← België

Arrest 148596 - - 06/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.596 Rolnummer: A. 146856/XIV-18475 Zaak: Arrest 148596 - - 06/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-28 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 23:27 Fiche Arrest nr 148.596 van 6 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.596 van 6 september 2005 in de zaak A. 146.856/XIV-18.

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg
  2. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 21 januari 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 22 december 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 21 oktober 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 23 december 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 30 januari 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 14 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 juni 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-18.475-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat B. KUSTERS, die loco advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partij, en van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 10 oktober 2003 en zich vluchteling verklaart op dezelfde dag; dat op 21 oktober 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 22 december 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U, een Russisch staatsburger van Ingoesjetische origine, verklaart uw land van herkomst verlaten te hebben omwille van onderstaande redenen. Uw echtgenoot, eveneens van lngush- origine had tijdens de eerste oorlog geld aan een moskee gegeven. Tot aan het begin van de eerste oorlog, in 1994 woonde u met uw gezin in Grozny. Bij het uitbreken van de oorlog verhuisden jullie naar Slipsovsk, lngoesjetië. Jullie leefden daar ongeregistreerd. Omdat jullie nog steeds jullie registratie in Grozny hadden, werd uw echtgenoot als Tsjetsjeen beschouwd en bij zuiveringen meegenomen. Als de soldaten dan bemerkten dat hij van lngoesj-afkomst was werd hij telkens, al dan niet na de betaling van losgeld, terug vrijgelaten. Op 13 december 2002 kwamen de lngoesjetische politie en soldaten van het Federale leger uw echtgenoot thuis aanhouden. Bij deze gelegenheid werd u voor de ogen van uw echtgenoot verkracht. Zijn aanhouding hield verband met het geld dat hij tijdens de eerste oorlog aan de moskee stortte. Op haar beurt steunde de moskee de Tsjetsjeense verzetsstrijders. Er werd door de Russische soldaten in de moskee een lijst gevonden met de namen van personen die geld aan de moskee gaven. Uw echtgenoot werd pas na drie weken en na de betaling van 10.000$ losgeld vrijgelaten. Toen u naar de politie van Slipsovsk ging om van bovenstaande melding te maken werd u uitgelachen. Sinds deze periode kwamen Wahabieten uw echtgenoot regelmatig op zijn bedrijf opzoeken. Ze wilden dat uw echtgenoot bepaalde zaken voor hen vervoerde. U weet niet precies wat. Uw echtgenoot weigerde echter op hun verzoeken in te gaan. Op 20 juli 2003 kwamen 4 Wahabieten naar uw woning. Ze wilden dat uw echtgenoot de volgende dag iets voor hen vanuit Malgobek vervoerde. Omdat ze als drukkingsmiddel uw zoon meenamen ging uw echtgenoot op hun verzoek in. Uw zoon werd twee dagen later, ongeschonden, vrijgelaten. Enkele uren later kwam uw echtgenoot thuis. Hij vertelde tegen u dat hij met zijn wagen naar een bestemming in de Russische Federatie was moeten rijden. U kent geen verdere details van zijn opdracht. Ook nadien bleven Wahhabieten uw echtgenoot lastigvallen. Ze dreigden ermee uw zoon kwaad te berokkenen indien uw echtgenoot niet met hen samenwerkte. Uw echtgenoot ging naar de politie en de militaire commandatuur, om bewaking voor uw zoon te verkrijgen. De politie weigerde preventieve bewaking en zei dat jullie maar moesten bellen zodra er iets gebeurde. Op 27 september 2003, laat op de avond, kwamen onbekenden naar uw woning. Uw echtgenoot praatte buiten met hen en gebood vervolgens u en uw zoon jullie te verschuilen in de slaapkamer, waarna uw echtgenoot gewapend met een pistool terug naar buiten ging. U hoorde enkele schoten. Toen u naar buiten ging zag u de lijken van uw echtgenoot en van twee onbekenden. De politie en een ambulance kwamen ter plaatse. Een lijkwagen nam de lijken van de twee mannen mee. Het lichaam van uw echtgenoot bleef thuis. Uw echtgenoot werd de volgende dag begraven. De dag van de begrafenis ging u op het politiekantoor een verklaring over het incident schrijven. De politieagent die u ontving zei dat er veel soortgelijke misdaden plaatsvonden, en dat hij u niets kon beloven over het vinden van de daders. Een paar dagen na de begrafenis kwam Magorned, een handelspartner van uw man, u vertellen dat er in de moskee was gezegd dat er een bloedwraak over uw zoon was XIV-18.475-2/7 uitgesproken