id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.702 Rolnummer: A. 122845/XIV-10534 Zaak: Arrest 148702 - - 09/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-30 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 23:32 Fiche Arrest nr 148.702 van 9 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.702 van 9 september 2005 in de zaak A. 122.845/XIV-10.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Pakistaanse nationaliteit, op 28 december 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 30 november 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 januari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 22 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur XIV-10.534-1/5 G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 9 september 1999 en zich vluchteling verklaart op 15 december 2000; dat op 4 januari 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 30 november 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: "Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen bent u een Pakistaan uit Karianwala in Punjab. In augustus 1999 zou u door uw vader die reeds geruime tijd legaal in België verblijft, meegenomen zijn naar België. Uw vader zou zich niet om u bekommerd hebben en zou u gedurende een tweetal maanden alleengelaten hebben. Op aanraden van uw advocaat vroeg u op 15 december 2000 asiel aan. Ondertussen zou uw vader teruggekeerd zijn bij u en verklaarde u geen verdere financiële moeilijkheden meer te kennen. Er moet worden opgemerkt dat uit geen enkel element van uw relaas blijkt dat u een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie meent te moeten koesteren. U beweerde immers dat u en uw vader nooit enige problemen met de autoriteiten in Pakistan hebben gekend. Het feit dat uw vader zijn onderhoudsplicht in België niet nakwam, is een probleem van familiale aard en ressorteert derhalve niet onder het toepassingsgebied van de Geneefse Conventie. U verklaarde daarenboven uitdrukkelijk dat momenteel ook dit probleem is opgelost. Volgens uw verklaringen zou uw vader legaal in België verblijven, waardoor u in het kader van de gezinshereniging, als minderjarige, van een wettelijk verblijf zou kunnen genieten.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel opwerpt dat luidt als volgt: "Middelen Schending van het artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955; van de artikelen 17, 23 en 24 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966 en goedgekeurd bij de wet van 15 mei 1981 ; van de artikelen
- 10, 16, 18 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het Kind, opgemaakt te New York op 20 november 1989 en goedgekeurd bij de wet van 16 december 1991 van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de artikelen 2 en 3 van de wet betreffende de uitdrukkelijk motivering van de bestuurshandelingen en van de zorgvuldigheidsverplichting. Dat verzoeker een bevestigende beslissing van weigering tot verblijf werd betekend. Dat verzoeker het land dient te verlaten. Dat verweerder in de bestreden beslissing een terugleiding naar verzoekers land van herkomst aanbeveelt. Dat evenwel de bestreden beslissing, genomen ten aanzien van de verzoeker -minderjarig- , in strijd is met het artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955; met de artikelen 17, 23 en 24 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966 en XIV-10.534-2/5 goedgekeurd bij de wet van 15 mei 1981 en met de artikelen 9, 10, 16, 18 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het Kind, opgemaakt te New York op 20 november 1989 en goedgekeurd bij de wet van 16 december
- Dat ondermeer de bestreden beslissing, genomen ten aanzien van verzoeker, in strijd is met het art. 8 van het E.V.R.M. Art. 8 van het E.V.R.M. bepaalt: '
- Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.
- Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de Wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen'. 'hieruit volgt dat de overheid dient na te gaan of de noodzaak om in een democratische samenleving de openbare orde, de veiligheid, enz.. te beschermen door een maatregel van verwijdering uit het land, opweegt tegen het door art. 8 E. VR.M. gewaarborgd familieleven' M.a.w. dient de overheid af te wegen of er evenredigheid bestaat tussen de motieven van de verwijderingsmaatregel en de door die beslissing veroorzaakte ontwrichting van het leven van de betrokken vreemdeling. Dat die belangenafweging voor het geval van verzoeker, minderjarig, niet is gebeurd, en dat het belang van de Staat bij een verwijdering uiterst miniem is in vergelijking met de schade die verzoeker en zijn leven in België bij zijn vader wordt berokkend. Dat in casu verzoeker sedert september 1999 in België verblijft en heden inwoont bij zijn vader. Dat de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat verzoeker het recht op de noodzakelijke verzorging, bijstand, opvoeding en (financiële) hulp en een menswaardig bestaan wordt ontzegd en dat hij wordt gescheiden van zijn vader, zijn enige overblijvende ouder (moeder is gestorven). Dat derhalve deze gevolgen in strijd zijn met het doel van de wetten zelf en met het artikel 8 E.V.R.M. Dat in geen enkel gevel door verweerder het recht op een privé-en gezinsleven van verzoeker gerespecteerd wordt. Dat de bestreden beslissing in strijd is met art. 8 van het E.V.R.M. Dat verzoeker verwijst naar de disproportionaliteit tussen het doel van de -genomen maatregel en het artikel 8 E.V.R.M (cfr. supra). Dat verder verzoeker uitdrukkelijk wil verwijzen naar het artikel 18 van het Verdrag inzake de rechten van