id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.700 Rolnummer: A. 116465/XIV-8453 Zaak: Arrest 148700 - - 09/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-30 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 23:32 Fiche Arrest nr 148.700 van 9 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 148.700 van 9 september 2005 in de zaak A. 116.465/XIV-8.453. In zake : 1. XXX, 2. XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat K. HINNEKENS, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Louis Pasteurlaan 24 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beiden van Kazachse nationaliteit, op 6 februari 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 15 januari 2002 waarbij enerzijds aan de raadsman van de verzoekende partijen wordt meegedeeld dat de aanvraag om machtiging tot verblijf van zijn cliënten onontvankelijk is en anderzijds de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf, met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), onontvankelijk wordt verklaard; Gelet op de beschikking van 12 februari 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; XIV-8.453-1/7 Gelet op de beschikking van 13 juli 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 27 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MEULEMANS, die loco advocaat K. HINNEKENS verschijnt voor de verzoekende partijen en van advocaat E. MATTERNE, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de verzoekende partijen België binnenkomen op 18 april 2000 en zich vluchteling verklaren op 19 april 2000; dat op 8 december 2000 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling weigert; dat op 13 maart 2001 de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling weigert; dat de Raad van State met het arrest nr. 121.600 van 14 juli 2003 het beroep tegen deze laatste beslissing verwerpt; Overwegende dat de verzoekende partijen op 24 april 2001 een aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) indienen; dat op 15 januari 2002 de minister van Binnenlandse Zaken aan de raadsman van de verzoekende partijen meedeelt dat de aanvraag om machtiging tot verblijf van zijn cliënten is verworpen; dat dit de eerste bestreden beslissing is; dat de minister van Binnenlandse Zaken op dezelfde datum beslist dat de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk is; dat de tweede bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “(...) Reden(
- en)Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokken de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Ten eerste is het feit dat betrokkenen beweren op alle vlakken grote inspanningen te doen om zich te integreren, ze het Nederlands vrij goed beheersen en de nodige inspanningen doen om hun Nederlands te verbeteren en dat zowel man als vrouw de nodige kansen zullen hebben op de arbeidsmarkt, op zich niet uitzonderlijk. Betrokkenen wisten dat hun verblijf slechts XIV-8.453-2/7 voorlopig werd toegestaan in het kader van de asielprocedure en dat zij bij een negatieve beslissing het land zouden dienen te verlaten. Ten tweede was hun asielprocedure niet van onredelijk lange duur. Ten derde hebben de problemen in hun land reeds het voorwerp uitgemaakt van een onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen, genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. Tenslotte, wat de onmogelijkheid tot terugkeer naar hun land betreft, dient opgemerkt te worden dat het betrokkenen vrij staat hulp in te roepen van de Internationale Organisatie voor Migratie (OM). (...).”; 2. Overwegende dat de brief van de minister van Binnenlandse Zaken van 15 januari 2002 aan de raadsman van de verzoekende partijen geen beslissing inhoudt over de aanvraag tot machtiging, maar enkel een mededeling vormt van het feit dat een beslissing werd genomen; dat die brief niet beantwoordt aan de criteria van de administratieve rechtshandeling; dat de vordering niet-ontvankelijk is in de mate dat zij is gericht tegen de eerste bestreden "beslissing"; 3.1.1. Overwegende dat de verzoekende partijen in een eerste middel de schending opwerpen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat zij aanvoeren dat zij keuze van woonplaats hebben gedaan bij hun raadsman, dat deze enkel een schrijven mocht ontvangen waarin wordt meegedeeld dat een negatieve beslissing werd genomen betreffende hun vraag tot toepassing van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet en dat hierbij enkel werd verwezen naar een schrijven aan de burgemeester van Meulebeke terwijl de motiveringsplicht oplegt dat de motivering uitdrukkelijk in de bestreden beslissing dient te staan, hetgeen in casu niet is gebeurd; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Dat de beslissing niet afdoende gemotiveerd is Dat een administratieve beslissing in vreemdelingenzaken dient gemotiveerd te zijn overeenkomstig artikel 62 van de vreemdelingenwet (wet 15 december 1980) en artikel 2 en 3 van de motiveringswet (wet van 29 juli 1991)’. Verzoekers schrijven deze vermeende schendingen toe aan de vaststelling dat een aan hun raadsman gerichte brief van de dienst Vreemdelingenzaken slechts melding maakt van het gegeven dat ‘de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, 3de alinea van de vreemdelingenwet geweigerd is’ en dat ‘de motieven voor deze weigering staan vermeld