id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.597 Rolnummer: A. 146713/XIV-18428 Zaak: Arrest 148597 - - 06/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-28 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 23:27 Fiche Arrest nr 148.597 van 6 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.597 van 6 september 2005 in de zaak A. 146.713/XIV-18.428 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat K. TRIMBOLI, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Munthofstraat 135 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Algerijnse nationaliteit, op 16 januari 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 15 december 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 15 april 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 30 januari 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 14 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 juni 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-18.428-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat G. CASTIAUX die loco advocaat K. TRIMBOLI verschijnt voor de verzoekende partij, van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 8 december 2002 en zich vluchteling verklaart op 25 maart 2003; dat op 15 april 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 15 december 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die luidt als volgt: “U verklaart de Algerijnse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn van XXX. U zou sinds het begin van het jaar 1999 als bewakingsagent voor het bedrijf Ouarsenis werkzaam zijn geweest. Op 5 juli 2002 zou u thuis door onbekende mannen benaderd zijn. Eén persoon zou u met zijn revolver rechtstreeks bedreigd hebben. U zou uw dienstwapen en uw bewakingsuniform aan hen hebben moeten overhandigen. Daar u in verlof was zou u tot 15 augustus 2002 de tijd gekregen hebben om deze opdracht te volbrengen. Deze onbekende mannen zouden u er op gewezen hebben dat u beter geen klacht kon indienen bij de politie, zoniet zouden ze u en uw familie op een gruwelijke manier elimineren. Twee dagen later zou u uw zus, K. woonachtig in België, gevraagd hebben om alle documenten voor borgstelling in orde te brengen zodat u een visum voor België zou kunnen aanvragen. Op 29 juli 2002 zou u in het Belgische consulaat te Algiers uw visum aangevraagd hebben. Op 4 of 5 augustus 2002 zou u daar nog een familiefiche zij . n gaan neerleggen en nog diezelfde dag zou u naar Oran gegaan zijn. Tijdens uw verblijf in Oran bij uw neef zou u van uw moeder vernomen hebben dat de onbekende mannen naar uw huis zijn teruggekeerd. Op 22 september 2002 zou u naar Algiers gegaan zijn waar u de volgende dag op het Belgische consulaat uw visum bent gaan ophalen. Daarna zou u nog twee maanden in Algiers gebleven zijn waar u bij uw vriend, M. G., zou hebben gewoond. Hij zou u afgeraden hebben om in België asiel aan te vragen en hij zou u doorverwezen hebben naar een vriend van hem die u naar Engeland zou kunnen brengen. Nadat u nog steeds geen nieuws zou hebben vernomen van die persoon heeft u op 8 december 2002 het vliegtuig naar België genomen waar u nog dezelfde dag bent aangekomen. U heeft op 25 maart 2003 asiel aangevraagd. B. Motivering Vooreerst kan worden opgemerkt dat er twijfels kunnen rijzen omtrent de geloofwaardigheid van uw relaas op het commissariaat-generaal (CGVS) en dit omwille van de volgende redenen. Wat betreft het incident op 5 juli 2002 met enkele onbekende mannen verklaarde u voor de dienst Vreemdelingenzaken dat de mannen (in de meervoudsvorm) hun wapens lieten zien toen u vroeg wie ze waren (gehoorverslag DVZ, p. 13,1, terwijl u tijdens het gehoor op het Commissariaat-generaal beweerde dat slechts één van hen zijn wapen liet zien (nl. hij hield zijn revolver tegen uw buik) toen u vroeg wie ze waren en wat ze wilden. U stelt weliswaar dat u denkt dat de andere mannen gewapend waren maar dat u hun wapens niet heeft gezien (gehoorverslag CGVS, p. 4). 