id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.612 Rolnummer: A. 124752/VII-27427 Zaak: Arrest 148612 - - 07/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-20 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 23:29 Fiche Arrest nr 148.612 van 7 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 148.612 van 7 september 2005 in de zaak A. 124.752/VII-27.427 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat D. MONFILS, kantoor houdende te 1090 BRUSSEL, R. Soetensstraat 12 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Oekraïense nationaliteit, op 31 juli 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 10 juli 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 28 mei 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 16 september 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 26 mei 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 29 juni 2005; VII-27.427-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die, loco advocaat D. MONFILS, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij kwam België binnen op 12 november 2000 en verklaarde zich op 14 november 2000 vluchteling. 1.2. Op 28 mei 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 10 juli 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag onontvankelijk was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de oproeping vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 3 juni 2002 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). U kan tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring of/en een beroep tot schorsing, eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid, instellen voor de afdeling Administratie van de Raad van State. Deze beroepen zijn niet opschortend.". VII-27.427-2/6 Dit is de bestreden beslissing. 2.1. Overwegende dat in een eerste middel het volgende wordt ingeroepen: "
- a)Eerste middel: schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (materiële onjuistheid van de feitelijke motieven) en schending van het principe van goede bestuur schending van het artikel 57.8 van de wet van 15 december 1980 Verzoekster werpt een eerste middel op wegens schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Deze middel is in casu versterkt door middelen wegens schending van het principe van goede bestuur en ook schending van het artikel 57.8 van de wet van 15 december 1980 De Raad van State is inderdaad belast met het onderzoeken van het feit of "l'autorité dont l'acte administratif émane n'a pas tenupour établis des faits qui ne résultent pas de son dossier, si elle a donné à ceux-ci une interprétation non déraisonnable et si cette interprétation ne procède pas d'une erreur manifeste d'appréciation " (F. Bemard, La procédure belge de reconnaissance de la qualité de réfuglé à l'épreuve de la censure du Conseil d'Etat, R.D.E., 1999, p. 114). In casu, is het ten onrechte dat het Commissariaat-Generaal heeft gedacht objectieve elementen uit het dossier te moeten afleiden, nl. "U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de oproeping vervat m de brief die u aangetekend werd verstuurd op 03 juni 2002 op uw gekozen woonplaats". Inderdaad, kan men in het dossier zien dat de oproeping werd verzonden naar het volgende adres «Gentsesteenweg 238 - 1080 Brussel». Het artikel 57.8 van de wet van 15 december 1980 voorziet dat elke beslissing naar de woonplaats van keuze van de betrokkene wordt verzonden. In casu, heeft verzoekster «c/o R. Quintelier - Plantin & Moretuslei 141 te 2140 Antwerpen» woonplaats gekozen (zie daarom verso van bijlage 26bis en akte van betekening van dit bijlage). Daarna heeft verzoekster (voor de oproeping van het C.G.V.S.) geen andere gekozen woonplaats gegeven en in het dringend beroep van zijn vorige advokaat was het adres «Gentsesteenweg 238 - 1080 Brussel» alleen als verblijfplaats gegeven en niet als gekozen woonplaats (cfr. «wonendé te Gentsesteenweg 238 - 1080 Brussel» en niet «waar mijn cliënte woonplaats heeft gekozen»). Het C.G.V.S. moest de oproeping bij aangetekend schrijven aan verzoeker c/o R. Quintelier - Plantin & Moretuslei 141 te 2140 Antwerpen opsturen. Nochtans werd de oproeping van 23 juli 2001 verzonden naar het volgende adres «rue Pucini 33 - 1070 Brussel» -hetgeen dus een onjuist gekozen woonplaats opgestuurd. In deze omstandigheden kan niet worden beschouwd dat de oproeping van 03 juni 2002 op de gekozen woonplaats van verzoeker werd opgestuurd. De aangevochten beslissing is aldus manifest aangetast met een schending van het motiveringsbeginsel (dubbele materiële onjuistheid van de feitelijke motieven). Bovendien gaat het hier om een schending van artikel 57.8 van de wet van 15 december 1980 dat voorziet dat elke vraag om inlichtingen naar de woonplaats van keuze van de betrokkene wordt verzonden - hetgeen veronderstelt dat de verzending naar het juiste adres van gekozen woonplaats, aangeduid door de kandidaat, gebeurt. VII-27.427-3/6 Dit is eveneens een schending van de verplichting tot goed beheer die de administratie verplicht de elementaire regels van voorzichtigheid en nauwkeurigheid na te leven in al haar verzendingen."; Overwegende dat de verzoekende partij de oproepingsbrief heeft ontvangen, nu zij, zoals zij in haar tweede middel (tweede onderdeel) zelf aangeeft, daarop heeft gereageerd; dat haar belangen niet werden geschaad door de beweerde onregelmatigheid; dat het middel niet gegrond is; 2.2. Overwegende dat in een tweede middel het volgende wordt ingeroepen: "
- b)Tweede middel: schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (materiële onjuistheid van de feitelijke motieven) Verzoekster werpt een tweede middel op wegens schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
- a)Eerste deel van het middel: Volgens J. Salmon, "une décision administrative est dépourvue de base juridique (ei est par conséquent entachée d'un vice de motivation) lorsque celle sur laquelle a cru pouvoir se flonder l'autorité administrative était inapplicable en l'espèce" (J. Salmon, Le Conseil dEtat, Bruylant, 1994, tome 1, p. 474). In casu heeft het Commissariaat-Generaal haar beslissing uitdrukkelijk gegrond op artikel 52 (paragraaf 2, alinea 4) van de wet van 15 december 1980. Dit artikel kan in casu nochtans niet worden toegepast, daar het slechts betrekking heeft op de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn aangestelde (cfr : " de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft... ")en geenszins op het Commissariaat-Generaal. De Commissaris Generaal is niet de aangestelde van de Minister van Binnenlandse Zaken en handelt in volledige onafhankelijkheid, overeenkomstig artikel 57-2 van de wet van 15 december 1980. De bepalingen, welke toepasselijk zijn op zijn handeling, bevinden zich niet in artikel 52 van de wet, maar wel verder in de wet. De aangevochten beslissing is aldus manifest aangetast door een eerste schending van het motiveringsbeginsel (motieven naar recht).
