id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.658 Rolnummer: A. 165701/XIV-23478 Zaak: Arrest 148658 - - 07/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-09 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 23:29 Fiche Arrest nr 148.658 van 7 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.658 van 7 september 2005 in de zaak A. 165.701/XIV-23.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat V. VEREECKE, kantoor houdende te 8310 BRUGGE, Baron Ruzettelaan 178 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 3 september 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met beslissing tot terugleiding naar de grens, van 30 augustus 2005; Gelet op de beschikking van 5 september 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 5 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 september 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat V. VEREECKE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-23.478-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.Over de feitelijke gegevens van de zaak.
- Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- Verzoekster komt samen met haar echtgenoot in België aan op 11 januari 2001 teneinde er asiel aan te vragen. 1.
- Op 16 januari 2001 wordt haar asielaanvraag onontvankelijk verklaard. Op 14 februari 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. Het beroep tegen deze beslissing werd bij ’s Raads arrest nr. 144.588 van 16 januari 2003 verworpen. 1.
- Op 23 augustus 2003 diende verzoekster een aanvraag om machtiging tot verblijf in. Deze aanvraag werd geweigerd op 27 juli
- 1.
- Op 30 augustus 2005 werd aan verzoekster een bevel afgegeven om het grondgebied te verlaten, met beslissing tot terugleiding en vrijheidsberoving te dien einde. Dit bevel is als volgt gemotiveerd: “Artikel 7, eerste lid, 1/, verblijft in het Rijk zonder houder te zijn van de vereiste documenten; de betrokkene is niet in het bezit van een geldig paspoort voorzien van een geldig visum. (...) Met toepassing van artikel 7, tweede lid van dezelfde wet, is het noodzakelijk om de betrokkene zonder verwijl naar de grens te doen terugleiden, met uitzondering van de grens met Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Nederland, Portugal, Spanje, Italië, Griekenland, Oostenrijk, Noorwegen, Zweden, IJsland, Finland en Denemarken, om de volgende reden: * Betrokkene kan met haar eigen middelen niet wettelijk vertrekken. * Betrokkene weigert manifest om op eigen initiatief een einde te maken aan haar onwettige verblijfssituatie, zodat een manu militari tenuitvoerlegging van de grensleiding noodzakelijk is. (...) Met toepassing van artikel 7, derde lid, van dezelfde wet, dient de betrokkene opgesloten te worden, aangezien haar terugleiding naar de grens niet onmiddellijk kan uitgevoerd worden: * Hoewel zij voorheen betekening kreeg van een verwijderingsmaatregel, is het weinig waarschijnlijk dat zij vrijwillig gevolg zal geven aan deze nieuwe beslissing; betrokkene is opnieuw aangetroffen in onwettig verblijf.”;
- Over de ontvankelijkheid. XIV-23.478-2/4 2.
- Overwegende dat de verwerende partij stelt dat verzoekster geen belang heeft bij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, aangezien het bestreden bevel een loutere uitvoeringsmaatregel is, die geen effecten heeft op de reeds illegale verblijfssituatie van verzoekster; 2.
- Overwegende dat op 14 februari 2001 de verblijfsgrond van verzoekster, zijnde een voorlopige verblijfstitel lopende haar asielprocedure, een einde neemt; dat verzoekster vanaf het einde van de asielprocedure niet meer over een grond tot verblijf beschikt en geen verzoek tot machtiging tot verblijf nog hangende is; dat verzoekster sedertdien illegaal in het land verblijft; dat op 30 augustus 2005 de Minister van Binnenlandse Zaken op grond van artikel 7 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, verzoekster een bevel geeft om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat de vernietiging van dit bevel door de Raad van State geen wijziging in de rechtstoestand van verzoekster met zich meebrengt en dat de Minister van Binnenlandse Zaken in geval van vernietiging van het bestreden bevel enkel opnieuw kan vaststellen dat verzoekster onregelmatig op het grondgebied verblijft en derhalve opnieuw een bevel dient af te geven om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat verzoekster bijgevolg geen wettig belang heeft bij de vernietiging van het bestreden bevel; dat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dienvolgens niet ontvankelijk is; BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven september tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-23.478-3/4 C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-23.478-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.658 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.