13 geconfronteerd met bovenstaande uiteenlopende versie van de feiten stelt u dat dit te wijten is aan het feit dat de interviewer op de dienst Vreemdelingenzaken waarschijnlijk niet alles heeft voorgelezen. Deze verklaring is niet afdoende aangezien u uw verklaringen ondertekend heeft en dit nadat het verhaal u werd voorgelezen en u verklaard had dat u niets meer toe te voegen heeft (gehoorverslag DVZ, p. 14). Wat betreft uw visumaanvraag verklaart u zowel voor de Dienst Vreemdelingenzaken als op het commissariaat-generaal dat u op 29 juli 2002 op het Belgische consulaat te Algiers uw visum heeft aangevraagd (gehoorverslag DVZ, p. 14 en gehoorverslag CGVS, pp. 2, 4 en 5). XIV-18.428-2/7 Uit informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie in het administratief dossier is gevoegd blijkt dat u pas op 3 september 2002 een visum heeft aangevraagd op het Belgische consulaat waardoor uw verklaring dat u twee dagen na het incident van 5 juli 2002 reeds voorbereidingen zou hebben getroffen om het land te verlaten niet geloofwaardig is. Bovendien blijkt uit dezelfde informatie dat u reeds op 3 september 2002 in Algiers vertoefde terwijl u op het CGVS verklaarde dat u pas op 22 september 2002 Oran verliet. Voorgaande opmerking doet aldus afbreuk aan de chronologie van uw relaas zoals door u werd verklaard voor de Belgische asielinstanties. Bovenstaande vaststellingen ondermijnen de geloofwaardigheid van uw vluchtmotieven. De ernst en de geloofwaardigheid van uw voorgehouden vrees wordt verder ondermijnd door het feit dat u pas vier maanden na aankomst in België asiel heeft gevraagd. U heeft op 25 maart 2003 asiel aangevraagd terwijl uw visum slechts geldig was tot 22 maart
- Bijgevolg heeft u pas asiel aangevraagd nadat uw verblijf heeft opgehouden regelmatig te zijn (Art. 52 § 3, 1/ Vr.W.). Uw verklaring dat u psychisch te labiel was om deze procedure op te starten is hiervoor niet afdoende (gehoorverslag CGVS, p. 9) aangezien u zelf stelt dat uw psychische toestand het gevolg is van de doorstane problemen in Algerije en u via het indienen van een asielaanvraag precies de bescherming van de Conventie van Genève kan inroepen. Bovendien moet vastgesteld dat u, desondanks uw psychische toestand, wel het nodige heeft gedaan om een visum aan te vragen en hiertoe ook een administratieve procedure te doorlopen. Er is dan ook geen enkele reden waarom u vóór het verlopen van uw visumaanvraag niet in staat zou zijn geweest om de procedure van een asielaanvraag op te starten. Iets wat u naderhand dan toch wel heeft gedaan, zij het laattijdig. Dient te worden aangestipt dat u ter ondersteuning van uw psychische toestand een medisch attest neerlegt d.d. 1 april 2003 waarin dat u op doktersconsultatie bent geweest en dat u naar een neuropsychiater zal worden doorverwezen. De overige door u voorgelegde documenten vermogen, gezien bovenstaande opmerkingen, niet de appreciatie van uw asielaanvraag in positieve zin om te buigen. Ondermeer legt u een werkattest neer waarop duidelijk staat vermeld dat uw functie ‘opérateur machine’ is i.p.v. bewakingsagent zoals door u werd verklaart. Uw verklaring hiervoor dat u als bewakingsagent geen visum zou kunnen krijgen en dat u daarom uw functiebeschrijving op uw werkattest heeft laten veranderen is hoogst opmerkelijk en weinig geloofwaardig (gehoorverslag CGVS, p. 1 l). Wat betreft uw indiensttreding verklaart u op de zetel van het Commissariaat - generaal dat u sinds het begin van het jaar 1999 in het bedrijf Ouarsenis werkt (gehoorverslag CGVS, p. 3), terwijl op het werkattest staat dat u er sinds 1 juni 1999 werkte (zie voorgelegde documenten). Rekening houdend met het feit dat u uw problemen verbindt met uw vroegere functie komt, gezien bovenstaande vaststellingen, de geloofwaardigheid van uw relaas verder in het gedrang. Verder legt u een brief van uw familie neer waarin staat dat ze naar Wilayat Mostaghanem verhuisd zijn terwijl bovenaan de fax er duidelijk staat dat de fax verzonden is vanuit Chief. De andere documenten die u neerlegt, namelijk uw paspoort met visum, geboorteakte, nationaliteitsbewijs, attest van goed gedrag en zeden, uittreksel van burgerlijke stand, attest dat u ongehuwd bent en familiefiche, verschaffen wel enige informatie omtrent uw identiteit, maar voegen geen nieuwe elementen aan uw asielaanvraag toe. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag laattijdig werd ingediend. U diende uw aanvraag immers zonder verantwoording in nadat uw verblijf of uw vestiging ophield regelmatig te zijn. