id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.705 Rolnummer: A. 127035/XIV-11797 Zaak: Arrest 148705 - - 09/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-30 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 23:33 Fiche Arrest nr 148.705 van 9 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 148.705 van 9 september 2005 in de zaak A. 127.035/XIV-11.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat K. HINNEKENS, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Louis Pasteurlaan 24 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kazachse nationaliteit, op 20 september 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 11 september 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 5 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 11 september 2002; Gelet op de beschikking van 24 september 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 24 maart 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 11 mei 2005; XIV-11.797-1/16 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. NAVASARTIAN, die loco advocaat K. HINNEKENS verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 24 januari 2000 en zich vluchteling verklaart op 25 januari 2000; dat op 5 december 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 11 september 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U, een etnische Rus uit Kazachstan, verklaarde op het commissariaat-generaal dat u een winkel had in Almaty in Kazachstan. Sinds januari 1999 bestaat er een wet waarin staat dat mensen van Russische origine die een zaak hebben in Almaty meer belastingen moeten betalen dan de Kazachen. Deze wetgeving was ook op u van toepassing. Op 3 of 4 maart 1999 kwam u tussenbeide toen Kazachen een klant van u wilde bestelen. Op 14 of 15 maart 1999 werd u in uw winkel door een Kazach, die vermoedelijk een moslimfundamentalist was, beledigd omwille van uw Russische origine. De Kazach zei tegen u dat u 7000 $ moest betalen, alles toedoen en uit Kazachstan vertrekken. Vanaf april 1999 kreeg u elke dag dreigtelefoons van vermoedelijk Kazachen die moslimfundamentalisten waren. Ze beledigden u omwille van uw origine en uw christelijk geloof en ze zeiden tegen u dat u uit Kazachstan moest vertrekken. Met de opname van één of twee telefoonbedreigingen ging u naar de politie. Daar wilde men uw klacht niet aanvaarden. Op 9 of 10 mei 1999 kwamen drie Kazachen, vermoedelijk moslimfundamentalisten, bij u langs. Ze zeiden tegen u dat u het land moest verlaten en dat u jaren moslims heeft vermoord in Afghanistan. Op 12 of 13 juni 1999 beledigden personen, vermoedelijk Kazachen, u en uw familie omwille van jullie christelijk geloof. Ze zeiden dat jullie het land moesten verlaten. Sinds eind juni of begin juli 1999 zei men tijdens de dreigtelefoons dat u uw winkel en uw andere eigendommen moest verkopen voor 50$. Op 31 juli 1999 werd u geslagen door drie Kazachen toen u op weg was naar huis. Opeens kwam er een politiewagen te voorschijn. U werd meegenomen naar het politiebureau. Twee Kazachse politieagenten en de drie Kazachen die u hadden geslagen kwamen naar de kamer waar u zich bevond. Ze zeiden dat men u ging vermoorden indien u niet deed wat ze zeiden. U moest papieren tekenen betreffende een volmacht om uw auto en uw winkel aan iemand te geven. U weigerde om de papieren te tekenen. De volgende dag werd u vrijgelaten zonder dat u uw identiteitskaart terugkreeg. Op 12 augustus 1999 ging u terug naar het politiebureau. Daar zei u tegen een persoon dat u gearresteerd was geweest en dat u uw identiteitskaart niet terug had gekregen bij uw vrijlating. De persoon zei dat u niet in het boek van de arrestaties stond en dat u naar het paspoortdepartement moest gaan om een identiteitskaart aan te vragen. Op 14 augustus 1999 ging u naar het paspoortdepartement. Daar zei u dat u uw identiteitskaart had verloren in het