door familie van de twee dode Wahhabieten. U zou niet op bescherming van de overheid kunnen rekenen wegens de steun (geld aan moskee) die uw echtgenoot aan de verzetsstrijders had gegeven. Magomed bracht u en uw zoon vervolgens op 29 september 2003 naar Naltsjik, Kabardino-Balkarië, vanwaaruit u en uw zoon verder naar België reisden. Op 10 oktober 2003 vroeg u in België de status van vluchteling aan. B. Motivering Er wordt opgemerkt dat uw opeenvolgende verklaringen op de dienst Vreemdelingenzaken en het commissariaat-generaal niet overeenstemmen. Zo verklaart u op het commissariaat- generaal dat op 13 december 2002 agenten van de lngoesjetische politie en soldaten van het Federale leger uw echtgenoot in het kader van een zuiveringsactie thuis kwamen oppakken, hem drie weken vasthielden en hem pas vrijlieten na het betalen van 10.000$ losgeld (verhoorverslag cg, p.9). Op het commissariaat-generaal verklaart u dat u tijdens deze zuiveringsactie werd verkracht door de personen die uw echtgenoot kwamen aanhouden (verhoorverslag cg, p.9). U maakt op het commissariaat-generaal geen melding van andere verkrachtingen. Echter, op de dienst Vreemdelingenzaken verklaart u dat het bovenvermelde incident waarbij uw man tijdens een zuiveringsactie werd opgepakt op 12 december 1999 gebeurde (verhoorverslag dvz, vraag 42). U maakt geen melding van het feit als zou u toen zijn verkracht. Op de dienst Vreemdelingenzaken verklaart u dat u door Wahabieten werd aangerand toen deze in juli 2003 uw zoon kwamen ontvoeren (verhoorverslag dvz, vraag 42, 45). U maakt op de dienst Vreemdelingenzaken geen melding van andere aanrandingen (verhoorverslag dvz). Dergelijke tegenstrijdigheden en ongerijmdheden ondermijnen op fundamentele wijze de geloofwaardigheid van de verklaringen die u in het kader van uw asielaanvraag aflegde en meer bepaald betreffende de twee vervolgingsmotieven (vervolging door de overheid omwille van de geldelijke steun aan een moskee en de bloedwraak vanwege Wahhabieten) die u inroept als redenen waarom u uw land ontvluchtte. Omtrent uw verklaring dat u niet geregistreerd kon worden in lngoesjetië, en daardoor problemen met de lngoesjetische autoriteiten kende, merken we het volgende op. Volgens de informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt (en waarvan een kopie aan uw administratief dossier is gevoegd) kunnen naar lngoesjetië uit Tsjetsjenië gevluchte lngoesjen zich zonder problemen permanent in lngoesjetië laten registeren op voorwaarde dat ze in lngoesjetië over een woning beschikken. Aangezien u op het commissariaat-generaal (p. 4) verklaart dat u sedert 1994 in Slipsovsk gratis over de woning van een vriend beschikte, voldoet u aan de voorwaarde voor een vaste registratie in lngoesjetië. Op basis van voorgaande kan in hoofde van u geen vermoeden van een gegronde vrees zoals bedoeld in de Conventie van Genève worden weerhouden. Derhalve wordt afgesloten met een bevestiging van de weigering van verblijf. Wat betreft de door u neergelegde documenten: de geboorteaktes van u en uw zoon staven jullie respectievelijke identiteit. Vermits deze documenten niets aan uw verklaringen toevoegen zijn zij niet bij machte om de appreciatie van uw asielaanvraag te wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en) ,ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al 2.).”; 2.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van de artikelen 1, A, 2 en 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; van de artikelen 52 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ; van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de zorgvuldigheidsverplichting Manifeste beoordelingsfout XIV-18.475-3/7 Dat de bestreden beslissing, welke aan verzoekster werd betekend, de artikelen 1, A

(2)en 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, de artikelen 52, § 1, 7/ en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de zorgvuldigheidsverplichting schendt, wanneer deze besluit tot een bedrieglijke asielaanvraag zonder een afdoende motivatie en wanneer deze een terugleiding naar haar land van herkomst aanbeveelt zonder een onderzoek in te stellen naar verzoeksters vrees voor vervolging bij een terugkeer naar haar land. Dat dient opgemerkt te worden dat verzoekster een omstandig en gedetailleerd asielrelaas heeft uiteengezet. Dat verweerder in de bestreden beslissing stelt dat verzoeksters opeenvolgende verklaringen niet eensluidend zijn. Verweerder stelt in de bestreden beslissing dat verzoekster op het commissariaat-generaal verklaarde dat op 13 december 2002 agenten van de Ingoesjetische politie en soldaten van het federale leger haar echtgenoot in het kader van een zuiveringsoperatie thuis kwamen oppakken, drie weken vasthielden en hem pas vrijlieten na het betalen van losgeld en