in de aan de gemeente gerichte brief’, terwijl in de brief deze motieven niet worden weergegeven. De verwerende partij heeft de eer hierop te antwoorden dat door het motiveringsgebrek te funderen op een schrijven gericht aan hun raadsman verzoekers de nietigheid van de bestreden beslissing dd 15.01.2002 niet kunnen aantonen. Immers, de brief gericht aan hun raadsman is in casu eenvoudigweg niet de (of één der) bestreden beslissing(en); dergelijk informatief schrijven kan trouwens ook nooit het voorwerp van voorliggend vernietigingsberoep uitmaken omdat dit geen voor de Raad van State aanvechtbare rechtshandeling vormt. Ten overvloede merkt de verwerende partij voor alle duidelijkheid nog op dat beide verzoekers op 21.01.2002 de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse XIV-8.453-3/7 Zaken werd ter kennis gebracht te Meulebeke (cf. stukken 382-383 van het administratief dossier), inclusief de beweegredenen van de beslissing, aslook de motieven voor de op dezelfde dag aan verzoekers ter kennis gebrachte bevelen om het grondgebied uiterlijk op 20.02.2002 te verlaten. Zelfs al mocht per impossibele de Raad van State aldus van oordeel zijn dat de op 15.01.2002 gedateerde brief aan de raadsman van verzoekers een administratieve rechtshandeling is die, gezien de bij deze raadsman gedane keuze van woonplaats, bovendien de enige geldige beslissing nopens verzoekers aanvraag om machtiging tot verblijf moet geacht worden (quod non) en die niet afdoende gemotiveerd zou zijn, dan nog staat onbetwistbaar vast dat verzoekers zelf in elk geval kennis hebben genomen van de onontvankelijkheidsbeslissing dd 15.01.2002, inclusief de beweegredenen hiervan. Het eerste middel is ongegrond.”; 3.1.3. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord verwijzen naar het verzoekschrift tot nietigverklaring; 3.1.4. Overwegende dat het eerste middel volledig is gericht tegen de eerste bestreden beslissing; dat het eerste middel om die reden niet-ontvankelijk is; 3.2.1. Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel de schending opwerpen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat zij aanvoeren dat vijf overheidsinstanties werden aangeschreven en dat er slechts één geantwoord heeft, dat, gelet op hun statuut en de hieraan verbonden risico’s, zij zich niet in persoon konden aanbieden op de bevoegde Belgische diplomatieke post, dat het niet volstaat voor te houden dat een verzoek aan de burgemeester niet-ontvankelijk zou zijn omdat zij zich tot meerdere partijen hebben gericht, dat in de bestreden beslissing niet wordt aangegeven waarom de andere verzoeken niet werden behandeld, dat het oordeel van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen over de situatie in het land van herkomst geen gezag van gewijsde heeft voor een beslissing betreffende het inroepen van bijzondere omstandigheden, dat de verzoekende partijen als buitengewone omstandigheden hebben aangehaald dat een gevaarlijke situatie heerst in hun land van herkomst, dat zij geen titel noch een recht hebben om zich elders te vestigen, dat hun leven in gevaar is, dat het financieel onmogelijk is terug te keren naar hun land van herkomst, dat zij de rechtsbescherming inroepen van de internationale verdragen die België binden en meer bepaald van de artikelen 3 en 8 E.V.R.M., dat het volstaat de wil tot integratie te bewijzen, dat uit het begrip democratische rechtsstaat volgt dat de verzoekende partijen recht hebben op een effectieve rechtsbescherming voor de rechten die beschermd worden in het E.V.R.M., met name de artikelen 3, 6 en 8, alsmede van de artikelen 17 en 26 B.U.P.O. en dat hun kinderen zich kunnen beroepen op de artikelen 2, 3 en 6 van het Kinderrechtenverdrag; 3.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat de kritiek van de verzoekende partijen betreffende hun verzoeken gericht tot de overige overheidsinstanties volkomen naast de kwestie is aangezien het verzoek tot verblijfsmachtiging uitsluitend is behandeld door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken, ingediend via de burgemeester van hun verblijfplaats, dat het de XIV-8.453-4/7 verzoekende partijen vrij staat de niet-behandeling van de overige verzoeken tot verblijfsmachtiging in rechte aan te vechten, dat uit de kritiek van de verzoekende partijen duidelijk blijkt dat zij de motieven voor de bestreden beslissing kennen en begrijpen, waardoor zij geen enkel belang hebben om een formeel motiveringsgebrek aan te voeren, dat de kritiek van de verzoekende partijen dat er wel degelijk bijzondere omstandigheden werden aangehaald geen enkel verband houdt met enige motiveringsverplichting, laat staan met de formele motiveringsplicht en dat de verzoekende partijen zich beperken tot de herhaling van de in hun verblijfsmachtiging aangehaalde buitengewone omstandigheden; 3.2.3. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord het volgende stellen: “Dat wat betreft het tweede middel verzoekende partij zich in essentie beroept op datgene wat gesteld werd in het inleidend verzoekschrift, hetgeen reeds de weerlegging inhoudt van de stelling van verwerende partij. Dat er diverse motiveringsgebreken zijn zoals gesteld door verzoekende partij. Dat de affirmaties van verweerde partij niet van die aard zijn het gesteld in het inleidend verzoekschrift te ontkrachten.
