id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.604 Rolnummer: A. 149840/VII-34061 Zaak: Arrest 148604 - - 07/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-19 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 23:28 Fiche Arrest nr 148.604 van 7 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 148.604 van 7 september 2005 in de zaak A. 149.840/VII-34.061 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat W. MESPREUVE, kantoor houdende te 8930 MENEN, Ieperstraat 116 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, afkomstig uit Kosovo, op 23 maart 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 20 februari 2004 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 14 januari 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 25 februari 2004; Gelet op de beschikking van 29 maart 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 26 mei 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 29 juni 2005; VII-34.061-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. VANHERPE, die, loco advocaat W. MESPREUVE, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 22 december 2003 en verklaarde zich op 23 december 2003 vluchteling. 1.
- Op 14 januari 2004 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 20 februari 2004 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt: "A. Vluchtrelaas U werd gehoord op 10 februari 2004 op de zetel van het Commissariaat-generaal in aanwezigheid van een tolk die de Albanese taal machtig is. Volgens uw verklaringen bent u een etnische Albanees, afkomstig uit Gjakovë, Kosovo (Servië-Montenegro). Op 10 mei 1999 zou u niet ver van uw woning samen met nog driehonderd andere personen gearresteerd zijn door de Servisch militairen en politieagenten. Uw familieleden zouden terug vrijgelaten zijn, maar u zou naar een oude opslagplaats gebracht zijn. Op 15 mei 1999 zou u zijn overgebracht naar de gevangenis van Pejë en vervolgens naar de gevangenis in Istog. De rechtzaak zou plaatsgevonden hebben in Nis, Servië. Daar zouden u en nog honderdvierenveertig andere beschuldigden op 21 mei 2000 door de arrondissementsrechtbank van Pejë veroordeeld zijn tot gevangenisstraffen van zeven tot dertien jaar wegens terroristische activiteiten. Tegen het vonnis werd beroep ingesteld bij het Hooggerechtshof van Belgrado. Op 23 april 2001 annuleerde het Hooggerechtshof het vonnis en verwees de zaak voor een nieuwe beoordeling in eerste aanleg. Op 25 april 2001 zouden u en de andere veroordeelden, de zogenoemde ‘Groep van Gjakovë’, mede onder druk van de internationale gemeenschap, vrijgelaten zijn. Zes maanden na uw invrijheidstelling zouden uw problemen met de families van verdwenen Albanezen begonnen zijn. Zij zouden u verdacht hebben van samenwerking met de Serviërs om zo uw vrijlating te bekomen. U zou een eerste maal bedreigd zijn in oktober 2001 tijdens een protestmars in Gjakovë. Een aantal burgers zouden toen tegen u gezegd hebben dat hun familieleden nog niet werden teruggevonden en dat u een verrader was. In die periode VII-34.061-2/6 zouden ook de dreigtelefoontjes begonnen zijn. U zou van drie verschillende onbekenden wekelijks dreigtelefoontjes ontvangen hebben. U zou hiertegen geen klacht hebben ingediend bij de politie of een andere overheidsinstanties omdat u dat niet veilig vond. Toen op 28 december 2003 vanuit Servië lichamen van verdwenen personen overgebracht zouden zijn naar Kosovo, zou de spanning opnieuw gestegen zijn. Ook de dreigtelefoons zouden in die periode toegenomen zijn. Tijdens de begrafenisplechtigheid van één van de slachtoffers van de Kosovo- oorlog zouden de nabestaanden u duidelijk gemaakt hebben dat u daar niet welkom was. Omdat u vreesde dat u opnieuw zou opgesloten worden als één van de ‘Groep van Gjakovë’ aangezien uw zaak nog steeds niet afgesloten is en het statuut van Kosovo nog niet geregeld is en omdat u voortdurend bedreigd werd door familieleden van vermiste personen van Gjakovë, zou u besloten hebben uw land te verlaten. Op 18 december 2003 bent u vanuit Gjakovë vertrokken richting België, waar u op 22 december 2003 bent aangekomen en de volgende dag asiel aanvroeg. U bent in het bezit van uw UNMIK-identiteitskaart, uitgereikt te Prishtinë op 22 juni 2001; uw arbeidscontract bij de ICMC, uitgereikt op 4 november 2003 ; uw veroordeling