wettig in België. De zoon weliswaar niet, maar is verzoekers niet bekend dat er een datum zou zijn om hem effectief uit het land te verwijderen. Dat zulke scheiding ernstig is blijkt uit het openbare orde-karakter van artikel 8 EVRM. Het is moeilijk of niet te herstellen daar er geen enkel perspectief is voor verzoekers op terugkeer naar België. Verzoekende partij meent dat de uitvoering van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zal berokkenen.”; Overwegende dat deze uiteenzetting overtuigt; dat de bestreden beslissing een rechtstreekse en ongunstige weerslag heeft op de familiale relaties tussen verzoekers en hun kleinkinderen, waarvan één ernstige fysieke en psychische problemen kent; dat te dezen het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan worden aangenomen; 3.
- Overwegende dat is voldaan aan de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te bevelen van de tenuitvoerlegging van de tweede bestreden beslissingen; BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van het aan verzoekers op 30 augustus 2005 gegeven bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens. Artikel
- De kosten worden voorbehouden. XIV-23.460-9/10 Artikel
- Bevolen wordt de onmiddellijke tenuitvoerlegging van dit arrest. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf september tweeduizend en vijf, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. XIV-23.460-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.582 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div