id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.699 Rolnummer: A. 165670/IX-5027 Zaak: Arrest 148699 - - 08/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-13 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 23:32 Fiche Arrest nr 148.699 van 8 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.699 van 8 september 2005 in de zaak A. 165.670/IX-
- In zake : de NV VEEHANDEL VERMEIR, die woonplaats kiest bij advocaat S. HENDERICKX, kantoor houdende te LEDE, Oordegemkouter 122 tegen : het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, dat woonplaats kiest bij advocaten R. DEPLA en M. STUBBE, kantoor houdende te BRUGGE SINT-KRUIS, Karel van Manderstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de NV VEEHANDEL VERMEIR op 1 september 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) waarbij haar overeenkomstig artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 8 september 1997 betreffende maatregelen inzake het verhandelen van landbouwdieren, het H-statuut wordt opgelegd; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 2 september 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 8 september 2005, om 9.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-5027-1/3 Gehoord de opmerkingen van advocaat S. HENDERICKX, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat J. HOSTE die, loco advocaat R. DEPLA verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is, wat onder meer inhoudt dat verzoeker zijn vordering met de vereiste diligentie ingesteld heeft; Overwegende, wat de laatstgenoemde voorwaarde betreft, dat verzoekster sinds 4 juli 2004 kennis heeft van het bestreden besluit en dat zij pas op 1 september 2005 de onderhavige vordering ingesteld heeft; Overwegende dat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid een uitzonderingsprocedure is omdat zij een ernstige verstoring van de normale rechtspleging inhoudt en de rechten van de verdediging tot het strikte minimum herleidt; dat van een verzoekende partij die van die procedure gebruik maakt verwacht mag worden dat zij haar vordering zonder dralen instelt; dat, door haar vordering niet onverwijld in te dienen, de verzoekende partij het hoogdringend karakter ervan zelf ontkent; Overwegende dat de omstandigheid dat de verzoekende partij bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg een kortgedingprocedure -gesteund op de miskenning van haar subjectieve rechten- opgestart heeft, haar niet moest beletten om, zo zij inderdaad zeer spoedig het nadeel dat haar bedreigde een halt wenste toe te roepen, een vordering bij de Raad van State in te dienen; dat om dezelfde reden de verwijzing, door de verwerende partij in de kennisgeving, naar de IX-5027-2/3 gewone beroepstermijn van 60 dagen voor de verzoekende partij ook geen vrijgeleide kon zijn om het indienen van haar hoogdringende vordering uit te stellen; Overwegende dat de verzoekende partij, door omzeggens twee maanden te wachten met het indienen van haar vordering, het hoogdringend karakter van haar vordering miskent; dat de desbetreffende voorwaarde niet vervuld is, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht september 2000 en vijf, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5027-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.699 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.362 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.