openbaar vervoer omdat u niet kon bewijzen dat u gearresteerd was geweest. Op 27 oktober 1999 kreeg u een tijdelijke identiteitskaart. Met dit bewijs heeft men uw Kazachs staatsburgerschap afgenomen. U begreep dat u geen identiteitskaart kreeg omdat u de volmacht niet had getekend. Eind augustus 1999 werd u opgebeld. Men zei tegen u dat uw vrouw, N. (ov. 4.917.461), en dochter iets zouden overkomen indien u Kazachstan niet verliet. XIV-11.797-2/16 Op 28 november 1999 werd uw vrouw aangevallen door volgens haar drie Kazachen. Toen u in het ziekenhuis aankwam was daar al een onderzoeker. Op 12 december 1999 gingen u en uw vrouw naar de politie. Daar zei men tegen jullie dat de zaak naar een andere onderzoeker was doorverwezen maar men zei niet welke onderzoeksrechter. De volgende dag kwam u op het politiebureau ook niet te weten wie de onderzoeker was. Uw vrouw diende een verklaring in bij het hooggerechtshof. Jullie wilden weten wie de zaak betreffende 28 november 1999 deed en of er een onderzoek aan de gang was. Het hooggerechtshof antwoordde jullie dat men de zaak moest heronderzoeken wegens het gebrek aan bewijzen. Op 20 december 1999 verliet uw vrouw Kazachstan. Op 7 of 8 januari 2000 werd u achtervolgd door u belagers maar u kon vluchten. U verliet op 17 januari 2000 Kazachstan. Op 25 januari 2000 vroeg u in België de status van vluchteling aan. U bent in het bezit van uw geboorteakte, huwelijksakte, rijbewijs, militair boekje, tijdelijk identiteitsbewijs en een voorrechtenbewijs. U verklaarde dat u omwille van etnische (DVZ, vraag 41 en CGVS, p.2 ) en religieuze redenen (CGVS, p.2) uw land heeft verlaten. De door u aangebrachte vervolging (afpersing, bedreiging, fysieke agressie, arrestatie, inbeslagname van identiteitskaart, ... ) strookt echter niet met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (Cedoca, The Situation of the Slavic minority in Kazachstan, February 2002). Uit de geciteerde informatie blijkt dat de Russische bevolkingsgroep en de orthodoxe gelovigen niet worden vervolgd in de zin van de Vluchtelingenconventie. Uit dezelfde informatie blijkt eveneens dat de hogere Kazachse autoriteiten gevoelig zijn voor elke vorm van etnisch/religieus geweld en spanning en dat eventuele bescherming u niet zou geweigerd worden omwille van uw etnische origine of uw geloofsovertuiging. In dit verband dient te worden opgemerkt dat u verklaarde dat u problemen had met vermoedelijke moslimfundamentalisten (CGVS, p.7). Uit informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt blijkt echter dat de Kazachse autoriteiten het religieus extremisme bestrijden (Cedoca, The Situation of the Slavic minority in Kazachstan, February 2002; Cedoca, antwoorddocument van 28 augustus 2002, Kazachstan- Houding van de autoriteiten tegenover extreme moslimbeleving; US Department of State, Country Reports on Human Rights Practices 2000: Kazakhstan, Bureau of Democracy, Human Rights and Labor, February 2001; US Departement of State, 2000 Annual Report on International Religious Freedom: Kazakhstan, Bureau of Democracy, Human Rights and Labor, September 5, 2000). Het is dan ook zeer onwaarschijnlijk dat u niet op bescherming of hulp van de Kazachse autoriteiten zou kunnen rekenen en dat uw klachten met betrekking tot moslimfundamentalisten niet serieus zouden worden genomen door de Kazachse autoriteiten. Uit het geheel van deze vaststellingen kan slechts worden geconcludeerd dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat u mogelijkerwijze op grond van uw Russische origine en uw orthodox geloof actueel in Kazachstan wordt vervolgd in de zin van de Conventie van Genève van
- De documenten, die in het kader van uw asielaanvraag werden neergelegd, bevestigen uw identiteit maar wijzigen het voorafgaande niet.”;