- b)Tweede deel van het middel: De Raad van State is ook belast met het onderzoeken van het feit of " l'autorité dont l'acte administratif émane n'a pas tenu pour établis des faits qui ne résultent pas de son dossier, si elle a donné à ceux-ci une interprétation non déraisonnable et si cette interprétation ne procède pas d'une erreur manifeste d'appréciation " (F. Bemard, La procédure belge de reconnaissance de la qualité de réfugié à l'épreuve de la censure du Conseil d'Etat, R.D.E., 1999, p. 114). In casu heeft het Commissariaat-Generaal in haar beslissing ten onrechte een verzending van verzoekster d.d. 14 juni 2002 (die toch in het administratieve dossier zit) niet in overweging genomen. In haar brief had verzoekster nochtans uitgelegd waarom het voor haar onmogelijk was naar het C.G.V.S. te gaan en haar problemen schriftelijk te beschrijven. Zij heeft ook uitgelegd waarom het moeilijk was haar problemen schriftelijk te beschrijven. Volgens het motiveringsbeginsel moest het C.G.V.S. ten minste een verwijzing maken naar dit schrijven in de aangevochten beslissing, bijvoorbeeld om te zeggen in hoeverre dit schrijven niet kon beschouwd worden als een antwoord van verzoekster op de oproeping of op de vraag tot inlichtingen. VII-27.427-4/6 Door niet de minste verwijzing te maken naar het schrijven d.d. 14 juni 2002 van verzoekster, heeft het C.G.V.S. het motiveringsbeginsel geschonden.
- c)Derde deel van het middel In casu is het ook ten onrechte dat het Commissariaat-Generaal heeft gedacht objectieve elementen uit het dossier te moeten afleiden, nl. "U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de oproeping vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 03 juni 2002 op uw gekozen woonplaats". Inderdaad de verzending van verzoekster van 14 juni 2002 is wel degelijk een gevolg, gegeven naar aanleiding van de oproeping van 03 juni 2002 - zodat het Commissariaat niet kan besluiten tot de afwezigheid van enig gevolg op deze oproeping.
- d)Vierde deel van het middel Verzoekster verwijt het Commissariaat Generaal tenslotte zijn beslissing op artikel 52 van de wet van 15 december 1980 gebaseerd te hebben, zonder verder te verduidelijken welk van de onderdelen van dit erg lang artikel van toepassing is in concreto. Welnu, dit artikel omvat ongeveer twintig verschillende toepassingsgevallen - zodat het noodzakelijk is te specifiëren welk van toepassing is, opdat een lezer die buitenstaander is de betwiste beslissing zou begrijpen. Het Commissariaat Generaal was tot voor kort trouwens duidelijker in zulke zaken, waarbij het met meer precisie artikel 52.2.4 van de wet beoogde."; Overwegende dat wat de verzoekende partij in het eerste onderdeel van het middel inroept geen uitstaans heeft met de geschonden geachte motiveringsplicht; dat overigens op grond van artikel 63/2 van de Vreemdelingenwet een dringend beroep kan worden ingesteld bij de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat deze krachtens artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet de aangevochten beslissing ofwel kan bevestigen ofwel kan beslissen dat een verder onderzoek noodzakelijk is; dat de criteria op grond waarvan de commissaris-generaal de asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren, niet uitdrukkelijk in de wet werden opgenomen; dat de verschillende onontvankelijkheidsgronden waarop de minister van Binnenlandse Zaken zich kan beroepen, opgesomd worden in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat aangezien de commissaris-generaal de weigering van verblijf, genomen door de minister van Binnenlandse Zaken, kan bevestigen, hij dit eveneens kan doen op basis van dezelfde onontvankelijkheidsgronden; dat er derhalve geen sprake kan zijn van enige machtsoverschrijding; dat de verzoekende partij weliswaar schriftelijk had gemeld dat zij om gezondheidsredenen niet aanwezig kon zijn op het verhoor van 13 juni 2002, maar naliet de documenten over te leggen die zulks konden staven; dat dit nochtans -zoals de verwerende partij doet opmerken- was geëist in de oproepingsbrief; dat de verzoekende partij dit niet in vraag stelt; dat de commissaris-generaal er bijgevolg terecht mocht van uitgaan dat de verzoekende partij zonder wettige reden geen gevolg had gegeven aan de oproeping; dat de verzoekende partij voorts geen belang heeft bij het vierde onderdeel, nu zij op ondubbelzinnige wijze aangeeft dat zij wist op grond van welke juiste wetsbepaling de bestreden beslissing werd genomen; dat het middel niet gegrond is; VII-27.427-5/6 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven september tweeduizend en vijf, door de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. HUYGHEBAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, W. HUYGHEBAERT. E. BREWAEYS. VII-27.427-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.612 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div