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en) ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Exposé des moyens Premier et unique moyen pris de la violation des articles 52 et 62 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès, le séjour, l’établissement et l'éloignement des étrangers, et des articles 1 á 4 de la loi du 29 juillet 1991 sur la motivation formelle des actes administratifs, et du principe XIV-18.428-3/7 de la bonne administration, de l'erreur manifeste d'appréciation et du devoir général de prudence. Première branche : contradiction entre les récits du requérant Attendu que la décision attaquée prétend qu'il y aurait une contradiction dans les récits du requérant à l'Office des Etrangers et au commissariat général ; Que la décision attaquée invoque comme contradiction le fait que le requérant a dit à l'Office des Etrangers que les hommes qui étaient venus chez lui avaient montré leur arme lorsque le requérant leur demandait qui ils étaient et au commissariat général le requérant a dit que lorsqu'il demandait á ces hommes qui ils étaient, l’un d'eux seulement avait sorti un revolver et l'avait tenu contre son ventre ; Que le requérant interpellé à ce sujet lors de l'audition au CGRA, a pourtant expliqué que (traduction libre) ‘pendant l'interview il a tout dit mais que la personne qui l’interviewait n'a après pas tout parcouru. Elle a dit seulement qu'elle allait parcourir les grands points, dates et autres. Elle na donc apparemment pas tout relu’ (rapport audition CGRA p 5); Que la partie adverse reproche á cet égard au requérant d'avoir signé sa déclaration après qu'elle lui ait été lue et après qu'il ait déclaré qu'il n'avait rien á ajouter ; Qu'or, étant donné que la personne qui l’interviewait lui avait dit qu'elle reprenait les grands points, dates et autres de ses déclarations, le requérant ne s'est pas inquiété de ce que certains détails n'étaient pas repris dans le rapport ; Que de plus, le requérant a expliqué lors de son recours au Conseil d'Etat introduit le 18/06/2003 et qui a abouti au retrait de Facte attaqué, á savoir, la décision du C.G.R.A notifiée le 21/05/2003 qu'il ne s'agissait pas dune contradiction ; Que la partie adverse ne s'est pas du tout penchée sur les explications du requérant pour prendre cette nouvelle décision ; Qu'elle n'a pas tenu compte de tous les éléments de la cause et a ainsi violé le principe de bonne administration ; Qu'en outre, même si l’on considérait cet élément comme une contradiction -quod non- elle serait à ce point infime qu'elle ne peut conduire à déclarer sa demande manifestement non fondée car l’on ne peut affirmer qu'elle porte atteinte de manière indiscutable á la crédibilité du récit du requérant ; Que ‘les contradictions dans les récits successifs du demandeur d'asile peuvent amener le commissaire général à estimer que la demande est manifestement non fondée pour autant que ces contradictions portent atteinte de manière indiscutable à la crédibilité des éléments essentiels du récit du demandeur. La portée de ces contradictions doit s’apprécier en fonction de l’ensemble des déclarations du demandeur’ (CE 28/10/ 1997 RDE 1997 n/ 95 p. 551) Que dans le cas d'espèce, le récit du requérant étant cohérent, les éléments relevés par le CGRA sont insuffisants pour conclure au caractère manifestement non fondé de la demande d'asile. Seconde branche : la demande de visa Attendu que la partie adverse reproche au requérant d'avoir déclaré à l'OE et au CGRA avoir demandé un visa au consulat de Belgique à Alger, le 29 juillet 2002 alors qu'il ne l'avait demandé que le 3 septembre 2002 ; Qu'or le requérant s'est bien rendu au consulat le 29 juillet 2002 afin d’introduire sa demande de visa mais faute d'avoir apporté une fiche de famille, il n'a pu Ie faire, le requérant est alors retourné chez lui une semaine plus tard, soit aux environs du 4 ou du 5 août 2002, pour prendre le document manquant (rapport audition CGRA p 5); Que ne pourrait porter préjudice au requérant, le fait que l'agent interrogateur du CGRA ne lui a pas demandé quand, précisément, il avait pu introduire sa demande de visa; Attendu que la partie adverse considère que le fait d'avoir demandé un visa le 3 septembre 2002 rend peu crédible la déclaration du requérant suivant laquelle déjà deux jours après l’incident du 5 juillet 2002, il se préparait à quitter le pays ; Qu'or cela n'entame en rien la crédibilité de la déclaration du requérant ; Qu'en effet, le requérant a expliqué que le 7 juillet 2002, soit deux jours après l’incident du 5 juillet, il avait appelé sa soeur qui vit en Belgique pour tout lui raconter et pour lui demander de l'aider à quitter le pays en l’invitant à lui rendre visite de sorte qu'il obtienne un visa (rapport audition OE p 13); Que le requérant se préparait dès lors bien à quitter le pays deux jours après l’incident du 5 juillet 2002 Que la partie adverse considère en outre que le fait d'avoir demandé un visa le 3 septembre 2002, d’une part rend peu crédible la déclaration du requérant suivant laquelle il a quitté Oran le 22 septembre 2002 puisqu'il séjournait à Alger depuis le 