het Kind waarin ondermeer duidelijk gestipuleerd wordt dat de staten alles dienen te doen om de erkenning te verzekeren en de nodige maatregelen te nemen om ouders of naargelang het geval wettelijke voogden passende bijstand te verlenen bij de uitoefening van hun verantwoordelijkheid die de opvoeding en de ontwikkeling van het kind betreffen. Dat het belang van het kind dient te overwegen. Dat de bestreden beslissing in strijd is met de beginselen vervat in het artikel 18 van het Verdrag inzake de rechten van het Kind, daar zijn vader, nog onmogelijk in staat is zijn volledige verantwoordelijkheid aangaande de opvoeding en de zorg van verzoeker, uit te oefenen. Dat tenslotte verzoeker opmerkt dat de bestreden beslissing (onontvankelijkheidsbeslissing en het bevel om het grondgebied te verlaten genomen ten aanzien van verzoekers) in strijd is met de motiveringsverplichting (artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de artikelen 2 en 3 van de wet betreffende de uitdrukkelijk motivering van de bestuurshandelingen) en de zorgvuldigheidsverplichting. Dat uit de bestreden beslissing blijkt dat door verweerder geen enkel onderzoek werd ingesteld naar de mogelijkheid van begeleiding, opvang en opvoeding bij een terugkeer van verzoeker naar Pakistan. Dat dient opgemerkt te worden dat de beslissing van verweerder, genomen ten aanzien van verzoeker, niet afdoende gemotiveerd is en de zorgvuldigheidsverplichting schendt. Nochtans schrijft de wet betreffende uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (Wet van 29 juli 1991) voor 'dat de Overheid op straffe van onwettigheid van de beslissing in de akte die de beslissing zelf bevat ook de motivering voor deze beslissing moet opnemen; deze motivering moet bestaan uit juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen. De motivering moet daarenboven afdoende zijn, dit wil zeggen, draagkrachtig en deugdelijk...' 'Vage, duistere of niet ter zake dienende uitleg, onduidelijke, onnauwkeurige, ongeldige en niet plausibele motivering, stereotiepe, geijkte of gestandaardiseerde motiveringen zijn niet afdoende)' Dat verweerder in zijn motivatie eenvoudigweg stelt dat verzoekers problemen van familiale aard zijn. XIV-10.534-3/5 Dat verzoekers opmerken dat een eenvoudige verwerping met een stereotiepe en eenvoudige formule niet beantwoordt aan de artikelen 2 en 3 van de wet betreffende uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (Wet van 29 juli 1991) en de artikelen 52 en 62 van de Vreemdelingenwet. Dat verweerder in de bestreden beslissing stelt dat verzoeker in het kader van gezinshereniging van een wettelijk verblijf in België zou kunnen genieten. Dat verweerder heeft nagelaten voorafgaand enig onderzoek in te stellen naar de precieze verblijfssituatie van verzoekers vader in België en de (on)mogelijkheid van gezinshereniging. Dat de bestreden beslissing de zorgvuldigheids- en de motiveringsverplichting schendt."; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij het enige middel expliciet richt tegen het feit “dat verweerder in de beslissing een terugleiding naar verzoekers land van herkomst aanbeveelt” en dat zij daarop de schending van de door haar aangehaalde verdragsbepalingen betrekt; dat de uitspraak van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in verband met de terugleiding slechts een advies uitmaakt dat niet bindend is; dat dit onderdeel van de bestreden beslissing bijgevolg niet vatbaar is voor nietigverklaring, omdat het niet onder de toepassing valt van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat het enige middel in die mate niet- ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij verder aanvoert “dat verweerder in zijn motivatie eenvoudigweg stelt dat verzoekers problemen van familiale aard zijn” en stelt dat die “stereotiepe en eenvoudige formule” niet beantwoordt aan de aangehaalde bepalingen betreffende de formele motiveringsplicht noch aan artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat in de bestreden beslissing het standpunt van de verzoekende partij wordt weergegeven, namelijk dat haar vader zich niet om haar zou hebben bekommerd, dat hij haar een tweetal maanden alleen zou hebben gelaten doch dat hij ondertussen zou zijn teruggekeerd en dat zij geen verdere financiële moeilijkheden meer zou hebben; dat in de bestreden beslissing vervolgens wordt overwogen dat uit het asielrelaas geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van Vluchtelingenconventie blijkt, dat er volgens de verzoekende partij nooit problemen met de overheid in Pakistan zijn geweest, dat het niet nakomen van de onderhoudsplicht door de vader van de verzoekende partij enkel een probleem van familiale aard is en dat dit probleem volgens de verzoekende partij zelf is opgelost; dat de motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund aldus duidelijk in die beslissing kunnen worden gelezen, dat zij betrekking hebben op het concrete asielrelaas van de verzoekende partij en dat daarmee aan de voornaamste doelstelling van de formele motiveringsplicht is voldaan; dat de verzoekende partij evenmin aantoont dat de commissaris-generaal met het voorgaande de ruime appreciatieplicht waarover hij krachtens de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet beschikt, zou hebben overschreden; dat het enige middel in die mate ongegrond is; XIV-10.534-4/5
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen september tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-10.534-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.702 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.