- De procedure. 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord opwerpt “dat de Belgische Staat (de Minister van Binnenlandse Zaken) geen verweer voert en geen dossier heeft neergelegd wat de toepassing van artikel 21 R.v.St.-wet dient mee te brengen”; 2.2 Overwegende dat er slechts één verwerende partij is, de Belgische Staat vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die terdege een memorie van antwoord en het administratief dossier heeft neergelegd; dat de opmerking van de verzoekende partij feitelijke grondslag mist;
- Ten gronde. 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: XIV-11.797-3/16 “1/ DAT DE BESTREDEN BESLISSING ART. 63/3 VAN DE VREEMDELINGENWET SCHENDT Dat het dringend beroep luidens de bestreden beslissing ingediend werd op 7 december 2000 en de beslissing zou dateren 11 september 2002, hetgeen betekent dat de bestreden beslissing niet genomen is binnen de 30 dagen na het indienen van het dringend beroep hetgeen nochtans vereist wordt door art. 63/3 van de Vreemdelingenwet. Dat voormeld artikel een dwingende termijn ingevoerd heeft en geen termijn invoert van orde. Dat voorts wordt verwezen naar het arrest ALLEWAERT, nr. 73.717 dd. 18 mei
- Dat voormeld artikel een dwingende termijn ingevoerd heeft en geen termijn invoert. Dat voorzover artikel 63/2, 2/ van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 een dwingende termijn ingevoerd heeft dit ook moet gelden voor de termijn van artikel 63/3 van de vreemdelingenwet. Dat de termijnen voor alle partijen in de vreemdelingenwet op een gelijkaardige wijze dienen geïnterpreteerd te worden. Dat de termijnen aldus hetzij beide vervaltermijnen hetzij als termijnen van orde dienen gezien te worden. Daar anders er een ongelijkheid bestaat in de aard van de termijn voorzien in de vreemdelingenwet. Dat een dergelijk onderscheid een ongeoorloofde discriminatie uitmaakt. Dat het Arbitragehof reeds dergelijke discriminaties heeft strijdig bevonden met het gelijkheidsbeginsel (Arbitragehof nr. 65/96 dd. 13 november 19996, B.S., 25 januari 1997, over de rechtsregel waarbij de minister de Vaste Beroepscommissie kon adiëren bij het ontbreken van een uitspraak binnen een bepaalde termijn, daar waar de asielzoeker dit niet kon). Dat verzoekende partij aldus vraagt dat aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag wordt gesteld of artikel 63/3/ het gelijkheidsbeginsel schendt in zoverre het voor de asielzoeker een dwingende termijn van 3 dagen invoert daar waar voor de Commissaris-Generaal ging dwingende termijn van 30 dagen zou opgelegd worden overeenkomstig artikel 63/3 van diezelfde wet. Dat er twee categorieën gecreëerd worden betreffende de aard van termijn. Dat artikel 10 van de Grondwet poneert : ‘De Belgen zijn gelijk voor de wet.’, terwijl artikel 11 postuleert : ‘Het genot van de rechten en vrijheden aan de Belgen toegekend moet zonder discriminatie verzekerd worden’. Dat het Arbitragehof het gelijkheidsbeginsel als volgt heeft omschreven : 'De grondwettelijke regels van gelijkheid voor de wet en van de niet discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling volgens bepaalde categorieën van personen zouden worden ingesteld, voor zover voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met betrekking tot het doel en de gevolgen van de ter beoordeling staande norm; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat de aangewende middelen niet redelijkerwijze evenredig zijn met het beoogde doel' ( o.a. Arbitragehof, nr. 23/89, 13 oktober 1989, B.S., 8 november 1989, B.1.3; Arbitragehof, nr. 18/90, 2 mei 1990, B.S., 27 juli 1990 en Arbitragehof, nr. 26/90, 14 juli 1990, B.S., 4 augustus 1990, 6.B.6 . ; cfr. E.H.R.M., 23 juli 1968, R.W., 1968-69, 29 ; cfr. Cass. 5 oktober 1990, R.W., met conclusie van D'HOORE, G., 328-331; Cfr. RvSt, nr. 24.067, 12 maart 1984, Chambre syndicale des pharmaciens d'expression française; RvSt., nr. 33.858, 22 januari 1990, Desmet, T.B.P., 1990, 746 (schorsing); RvSt., nr.
