← België

Arrest 148607 - - 07/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.607 Rolnummer: A. 125860/VII-34057 Zaak: Arrest 148607 - - 07/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-19 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 23:28 Fiche Arrest nr 148.607 van 7 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 148.607 van 7 september 2005 in de zaak A. 125.860/VII-34.057 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat D. MONFILS, kantoor houdende te 1090 BRUSSEL, R. Soetensstraat 12 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Oezbeekse nationaliteit, op 22 augustus 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 22 juli 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 10 augustus 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 30 augustus 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 26 mei 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 29 juni 2005; VII-34.057-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die, loco advocaat D. MONFILS, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij kwam België binnen op 24 oktober 1999 en verklaarde zich op 25 oktober 1999 vluchteling. 1.2. Op 10 augustus 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 22 juli 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag onontvankelijk was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u de toegang tot het grondgebied werd geweigerd. De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 29 mei 2002 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). U kan tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring of/en een beroep tot schorsing, eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid, instellen voor de afdeling Administratie van de Raad van State. Deze beroepen zijn niet opschortend. VII-34.057-2/7 Dit is de bestreden beslissing. 2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel het volgende stelt: "Schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (materiële onjuistheid van de feitelijke motieven) en schending van het principe van goede bestuur en schending van het algemeen rechtsprincipe van de gelijkheid van de burgers voor de administratieve overheid. Verzoekster werpt een eerste middel op wegen schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Dit middel is in casu versterkt door middelen wegens schending van het principe van goede bestuur en ook schending van het algemeen rechtsprincipe van de gelijkheid van burgers voor de administratieve overheid. De Raad van State is belast met het onderzoeken van het feit of 'l'autorité dont l'acte adminstratif émane n'a pas tenu pour établis des fait qui ne résultent pas de son dossier, si elle a conné à ceux-ci une interprétation non déraisonnable et si cette interprétation ne procède pas d'une erreur manifeste d'appréciation' (F. Bernard, La pocédure belge de reconnaissance de la qualité de réfugié à l'épreuve de la censure du Conseil d'Etat, R.D.E., 1999, p. 114). In casu, is het ten onrechte dat het Commissariaat-Generaal heeft gedacht objectieve elementen uit het dossier te moeten afleiden, nl. 'U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 29 mei 2002 op uw gekozen woonplaats'. De vraag tot inlichtingen wordt aan verzoekster op haar adres 'rue de la Bougie 16- 1070 Anderlecht' gericht. Toch uit het dossier blijkt dat de vraag om inlichtingen d.d. 29 mei 2002 niet door verzoekster wordt gekregen en dat deze verzending naar het C.G.V.S. wordt teruggestuurd. Op deze datum had verzoekster inderdaad haar verblijfplaats veranderd en woonde zij op haar huidig adres 'rue J.B. Van Pé 18/4D - 1190 Forest'. Dit nieuw adres stemt trouwens overeen met het adres dat in het wachtregister staat waarvan een uittreksel (van mei 2002) zich in het administratief dossier bevindt. Het C.G.V.S. was dus goed geplaatst om de reden te kennen waarom verzoekster aan de vraag tot inlichtingen geen gevolg had gegeven, en waarvoor een verzending aan het vorig adres was gericht 'rue de la Bougie 16 - 1070 Anderlecht' De aangevochten beslissing is aldus manifest aangetast met een schending van het motiveringsbeginsel (materiële onjuistheid van de feitelijke motieven). Dit is eveneens een schending van de verplichting tot goed beheer die de administratie verplicht de elementaire regels van voorzichtigheid en nauwkeurigheid na te leven in al haar verzendingen. Bovendien gaat het hier om een schending van het algemeen rechtsprincipe van de gelijkheid van burgers voor de administratieve