dat zij tijdens deze actie werd verkracht. Op de dienst Vreemdelingenzaken zou verzoekster verklaard hebben dat haar man tijdens een zuiveringsactie werd opgepakt op 12 december 1999, waarbij zij geen melding maakte van een verkrachting. Dat verzoekster dienaangaande opmerkt dat zij op het commissariaat-generaal verklaarde dat toen zij te Slipsovsk, Ingoesjetië, ongeregistreerd woonden, haar echtgenoot er als Tsjetsjeen werd beschouwd en bij zuiveringen werd meegenomen. Als de soldaten dan bemerkten dat hij van Ingoesj-afkomst was, werd hij telkens, al dan niet na de betaling van losgeld, terug vrijgelaten (verhoorverslag CGVS, p. 8 ex). Dit betekent m.a.w. dat de arrestatie van haar echtgenoot en betaling van losgeld te Slipsovsk, Ingoesjetië, geen éénmalig feit was. Dat derhalve door verweerder de niet-overeenstemming van de datum van de arrestatie van haar echtgenoot tijdens de zuiveringsacties niet kan ingeroepen worden om de geloofwaardigheid van verzoeksters relaas te ondermijnen. Dat voorts dient opgemerkt te worden dat verweerder verwijst naar het niet-vermelden door verzoekster van de verkrachting toen haar echtgenoot op 13.12.2002 werd gearresteerd tijdens het verhoor op de dienst Vreemdelingenzaken. Dat dienaangaande dient opgemerkt te worden dat een verkrachting toch wel niet zo evident is om zomaar tijdens een kort verhoor (zoals op de dienst Vreemdelingenzaken) door een kandidaat-vluchteling te vertellen waardoor derhalve de niet-vermelding ervan tijdens een eerste verhoor in geen geval kan aangehaald worden om de geloofwaardigheid van een asielrelaas in vraag te stellen. Dat derhalve de door verweerder aangehaalde tegenstrijdige verklaringen van verzoekster onterecht werden aangehaald waardoor verweerder een manifeste beoordelingsfout maakte en de bestreden beslissing, welke besluit tot een bedrieglijke asielaanvraag, niet afdoende motiveerde. Dat volgens het artikel 1, A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 195 1, de vrees dient beoordeeld te worden ten aanzien van het land waarvan de vluchteling de nationaliteit bezit. De definitie van de Vluchtelingenconventie van Genève luidt immers als volgt: ‘geldt als vluchteling: elke persoon die zich uit gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan uit hoofd van bovenbedoelde vrees niet wil inroepen.’ Dat door verweerder, hoewel hij besluit tot een terugleiding naar het land van herkomst, werd nagelaten een grondig onderzoek in te stellen naar verzoeksters vrees voor vervolging bij een terugkeer naar het land waarvan zij de nationaliteit bezit, de Russische Federatie. Dat verzoekster in geen geval kan terugkeren naar Ingoesjetië waar de Ingoesjetische autoriteiten verzoekster en haar gezin vervolgden en weigerden te beschermen tegen de Wahabieten en bovendien te registreren waardoor hen een aantal fundamentele rechten werden ontzegd (alleen omdat verzoekster zelf nog een beetje geld had gespaard kon zij mits betaling een dokter raadplegen en haar zoon naar school laten gaan) (cf. verhoorverslag CGVS, p. 4). Dat verweerder met verzoeksters verklaring aangaande de onmogelijkheid van registratie en de schending van een fundamentele mensenrechten (onderwijs, gezondheidszorg,) geen rekening hield. Dat door verweerder werd nagelaten tijdens het verhoor op het commissariaat-generaal verzoekster grondig te ondervragen aangaande de oorzaak van haar probleem, namelijk haar onmogelijkheid een registratie te bekomen. Dat verweerder naliet rekening te houden met par 5 3 lid b van de ‘Guidé des procédures et critères á appliquer pour déterminer le statut de réfugié’ (Genève, september 1979 ) van het UNHCR. Daarin wordt gesteld dat ‘l'examinateur doit obtenir du demandeur qu'il présente son XIV-18.475-4/7 cas de manière aussi complète que possible et avec tous les éléments de preuve dont il dispose’. Verzoekster merkt op dat haar tijdens het verhoor op het commissariaat-generaal nooit uitdrukkelijk gevraagd werd waarom zij geen registratie kon bekomen. Dat dienaangaande verder dient opgemerkt te worden dat verweerder in de bestreden beslissing verwijst naar informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt en waaruit blijkt dat uit Tsjetsjenië gevluchte Ingoesjen zich zonder problemen permanent in Ingoesjetië kunnen laten registreren op voorwaarde dat ze in Ingoesjetië over een woning beschikken. Door verweerder wordt nagelaten te onderzoeken/vermelden of dit al dan niet een eigen woning betreft. Dat vaststaat dat verzoekster afkomstig is van Tsjetsjenië waardoor haar leven en vrijheid in gevaar is bij een terugkeer naar de Russische Federatie. Dat immers verzoekster vreest voor vervolging en discriminatie bij een terugkeer naar de Tsjetsjenië (Russische Federatie). Dat in eerste instantie dient opgemerkt te worden dat de