- 046, 5 juni 1990, T.B.P., 1990, 746 (annulatie), Desmet; BERXCK, C., ‘De herkeuringsraad en de advokaat’, R.W., 1993-94, 1268, nr. 2 en verwijzingen aldaar). Dat de Raad van State een prejudiciële vraag dient te stellen aan het Arbitragehof aangezien het Hof van Cassatie geoordeeld heeft ‘overwegende dat, krachtens artikel 26 § 1, 3/ en § 2, eerste lid , van de bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989, indien een vraag ten aanzien van een schending door een wet van de artikelen 6, 6 bis ( lees 10, 11) en 17 van de Grondwet voor een rechtscollege opgeworpen, dit college in de regel het Arbitragehof moet verzoeken over die vraag uitspraak te doen’ (Cass, 22 juni 1992, R.W., 1992-93, 471; cfr. ook BERXCK, C., ‘De herkeuringsraad en de advokaat’, R.W., 1993-94, 1267, nr. 1 en verwijzingen aldaar). Dat de Raad van State in het Arrest WEYTS/ STAAT, nr. 74.160 ( 61.070 - IX-696 van 8 juni 1998 het principe poneert wat betreft het stellen van prejudiciële vragen aan het Arbitragehof : ‘2.4.
- Overwegende dat artikel 26, §§ 1 en 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 houdende de inrichting, de bevoegdheid en de werking van het Arbitragehof, bepaalt dat een rechtscollege waarvoor een vraag over de schending door een wet van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wordt opgeworpen, het Arbitragehof moet verzoeken om over deze vraag uitspraak te doen; dat de Raad van State daartoe alleen niet is gehouden wanneer de vordering niet ontvankelijk is om procedureredenen die ontleend zijn aan normen die zelf niet het voorwerp zijn van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag; dat deze uitzondering te dezen niet van toepassing is; 2.4.
- Overwegende dat aan het Arbitragehof dan ook de in het dispositie van dit arrest opgenomen prejudiciële vraag moet worden gesteld’. XIV-11.797-4/16 Dat het evident is dat ook vreemdelingen zich kunnen beroepen op het gelijkheidsbeginsel (Arbitragehof, 5 juli 1990, B.S., 6 oktober 1990 en Arbitragehof, nr. 36/90, van 22 november 1990, B.S., 28 december 1990., over een aantal beroepen tot vernietiging van de wet van 30 augustus 1989 houdende wijziging van de wet van 3 november 1967 betreffende het loodsen van zeevaartuigen). Dat er terzake bovendien een discriminatie aangevoerd wordt tussen asielzoekers, die per definitie allen van een vreemde nationaliteit zijn, zodat art. 191 van de Belgische Grondwet niet kan ingeroepen worden (Cfr. Arbitragehof , 14 juli 1995, J.L.M.B. 1995, 1396 ev.; VANDE LANOTTE, J. , Overzicht van publiekrecht, deel II, Brugge, Die Keure 1994, p. 159; RENDERS D., 'La Cour d'Arbitrage et l'article 191 de la Constitution’, noot onder Arbitraghof, 14 juli 1994 , J.L.M.B., 1995, 1413). Dat voorts wordt verwezen naar het arrest ALLEWAERT, nr. 73.717 dd. 18 mei 1998.”; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In het eerste middel werpt verzoeker de schending op van artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet. Meer bepaald werpt verzoeker op dat artikel 63/3 een dwingende termijn heeft ingevoerd. In zoverre dit artikel geen dwingende termijn heeft ingevoerd is verzoeker van mening dat een prejudiciële vraag gesteld moet worden aan het Arbitragehof. Met betrekking tot de termijn in artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet merkt verweerder op dat deze termijn een termijn van orde is. Bovendien merkt verweerder op dat verzoeker niet aantoont welk belang hij zou hebben gehad om de bevestigende beslissing van weigering van verblijf eerder te ontvangen (R.v.St., nr. 80.307 van 19 mei 1999). In zoverre verzoeker zou opwerpen dat de redelijke termijn zou zijn overschreden, merkt verweerder op dat de Raad van State reeds vroeger oordeelde dat een termijn van 3 jaar voor de behandeling van een asielaanvraag lang, doch niet excessief lang was (R.v.St., nr. 88.956 van 13 juli 2000). Met betrekking tot de door verzoeker opgeworpen schending van het gelijkheidsbeginsel