3 septembre 2002, d'autre part affecte la chronologie du récit ; Qu'or le fait que le requérant ait demandé un visa à Alger le 3 septembre 2002 n'emporte pas que le requérant y ait résidé depuis lors jusqu'à son départ ; Que, concernant la chronologie du récit, le requérant a expliqué qu'en août 2002, dans l'attente de recevoir son visa, il s'était caché chez son neveu à Oran, que ses parents avaient été prévenus le 19 septembre 2002 que sa demande de visa avait été approuvée, que le 22 XIV-18.428-4/7 septembre 2002, il s'était alors rendu á Alger, où il s'est caché chez son ami M. G. et que le lendemain, il avait été chercher son visa (rapport audition OE p 14); Que ces déclarations concordent avec celles faites lors de l'audition en recours urgent (rapport audition CGRA p 1 et 5) Que le fait que la demande de visa a été introduite le 3 septembre 2002 n'affecte donc pas la chronologie du récit ; Qu'à nouveau, la décision attaquée se base sur le même argument que la précédente qui a été retirée par la partie adverse ; Troisième branche :l'introduction de la demande d'asile Attendu que la partie adverse invoque l'article 52 & 3 de la loi du 15/12/1980 pour reprocher au requérant d'avoir introduit sa demande d'asile le 25 mars 2003 alors que son visa avait expiré le 22 mars 2003 et écarte l'argument que le requérant avance pour justifier 1'introduction de sa demande d'asile quatre mois après son arrivée en Belgique et suivant lequel il était psychologiquement instable premièrement parce qu'il a déclaré que son état était la conséquence de ses problèmes en Algérie, deuxièmement parce que l’introduction dune demande d'asile lui permettait justement de réclamer la protection de Genève, troisièmement parce que malgré son état, il avait pu. suivre la procédure administrative de délivrance d'un visa; Qu'or il est difficile de comprendre de quelle manière ces trois éléments peuvent écarter l'argument du requérant ; Qu'en effet il n’est pas impensable que l’état psychologique d’un candidat à l’asile, soit tel qu'il empêche d'accomplir des démarches ; Qu'en outre, la procédure administrative en délivrance de visa ne peut être comparée à la procédure de demande d'asile ; Que ces deux procédures n’ont en commun que leur nature administrative Que de plus, si le requérant a demandé un visa c’est pour pouvoir quitter l'Algérie, pays où il était persécuté ; Qu'il n'est, en conséquence, pas anormal qu’une fois que le requérant se soit senti à l’abri, la tension retombant, son état psychologique se soit dégradé au point qu'il ait été incapable d’introduire une demande d'asile directement ; Quatrième branche : le certificat de travail et la lettre de la famille du requérant Attendu que la décision attaquée met en cause la crédibilité du récit du requérant au motif qu'il dépose une attestation de travail. dans laquelle il est mentionné que sa fonction est opérateur machine au lieu d'agent de surveillance comme il l’a déclaré lors de ses auditions ; Que Ie requérant a clairement expliqué lors de son audition qu'il n'aurait pu recevoir de visa en tant que surveillant et que, par conséquent, il a demandé à son employeur de changer sa fonction sur l'attestation afin de pouvoir obtenir ce visa Que le requérant ne voit pas en quoi cela remet en cause la crédibilité de son récit et cela d'autant plus que c’est lui même, par le biais de son avocat, qui a attiré l'attention du CORA sur cette particularité lors de l'audition (audition CGRA p. 11), et a clairement expliqué les raisons de cette divergence ; Que de plus, à nouveau, cette argumentation faisait l’objet du recours au Conseil d’Etat qui a abouti au retrait de l’acte attaqué ; Attendu que la décision attaquée reproche également au requérant de déposer une lettre de sa famille où il est inscrit qu'elle a déménagé à la Wilaya de Mostaghanem alors que le fax a été envoyé de Chlef ; Que le requérant ne voit pas en quoi il serait suspect qu’un fax ait été envoyé d’un autre endroit que ce lui où une personne vit et en quoi cela remettait en cause la crédibilité de son récit ; Que cet élément n”est pas suffisant pour déclarer la demande manifestement non fondée Que l’on constate, si l’on reprend l'ensemble des branches du moyen, que les éléments relevés par la partie adverse sont totalement insuffisants même cumulés entre eux ; Que le Conseil d’Etat considère qu'est ‘manifeste au sens de l'article 52 de la loi du 15 décembre 1980 précitée, ce dont l'existence ou la nature s’impose à un esprit raisonnable avec une force de conviction telle que de