mensenrechten in Tsjetsjenië, een land die nog steeds geen vrede kent, nog steeds massaal worden geschonden, zoals blijkt uit het rapport van Human Rights Watch, dd. 7.04.2003, ‘Human Rights Situation in Chechnya’ (cf. stuk 2, http:/lhrw.org). Dat bovendien uit het rapport van Anmesty International, dd. 29 november 2002 "Russian Federation: No forcible return of displaced Chechens to Chechnya until security is guaranteed stelt dat ‘If refugees of Chechnya are sent back, most of these people will not only find their homes looted or destroyed, without conditions for even basic subsistence, but will be put at risk of torture, illtreatment, arbitrary detention, 'disappearance' and extrajudicial execution,’ (cf. stuk 3) http://www.amnesti.org). Dat uit voorgaande rapporten blijkt dat vluchtelingen onmogelijk kunnen terugkeren naar Tsjetsjenië. Dat verweerder gehouden was ambtshalve een grondig onderzoek in te stellen naar verzoeksters vrees voor vervolging bij een terugkeer naar Ingoesjetië/Tsjetsjenië en de mensenrechtenrapporten dienaangaande te consulteren. Dat de bestreden beslissing, welke besluit tot een kennelijk ongegronde asielaanvraag, niet afdoende gemotiveerd is, de zorgvuldigheidsverplichting en de Vluchtelingen conventie schendt.”; 2.
  1. Overwegende dat artikel 62 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent doch betwist dat de gegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de bestreden beslissing onder meer is gesteund op de ongerijmdheden en tegenstrijdigheden in de opeenvolgende verklaringen van de verzoekende partij op de dienst Vreemdelingenzaken en het commissariaat-generaal; dat dit een determinerend motief vormt in de zin dat het de bestreden beslissingen kan dragen; dat de verzoekende partij dit motief betwist door te stellen dat zij op het commissariaat- generaal heeft verklaard dat haar echtgenoot een aantal keren werd opgepakt; dat dient XIV-18.475-5/7 echter te worden opgemerkt dat de verzoekende partij zowel op de dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) als op het commissariaat-generaal dieper is ingegaan op één bepaalde aanhouding, namelijk deze waarbij haar echtgenoot gedurende drie weken werd vastgehouden en slechts werd vrijgelaten na betaling van $10 000 aan losgeld; dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij op de dienst Vreemdelingenzaken dit incident op 12 december 1999 heeft gesitueerd (zie verhoorverslag DVZ, p. 12), terwijl zij op het commissariaat-generaal verklaarde dat dit incident plaatsvond op 13 december 2002 (zie verhoorverslag commissaris-generaal, p. 8); dat de verzoekende partij bovendien op het commissariaat-generaal verklaarde dat zij bij het voormelde incident werd verkracht, terwijl zij hier op de dienst Vreemdelingenzaken geen melding van maakte; dat de verklaring die zij hiervan verschaft, namelijk dat het “niet zo evident is” om over een traumatische ervaring als een verkrachting te praten, niet kan worden bijgetreden, nu zij niet verduidelijkt waarom zij op het commissariaat-generaal ter gelegenheid van het aldaar gehouden verhoor wel de moed vond om daarover te praten; dat de verzoekende partij derhalve niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat het middel voor het overige is gericht tegen de vaststelling dat de verzoekende partij onterecht heeft voorgehouden dat zij niet kon worden geregistreerd in Ingoesjetië en daardoor problemen zou hebben gekregen met de Ingoesjetische autoriteiten; dat, rekening houdend met het voormeld determinerend motief, de verzoekende partij zich daarbij richt tegen overtollige motieven, zodat de eventuele gegrondheid van het middel op dat vlak niet kan leiden tot de onwettigheid van de bestreden beslissing; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende, daargelaten de vraag of artikel 33 van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 van toepassing is op niet als dusdanig erkende vluchtelingen, dat de verzoekende partij niet met concrete gegevens aannemelijk maakt dat haar leven of vrijheid in het land van herkomst effectief bedreigd worden; dat haar asielrelaas bedrieglijk is bevonden zodat de verzoekende partij met de verwijzing naar haar in het kader van haar asielaanvraag afgelegde verklaringen niet aannemelijk maakt dat haar leven of vrijheid omwille van één van de in voornoemd artikel 33 vermelde omstandigheden in gevaar zou komen; dat het middel ook in die mate ongegrond is;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere XIV-18.475-6/7 procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  3. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes september tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-18.475-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.596 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.