merkt verweerder vooreerst op dat een eventuele schending van het gelijkheidsbeginsel niet rechtstreeks kan leiden tot de vernietiging van de bestreden beslissing. Voorts verwijst verweerder naar arrest nr. 102.114 van 20 december 2001 waarin de Raad reeds stelde: 'Vat er niet kan worden aangenomen dat artikel 26, §2, eerste en derde lid van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof aan de partijen de mogelijkheid heeft willen verlenen om met een louter dilatoir oogmerk en om de procedure nodeloos te rekken, prejudiciële vragen te doen stellen door de Raad van State aan het Arbitragehof, die enkel de rol van dat Hof nodeloos zou belasten en de gerechtelijke achterstand van de Raad zou doen toenemen." Verder stelde de Raad dat de versterkte verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen door de Raad aan het Arbitragehof moet worden bepaald in het licht van de ratio legis van dat artikel, Dat die ratio legis, enerzijds, het monopolie betreft van het Arbitragehof bij het grondwettigheidstoezicht, door te vermijden dat rechtscolleges waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor het aanwenden van enig rechtsmiddel, bij onduidelijkheid daarover, zelf de draagwijdte van de arresten van het Arbitragehof zouden bepalen en zich in de plaats stellen van dat Hof, en anderzijds, het Arbitragehof de mogelijkheid te bieden om zijn rechtspraak te wijzigen, aan te vullen of te nuanceren. In casu probeert verzoeker appelen te vergelijken met peren, zonder ook maar een poging te ondernemen om aannemelijk te maken dat er sprake is van een gelijke of zelfs vergelijkbare situatie. In het administratief recht is er immers een fundamentele ongelijkheid tussen de overheid die het algemeen belang moet doen prevaleren en de burger die doorgaans slechts zijn persoonlijk belang verdedigt (A., Mast, e.a., Overzicht van het Belgisch Administratief recht, Kluwer, 1999, nr. 4.), zodat behoudens concrete en overtuigende argumenten van verzoeker, die in casu afwezig zijn, er niet gesteld kan worden dat er sprake is van een gelijke situatie. Verzoeker toont, in weerwil van deze fundamentele ongelijkheid, geenszins aan dat kandidaatvluchtelingen en de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in een vergelijkbare positie zouden zitten. Evenmin onderneemt verzoeker een poging om aan te tonen dat er sprake is van een vergelijkbare situatie wat betreft de termijnen. In het ene geval betreft het immers de termijn waarbinnen een kandidaat vluchteling zijn dringend beroep moet indienen, terwijl het in het andere geval de termijn betreft waarbinnen de commissaris-generaal beslist over het ingediende dringend beroep. Verzoeker maakt op geen enkele manier aannemelijk dat een beroepstermijn en een termijn waarbinnen een beslissing moet worden genomen, vergelijkbare situaties zijn. Bovendien merkt verweerder op dat in zowat elke mogelijke administratieve procedure sprake is van verschillende termijnen voor het indienen van een beroep en de termijn voor het behandelen van dat beroep. Nu uit het voorgaande blijkt dat de vraag van verzoeker om een prejudiciële vraag kennelijk ongegrond is en aldus enkel verklaard kan worden omwille van dilatoire redenen en nu de Raad van State eveneens reeds vroeger stelde dat niet kan worden aangenomen dat de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof aan de partijen de mogelijkheid heeft willen verlenen om met een louter dilatoir oogmerk en om de procedure nodeloos te rekken, XIV-11.797-5/16 prejudiciële vragen te doen stellen door de Raad van State aan het Arbitragehof, zodat het de Raad moet worden toegestaan de ernst van de prejudiciële vraag aan een marginale toetsing te onderwerpen, dient de vraag van verzoeker tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof verworpen te worden. Het eerste middel is niet gegrond.”; 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord volhardt in het middel en het vervolgens herhaalt; 3.1.