uitgesproken op 21 mei 2000 ; een beslissing van de MUP van Gjakovë om u in voorhechtenis te nemen, uitgereikt op 15 mei 1999 ; een verklaring van de gemeenteraad van Gjakovë waaruit blijkt dat u in de gevangenis hebt verbleven, uitgereikt op 21 augustus 2001 ; een bevestiging van uw hechtenis door het Internationaal Comité van het Rode Kruis, uitgereikt op 30 oktober 2001 te Skopje; een verklaring van de "Vereniging van voormalig politieke gevangenen 143+2 van Gjakovë" ter staving van uw veroordeling en hechtenis, uitgereikt op 23 september 2003 ; een bevestiging van de registratie van voornoemde verenging als NGO door UNMIK, uitgereikt op 4 september 2001; een (collectieve) akte van beschuldiging, uitgereikt op 10 januari 2001 te Leskovac; een uitspraak van het Servisch Hooggerechtshof in Belgrado van 23 april 2001, volgens dewelke uw veroordeling tenietgedaan en uw dossier opnieuw verwezen werd naar een rechtbank van eerste aanleg en een brief van uw advocaat, opgemaakt op 1 december 2003 in Gjakovë, waarin hij bevestigt dat uw akte van inbeschuldigingstelling door de rechtbank in Belgrado is teruggestuurd naar de rechtbank van eerste aanleg en nog niet afgesloten is. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende objectieve feiten heeft aangehaald waaruit blijkt dat u Kosovo in december 2003 hebt verlaten uit een vrees voor vervolging in de zin van de vluchtelingenconventie of dat u alsnog bedoelde vrees dient te hebben bij een eventuele terugkeer. Wat uw vrees betreft om opnieuw veroordeeld en opgesloten te worden dient te worden vastgesteld dat, niettegenstaande nog geen beslissing werd genomen over het uiteindelijke statuut van Kosovo, de politieke context en de objectieve situatie in Kosovo en Servië veranderd is sinds uw (later nietigverklaarde) veroordeling. In overeenstemming met Resolutie 1244, aangenomen door de VN-Veiligheidsraad op 10 juni 1999, werd Kosovo onder internationaal toezicht en civiel bestuur (United Nations Interim Administration Mission Kosovo (UNMIK)) geplaatst en werd de regio volledig onttrokken aan de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende bevoegdheden van de Servische autoriteiten. De opbouw en de werking van een onafhankelijke rechterlijke macht werd er toevertrouwd aan UNMIK. Een rechtssysteem gekenmerkt door een correcte en onpartijdige rechtsgang werd hierbij vooropgesteld. De internationale gemeenschap waakt over de naleving van de minimumvoorwaarden voor een eerlijk proces. Na de val van Milosevic in 2000 en de aantreding van een nieuwe regering in Servië is er een geleidelijke toenadering tussen UNMIK en de nieuwe Servische regering. Uw veroordeling tot dertien jaar gevangenisstraf werd door de beslissing van het Hooggerechtshof van Belgrado van 23 april 2001 nietig verklaard. Deze nietigverklaring berust op talrijke procedurefouten en tekortkomingen in de bewijslast. De beslissing toont de ongegrondheid van de tegen u uitgesproken veroordeling aan. In het licht van al deze gegevens dient te worden gesteld dat uit niets blijkt dat bij een effectieve herneming/herziening van uw zaak u geen eerlijk proces voor een onpartijdige rechter zou krijgen en/of opnieuw veroordeeld zou worden. Het verloop van een nieuw proces zou, net zoals de behandeling van uw zaak door het Hooggerechtshof en uw invrijheidstelling, op kritische wijze gevolgd worden door de VII-34.061-3/6 internationale gemeenschap en verschillende internationale en lokale organisaties zoals Amnesty International en het Humanitarian Law Center. De door u aangehaalde problemen met familieleden van vermiste Albanezen zijn van privaatrechterlijke, strafrechterlijke aard. U hebt in uw opeenvolgende verklaringen niet aannemelijk gemaakt dat u om één van de redenen zoals voorzien in de Conventie naar aanleiding van deze problemen geen beroep kon doen op de bescherming van de lokale autoriteiten of de ter plaatse aanwezige vertegenwoordigers van de internationale gemeenschap. Het feit dat iedereen elkaar kent in Gjakovë en u het daarom niet veilig vond om de autoriteiten van uw moeilijkheden op de hoogte te brengen is weinig objectief of overtuigend en aldus onvoldoende om uw nalaten te verantwoorden. In dit verband dient gesteld dat uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan kopie in bijlage in het administratie dossier