- a)Dat het verzoekschrift uiteraard als een geheel dient behandeld te worden, hetgeen ook blijkt uit de bewoordingen ervan. Dat het niet opgaat zich te beperken voor te houden dat men zich niet op ontvankelijke wijze aand e burgemeester heeft gericht, nu het verzoekschrift voor dit geval al aan de bevoegde overheden is gericht.
- b)dat verwerende partij duidelijk de teneur vergeet van de geciteerde rechtspraak: feiten kunnen zowel beoordeeld worden in de asielcontext als in de context van artikel 9 van de vreemdelingenwet, hetgeen uiteraard twee totaal verschillende beoordelingen zijn.
- c)Dat een bewering zonder enige motivering uiteraard een gebrekkige motivering is en blijft.”; 3.2.4. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partijen de motieven van de bestreden beslissing kennen en die motieven inhoudelijk aanvechten; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpen en dat het middel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motivering niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat artikel 9 van de Vreemdelingenwet als volgt luidt: “Om langer dan de in artikel 6 bepaalde termijn in het Rijk te mogen verblijven, moet de vreemdeling die zich niet in een der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, daartoe gemachtigd worden door de minister of zijn gemachtigde. Behoudens de in een internationaal verdrag, in een wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, moet deze machtiging door de vreemdeling aangevraagd worden XIV-8.453-5/7 bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland. In buitengewone omstandigheden kan die machtiging door de vreemdeling worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft; deze zendt ze over aan de minister of aan diens gemachtigde. In dat geval zal ze in België worden afgegeven.”; Overwegende dat de verzoekende partijen in België verblijven en via de burgemeester van hun verblijfplaats met toepassing van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet op grond van voorgehouden buitengewone omstandigheden een aanvraag om machtiging tot verblijf indienen; dat over die aanvraag met de (tweede) bestreden beslissing uitspraak wordt gedaan en dat die beslissing met het huidige beroep tot nietigverklaring wordt aangevochten; dat de verzoekende partijen in de huidige procedure niet dienstig kunnen aanvoeren dat over andere aanvragen bij andere instanties geen uitspraak is gedaan, daargelaten de vraag of het om afzonderlijke aanvragen gaat dan wel om pogingen om door bijkomende brieven aan bepaalde instanties een gunstige invloed op de eigenlijke aanvraag te bewerkstelligen; Overwegende dat de verzoekende partijen voor het overige slechts op algemene wijze de voorgehouden "buitengewone omstandigheden" als bedoeld in artikel 9, derde lid herhalen; dat zij niet weerleggen dat hun asielprocedure niet van onredelijke lange duur was; dat zij niet aannemelijk maken waarom hun inspanningen om zich te integreren "buitengewone omstandigheden" zouden vormen waardoor zij hun aanvraag om machtiging tot verblijf niet op de normale wijze via de Belgische diplomatieke of consulaire posten in het buitenland zouden kunnen indienen; dat de verzoekende partijen met de herhaling van de motieven van hun asielaanvraag en met de verwijzing naar een aantal supranationale bepalingen evenmin degelijke buitengewone omstandigheden aannemelijk maken, a fortiori vermits hun asielaanvraag definitief is afgewezen; dat de verzoekende partijen derhalve niet aantonen dat de bestreden beslissing is genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of in strijd met de door hen aangehaalde supranationale bepalingen of met artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet; dat het tweede middel ongegrond is; 3.3. Overwegende dat de verzoekende partijen in een derde middel de schending opwerpen van artikel 9 van de Vreemdelingenwet; dat het een woordelijke herhaling van het tweede middel betreft; dat derhalve kan worden verwezen naar de bespreking van het tweede middel; dat het derde middel ongegrond is; 4. Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: XIV-8.453-6/7 Artikel 1. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen september tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-8.453-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.700 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div