plus amples investigations n'apparaissent pas nécessaires que certes la Convention Internationale relative au statut de réfugiés, signée à Genève le 28 juillet 1951, approuvée par la loi du 26 juin 1953, laisse un large pouvoir d'appréciation quant à la recevabilité des demandes d'asile et que ce pouvoir a été mis en application par l’article 52 précité qui per-met à l'autorité compétente de faire dépendre la recevabilité dune demande d'asile de la production d’un commencement de preuve, des persécutions invoquées et d’un récit cohérent d’un demandeur d'asile, mais que, pour faire une application régulière de cette disposition légale, les contradictions et incohérences relevées par l'autorité compétente doivent être dune importance telle qu'elles ne sont pas raisonnablement explicables et qu'elles justifient la certitude que le demandeur d'asile na pas la qualité de réfugié’ (CE arrêt n' 93644 du 1er mars 2001) ; Que la partie adverse ne se base sur aucun élément pertinent pour déclarer la demande du requérant non fondée ; XIV-18.428-5/7 Que la partie adverse n'a pas respecté l’obligation légale de motivation formelle et a commis une erreur manifeste d'appréciation en considérant qu'il pouvait être fait application de l’article 52 de la loi du 15 décembre 1980 et rejeter la demande dès le stade de la recevabilité ; Que de plus, la partie adverse s'est contentée de reprendre l'ensemble des moyens de la précédente décision qu'elle a elle même retirée et a pris une nouvelle décision sur base des mêmes motifs sans réexaminer le cas du requérant De sorte que l'acte attaqué doit être annulé.”; 2.
- Overwegende dat de commissaris-generaal tot de conclusie komt dat de aanvraag bedrieglijk is, nadat hij onder meer heeft vastgesteld dat de ernst en de geloofwaardigheid van de voorgehouden vrees van de verzoekende partij wordt ondermijnd door het feit dat zij pas vier maanden na aankomst in België asiel heeft aangevraagd; dat de commissaris-generaal dit determinerend motief als volgt uitwerkt: “(...) De ernst en de geloofwaardigheid van uw vrees worden verder ondermijnd door het feit dat u pas vier maanden na uw aankomst in België asiel heeft gevraagd. U heeft op 25 maart 2003 asiel aangevraagd terwijl uw visum slechts geldig was tot 22 maart
- Bijgevolg heeft u pas asiel aangevraagd nadat uw verblijf heeft opgehouden regelmatig te zijn (Art. 52, §3, 1/ Vr. W.). Uw verklaring dat u psychisch te labiel was om deze procedure op te starten is hiervoor niet afdoende (gehoorverslag CGVS, p 9) aangezien u zelf stelt dat uw psychische toestand het gevolg is van de doorstane problemen in Algerije en u via het indienen van een asielaanvraag precies de bescherming van de Conventie van Genève kan inroepen. Bovendien moet vastgesteld dat u, desondanks uw psychische toestand, wel het nodige heeft gedaan om een visum aan te vragen en hiertoe ook een administratieve procedure te doorlopen. Er is dan ook geen enkele reden waarom u vóór het verlopen van uw visumaanvraag niet in staat zou zijn geweest om de procedure van een asielaanvraag op te starten. Iets wat u naderhand dan toch wel heeft gedaan, zij het laattijdig. Dient te worden aangestipt dat u ter ondersteuning van uw psychische toestand een medisch attest neerlegt dd 1 april 2003 waarin dat u op doktersconsultatie bent geweest en dat u naar een neuropsychiater zal worden doorverwezen. (...).”; Overwegende dat de verzoekende partij met haar betoog daartegen dat het niet ondenkbaar is dat een kandidaat-vluchteling omwille van psychologische problemen niet onmiddellijk een aanvraag kan indienen en dat het aanvragen van een visum een andere administratieve procedure is dan een asielaanvraag, niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het enig middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de overige kritiek van de verzoekende partij is gericht tegen de door de commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheden in haar verklaringen; dat die kritiek echter is gericht tegen overtollige motieven in de zin dat de eventuele gegrondheid ervan niet tot de onwettigheid van de bestreden beslissing kan leiden; dat door die kritiek immers geen afbreuk kan worden gedaan aan het hoger vermeld determinerend motief; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is; XIV-18.428-6/7
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes september tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-18.428-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.597 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div