blijkt dat de in Kosovo aanwezige autoriteiten wel degelijk ernstige inspanningen levert en er ook in slaagt om de criminaliteit in Kosovo aan te pakken en aanzienlijk terug te dringen. De neergelegde beslissing tot voorlopige hechtenis, de rechterlijke uitspraken, de verklaring van het Rode Kruis en de verklaring van de gemeenteraad van Gjakovë, bevestigen enkel uw aanvankelijke veroordeling en detentie. Deze feiten en elementen worden op zich echter niet betwist. De verklaring van uw advocaat over een mogelijk vervolg van het proces doet geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen aangaande de fundamenteel gewijzigde politieke en institutionele situatie in Kosovo en Servië. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". Dit is de bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van artikel 1, (A), 2 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953; dat de verzoekende partij kritiek levert op de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en op de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt; Overwegende dat de verzoekende partij er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal, en de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de asielaanvraag te beoordelen, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, wanneer hij een VII-34.061-4/6 administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat vaststellen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat de verzoekende partij niet aanvoert, en bijgevolg evenmin aantoont, dat de motieven onredelijk zouden zijn; dat te dezen de commissaris-generaal van oordeel is dat door de resolutie 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties de Servische troepen zich uit Kosovo hebben teruggetrokken en de regio onder internationaal toezicht werd geplaatst, zodat de door de verzoekende partij ingeroepen vrees voor Servische repressie ten aanzien van de Albanese bevolking in Kosovo niet meer actueel is; dat de verzoekende partij geen concrete gegevens aanbrengt waaruit zou kunnen blijken dat er in haar land van herkomst thans nog in haren hoofde een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève zou bestaan; dat het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de commissaris-generaal op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uitmaakt; dat de kritiek op dat onderdeel van de bestreden beslissing, waarin wordt gesteld dat de problemen van de verzoekende partij met familieleden van vermiste Albanezen van privaatrechtelijke en strafrechtelijke aard zijn, in hoofdzaak gericht is tegen een bijkomend motief en derhalve niet tot nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van het gelijkheidsbeginsel, doordat de asielaanvraag van een dorpsgenoot van de verzoekende partij, die zich in dezelfde situatie bevond, ontvankelijk werd verklaard; Overwegende dat het in de Grondwet vastgelegde gelijkheidsbeginsel vereist dat allen die zich in een zelfde feitelijke en rechtstoestand bevinden, op gelijke wijze worden behandeld; dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel als zodanig te dezen niet relevant is; dat de verzoekende partij wel beweert doch niet bewijst dat zij zich in dezelfde feitelijke rechtstoestand bevindt als haar dorpsgenoot; dat de verzoekende partij derhalve niet aannemelijk maakt dat het gelijkheidsbeginsel met de bestreden beslissing geschonden is; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat het derde middel luidt als volgt: VII-34.061-5/6 "Schending van de zorgvuldigheidsnorm en de rechten van verdediging Er werd onvoldoende rekening gehouden met de door verzoeker aangehaalde elementen in het dringend beroep."; Overwegende dat de verzoekende partij in de uiteenzetting van haar derde middel uiterst summier is en geenszins met concrete en relevante gegevens aantoont in welke zin de bestreden beslissing de door haar aangehaalde beginselen zou schenden; dat het derde middel niet ontvankelijk is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven september tweeduizend en vijf, door de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. HUYGHEBAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, W. HUYGHEBAERT. E. BREWAEYS. VII-34.061-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.604 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div