- Overwegende dat artikel 63/3, § 1, derde lid, van de Vreemdelingenwet een termijn van 30 werkdagen bepaalt waarbinnen de beslissingen van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in dringend beroep moeten worden genomen; dat bij overschrijding van deze termijn geen sanctie is voorzien, zodat het een termijn van orde betreft; dat dergelijke beslissingen niettemin binnen een redelijke termijn moeten worden genomen, bij gebreke waaraan de overheid haar bevoegdheid verliest om uitspraak te doen; dat een overschrijding van de redelijke termijn aldus tot gevolg zou hebben dat de in eerste aanleg genomen beslissing definitief wordt; Overwegende dat de in eerste aanleg genomen beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 5 december 2000 een weigering van verblijf inhoudt; dat, bij vernietiging van de thans bestreden beslissing wegens overschrijding van de redelijke termijn om in beroep uitspraak te doen, de in eerste aanleg genomen beslissing definitief zou worden; dat de verzoekende partij uit het middel geen voordeel kan halen, zodat het niet-ontvankelijk is bij gebrek aan belang; dat de verzoekende partij ter terechtzitting afstand heeft gedaan van haar verzoek om een prejudiciële vraag te stellen; dat, ten overvloede, dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij haar dringend beroep tijdig heeft ingesteld zodat de vergelijking tussen die beroepstermijn en de beslissingstermijn niet dienstig kan worden aangevoerd; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat als volgt luidt: “SCHENDING VAN HET MOTIVERINGSVEREISTE Dat de bestreden akte dient gemotiveerd te zijn gelet op artikel 62 van de wet van 15 december 1980, o.m. art. 3 de wet van 29 juli 1991, artikel 149 van de Belgische Grondwet, artikel 6 E.V.R.M., het algemeen rechtsbeginsel geschonden zijn. Dat aldus het vereiste van motivering geschonden is (LAMBRECHTS, W., Geschillen van bestuur, Kluwer, Antwerpen, 1988, p. 69-70, 221 en verwijzingen). Dat een administratieve beslissing in vreemdelingenzaken dient gemotiveerd te zijn, gelet op art. 62 van de vreemdelingenwet (wet 15 december 1980) en van art. 2 en 3 van de motiveringswet (wet 29 juli 1991). Dat artikel 3 van de wet van 29 juli 19991 betreffende de uitdrukkelijk motivering van bestuurshandelingen bepaalt dat elke akte de juridische en de feitelijke overwegingen moeten worden opgenomen die aan de beslissing ten grondslag liggen. Deze motivering moet afdoende zijn (VAN MENSEL, A., De uitdrukkelijk motiveringsplicht, De doorwerking van het publiek recht in het privaat rechte, Gent Mys & Breech, 1997, 246). Dat de wetgeving m.b.t. de motivering er ondermeer toe strekt de formele motivering als een substantiële vormvereiste op te leggen. Dat de wetgever duidelijk de bedoeling had om de formele motivering als een substantieel vormvoorschrift op te leggen, zonder mogelijkheid XIV-11.797-6/16 deze motiveringsvereiste vervangen te zien door deze of gene motivering die de rechtsonderhorige wel op één of andere wijze bekend zou zijn. Dat ook het vereiste van motivering, zoals omschreven in andere bronnen van het recht is geschonden (Cfr. LAMBRECHTS, W., Geschillen van bestuur, Kluwer, Antwerpen, 1988, p. 69-70, en verwijzingen). Dat ook hier betreft het een substantiële vormvereiste ( R.v.St., nr. 31.882, dd. 1 februari 1989). Dat de beslissing zelf niet voldoet aan de motiveringsvereiste omschreven in de formele motiveringswet en in andere rechtsbronnen (Cfr. Arbeidshof Gent, 14 december 1994, R.W., 1995-96, 49). Dat de formele motiveringswet niet alléén een waarborg voor de burger die