overheid. Inderdaad gebeurt het in sommige dossiers vaak dat het C.G.V.S. een oproeping of een vraag om inlichtingen samen Op de gekozen woonplaats en op het effectief adres stuurt (Zie bijvoorbeeld dossiers CG/98/23823/45/RB2691/if - CG/00/38662). Indien het C.G.R.A. op dezelfde wijze was tewerk gegaan, dan zou verzoekster kennis hebben gekregen van het verzoek tot inlichtingen en zou zij hierop kunnen antwoorden hebben. Zij is aldus onjuist en zonder reden slachtoffer van een discriminatie in vergelijking met andere kandidaat politiek vluchtelingen."; VII-34.057-3/7 Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de vraag om inlichtingen naar de verzoekende partij werd verzonden op het adres waar zij woonplaats had gekozen; dat de verzoekende partij haar beweerde adresverandering niet ter kennis had gebracht van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zoals voorgeschreven door artikel 51/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat op de commissaris-generaal niet de plicht rust om de adresgegevens van de kandidaat-vluchteling in het wachtregister te controleren; dat anders aan de duidelijke tekst van artikel 51/2 van de Vreemdelingenwet elke zin zou worden ontnomen; dat de verzoekende partij niet duidelijk en concreet aantoont waarin de beweerde schending van het gelijkheidsbeginsel te dezen zou bestaan; dat het middel niet gegrond is; 2.2. Overwegende dat in een tweede middel het volgende wordt ingeroepen: "Schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (materiële onjuistheid van de feitelijke motieven) Verzoekster werpt een tweede middel op wegens schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

  1. a)Eerste deel van het middel: Volgens J. Salmon, "une décision administrative est dépourvue de base juridique (et est par conséquent entachée d'un vice de motivation) lorsque celle sur laquelle a cru pouvoir se flonder l'autorité administrative était inapplicable en l'espèce" (J. Salmon, Le Conseil d'Etat, Bruylant, 1994, tome I, p. 474). In casu heeft het Commissariaat-Generaal haar beslissing uitdrukkelijk gegrond op artikel 52 (paragraaf 2, alinea 4) van de wet van 15 december 1980. Dit artikel kan in casu nochtans met worden toegepast, daar het slechts betrekking heeft op de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn aangestelde (cfr: 'de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft... ") en geenszins op het Commissariaat-Generaal. De Commissaris Generaal is niet de aangestelde van de Minister van Binnenlandse Zaken en handelt in volledige onafhankelijkheid, overeenkomstig artikel 57-2 van de wet van 15 december 1980. De bepalingen, welke toepasselijk zijn op zijn handeling, bevinden zich niet in artikel 52 van de wet, maar wel verder in de wet. De aangevochten beslissing is aldus manifest aangetast door een eerste schending van het motiveringsbeginsel (motieven naar recht).
  2. b)Tweede deel van het middel: Verzoekster verwijt ook het Commissariaat Generaal zijn beslissing op artikel 52 van de wet van 15 december 1980 gebaseerd te hebben, zonder verder te verduidelijken welk van de onderdelen van dit erg lang artikel van toepassing is in concreto. Welnu, dit artikel omvat ongeveer twintig verschillende toepassingsgevallen - zodat het noodzakelijk is te verduidelijken welk toepassingsgeval toepassing kent, opdat een lezer die buitenstaander is de betwiste beslissing zou begrijpen. VII-34.057-4/7 Het Commissariaat-Generaal was tot voor kort trouwens duidelijker in zulke zaken, waarbij het met meer precisie artikel 52.2.4 van de wet beoogde."; Overwegende dat wat de verzoekende partij in het eerste onderdeel van het middel inroept geen uitstaans heeft met de geschonden geachte motiveringsplicht; dat overigens op grond van artikel 63/2 van de Vreemdelingenwet een dringend beroep kan worden ingesteld bij de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat deze krachtens artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet de aangevochten beslissing ofwel kan bevestigen ofwel kan beslissen dat een verder onderzoek noodzakelijk is; dat de criteria op grond waarvan de commissaris-generaal de asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren, niet uitdrukkelijk in de wet werden opgenomen; dat de verschillende onontvankelijkheidsgronden waarop de minister van Binnenlandse Zaken zich kan beroepen, opgesomd worden in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat aangezien de commissaris-generaal de weigering van verblijf, genomen door de minister van Binnenlandse Zaken, kan bevestigen, hij dit eveneens kan doen op basis van dezelfde onontvankelijkheidsgronden; dat er derhalve geen sprake kan zijn van enige machtsoverschrijding; dat de verzoekende partij voorts geen belang heeft bij het tweede onderdeel, nu zij op ondubbelzinnige wijze aangeeft dat zij wist op grond van welke juiste wetsbepaling de bestreden beslissing werd genomen; dat het middel niet gegrond is; 2.3. Overwegende dat de verzoekende partij als derde middel het volgende inroept: "