alzo vermag duidelijk kennis te nemen van al de elementen welke aan de basis liggen van de beslissing en van de draagwijdte ervan is (RvSt., N.V. Hoeve, nr. 45.623, dd. 30 december 1993; RvSt., Smets-Jet, nr. 41.884, 4 februari 1993, A.P.M., 1993, 43; RvSt., Scheire, 40.739, 13 oktober 1992; en RvSt. Verschaffel, nr. 40.389, 10 november 1992; LAGASSE, D., 'La loi du 29 juillet 1991 rélative á la motivation formelle des actes administratives', J.T., 1991, 737; cfr. Verslag, Senaat, (bijzondere zitting 1988) 1990-91, nr. 215/3, 16) maar ook een waarborg voor de goede werking van het gerechtelijk apparaat is (RvSt., A.S.B.L. Envirronnemt et Patrimoine écusinoir, nr. 44.847, dd. 9 november 1993; RvSt., N.V. Hoeve, nr. 45.623, dd. 30 december 1993; LAGASSE, D., 'La loi du 29 juillet 1991 rélative á la motivation formelle des actes administratives', J.T., 1991, 737; Advies RvSt. dd. 21 oktober 1987, Senaat, (bijzondere zitting 1988) 1990-91, nr. 215/2, 6; RvSt., Damilot, 41.281, 4 december 1992, Cfr. RvSt., Warnants, nr. 21.635, 3 december 1981). Dat de bestreden beslissing op volgende motieven berust : U verklaarde dat u omwille van etnische (DVZ, vraag 41 en CGVS,p.2 ) en religieuze redenen (CGVS, p.2) uw land heeft verlaten. De door u aangebrachte vervolging (afpersing, bedreiging, fysieke agressie, arrestatie, inbeslagname van identiteitskaart, ...) strookt echter niet met de documentatie waarover het commissariaat-generaal beschikt (Cedoca, The Situation of the Slavic minority in Kazachstan, February 2002). Uit de geciteerde informatie blijkt dat de Russische bevolkingsgroep en de orthodoxe gelovigen niet worden vervolgd in de zin van de Vluchtelingenconventie. Uit dezelfde informatie blijkt eveneens dat de hogere Kazachse autoriteiten gevoelig zijn voor elke vorm van etnisch/religieus geweld en spanning en dat eventuele bescherming u niet zou geweigerd worden omwille van uw etnische origine of uw geloofsovertuiging. In dit verband dient te worden opgemerkt dat u verklaarde dat u problemen had met vermoedelijke moslimfundamentalisten (CGVS, p.7). Uit informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt blijkt echter dat de Kazachse autoriteiten het religieus extremisme bestrijden (Cedoca, The Situation of the Slavic minority in Kazachstan, February 2002; Cedoca, antwoorddocument van 28 augustus 2002, Kazachstan- Houding van de autoriteiten tegenover extreme moslimbeleving; US Department of State, Country Reports on Human Rights Practices 2000: Kazakhstan, Bureau of Democracy, Human Rights and Labor, February 2001; US Departement of State, 2000 Annual Report on International Religious Freedom: Kazakhstan, Bureau of Democracy, Human Rights and Labor, September 5, 2000). Het is dan ook zeer onwaarschijnlijk dat u niet op bescherming of hulp van de Kazachse autoriteiten zou kunnen rekenen en dat uw klachten met betrekking tot moslimfundamentalisten niet serieus zouden worden genomen door de Kazachse autoriteiten. Uit het geheel van deze vaststellingen kan slechts worden geconcludeerd dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat u mogelijkerwijze op grond van uw Russische origine en uw orthodox geloof actueel in Kazachstan wordt vervolgd in de zin van de Conventie van Genève van 1951." Dat de commissaris-generaal in casu een manifeste en grove appreciatiefout begaat welke onderworpen is aan de controle van de Raad van State onderworpen (Raad van State 1.2.95 nr. 51.466, l le Kamer G.N Belgische Staat, C.G.V.S); Dat het Internationaal verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juni 1951 en goedgekeurd