  3. c)Derde middel: schending van het motiveringsbeginsel en meer bepaald van de wet van 29 juli 1991 met betrekking tot de formele motivering van administratieve handelingen en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 over de toegang op het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en schending van de artikelen 52.2.4 van de wet van 15 december 1980, in zoverre dat de betwiste beslissing een ongeschikte interpretatie van dit artikel gebruikt, -waar ze de weigering van het verblijf automatisch afleidt uit de afwezigheid van een antwoord op een vraag tot inlichtingen of van een reactie op een oproeping Verzoekster brengt een derde middel naar voor dat tegelijkertijd gebaseerd is op de schending van het motiveringsbeginsel (met name van de wet van 29 juli 1991 met betrekking tot de formele motivering van administratieve handelingen en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 over de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen) en van het artikel 52 van de voornoemde wet. Wanneer men de beslissing leest, lijkt inderdaad dat het in de geest van de overheid, die tegenpartij is, zeer duidelijk is dat de afwezigheid van enig antwoord op een vraag tot inlichtingen binnen de termijn van een maand of de afwezigheid van reactie op een oproeping, de weigering van de hoedanigheid van politiek vluchteling tot onmiddellijk gevolg heeft. De termen die gebruikt worden door de overheid, die tegenpartij is, laten inderdaad geen enkele twijfel op dit vlak bestaan (cfr 'U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven ... '). Het gaat hier echter om een fout begrip van het artikel 52 van de wet van 15 december 1980 over de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen en bijgevolg om een foute toepassing van een rechtsregel, namelijk nog om een foute motivering op juridisch vlak. VII-34.057-5/7 Dit artikel voorziet wel degelijk dat 'de Minister kan beslissen dat de vreemdeling ....' (artikel 52.2.4). Het feit dat de wetgever het woord « kan » gebruikt, bewijst dus wel degelijk dat de wetgever niet op automatische wijze de afwezigheid van inlichtingen wenst te sanctioneren met het ontzeggen van de hoedanigheid van vluchteling. Door een motivering te gebruiken die nochtans toelaat zich zulk automatisme m te denken, ter ondersteuning van haar beslissing en door er bovendien een stijlclausule van te maken die systematisch hernomen wordt in al haar beslissingen, heeft de overheid niet alleen een te ruime opvatting aan de rechtsregel gegeven en heeft ze de betekenis ervan met gerespecteerd, maar heeft ze haar beslissing bovendien met een schending van het motiveringsbeginsel aangetast."; Overwegende dat de bestreden beslissing is gemotiveerd; dat zij de feitelijke elementen aangeeft die de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ertoe gebracht hebben artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet toe te passen; dat niet wordt betwist dat de verzoekende partij geen gevolg heeft gegeven aan de vraag om inlichtingen; dat deze vaststelling volstond om de door de minister uitgesproken weigering van verblijf te bevestigen; dat de commissaris-generaal te dezen impliciet maar zeker mocht veronderstellen dat een asielzoeker, die, zonder daarvoor een geldige reden te kunnen inroepen, geen belangstelling heeft voor het onderzoek van zijn asielaanvraag, het risico loopt dat die aanvraag onontvankelijk wordt verklaard; dat dergelijk evident gevolg, dat overigens in een uitdrukkelijke wettekst werd neergelegd, geen nadere motivering behoeft; dat het middel niet gegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-34.057-6/7 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven september tweeduizend en vijf, door de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. HUYGHEBAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, W. HUYGHEBAERT. E. BREWAEYS. VII-34.057-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.607 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.