bij Wet van 31 januari 1953, en het Protocol van New-York van 31 januari 1967 betreffende de Status van Vluchtelingen, goedgekeurd bij wet van 27 februari 1967, een internationaal instrument met humanitaire doelstellingen is, hetgeen een soepele interpretatie en evenwichtige verdeling van de bewijslast vergt ( BOSSUYT, M., ‘De vluchtelingendefinitie uit het Verdrag van Genève’ in Binnen en buiten, Vluchtelingen op zoek naar recht, TegenWraak Cahiers nr. 7., Kluwer, Antwerpen, 1988, p. 29). Dat de Raad van State zeer terecht in een andere zaak geoordeeld heeft De vervolgingen moeten niet noodzakelijk uitgaan van de nationale overheid. Opdat een vervolging door particulieren in aanmerking kan worden genomen voor de toepassing van het Internationaal Verdrag von Genève 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen is volgens de criteria die door het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen en Staatlozen zijn opgesteld, vereist dat zij 'wetens en willens' door de overheid worden getolereerd of dat laatstgenoemde niet in staat is een 'doeltreffende bescherming' te bieden. (R.v.St. nr. 62.976, 6.11.1996, Rev.dr étr., 1996, 759; T.Vreemd." 1997, 74). Dat het voor zichzelf spreekt dat de dader van de feiten zelfs niet de overheid zelve dient te zijn. Dat ter zake in de beslissing eigenlijk niet uiteengezet waarom verzoekende partij zou kunnen rekenen op een efficiënte rechtsbescherming. XIV-11.797-7/16 Dat de motivering enkel en alleen een statement is zonder dat gesteld wordt waarom het gestelde juist zou zijn. Dat het voor zichzelf spreekt dat de dader van de feiten zelfs niet de overheid zelve dient te zijn. Dat ter zake in de beslissing eigenlijk niet uiteengezet waarom verzoekende partij zou kunnen rekenen op een efficiënte rechtsbescherming. Dat de bestreden beslissing stelt dat de hogere overheid gevoelig zou zijn voor, hetgeen evenwel totaal niets zegt over hoe de intenties zouden worden uitgevoerd. Dat betreffende de rechtsbescherming en meerbepaald het ontbreken er van internationale rapporten het tegendeel inhouden dan wat de motieven van de bestreden beslissing releveert. Dit al uit het de eerste bladzijden van het U.S. DEPARTEMENT OF STATE, COUNTRY REPORTS ON HUMAN RICHTS PRACTISES -2001 van 4 maart 2002 blijkt dat : - de prestaties van de regering op het vlak van de mensenrechten zeer pover bleven, - de regering zeer erg de rechten van de burgers om de regering te wijzigen beperkt, - de regering willekeurige arrestatie bleef hanteren, - de regering bleef inbreuk plegen op het recht op privacy van de burgers, - de werking van de rechterlijke macht problematisch bleef, - geweld tegen vrouwen en de rechtsbescherming daartegen problematisch was. Dat pagina 7 van hetzelfde rapport duidelijk stelt dat magistraten zeer beïnvloedbaar zijn. Het jaarlijks rapport ‘Human Richts in Kazchstan, situation in the 9 months 1997' releveert reeds diezelfde problemen. Dat het zelfde rapport ernstige problemen in verbande met de rechtsbescherming meldt. Dat de vervolging ondermeer blijkt uit een artikel gehaald uit internet ‘FEDRAL MEETING- PARLAIMENT TOT RUSSIA FEDERATIONS’ : waaruit blijkt dat honderdduizenden mensen van Russische oorsprong en andere minderheden verplicht worden het land te verlaten, dat de Russisch sprekenden effectief vervolgd worden. Dat zelfs zo verzoekende partij de feiten zelf zou toeschrijven aan bepaalde redenen dit nog niet de commissaris-generaal niet ontslaat van het onderzoeken of de juiste kwalificatie van de feiten niet valt onder de toepassing van de conventie van Genève. Dat de commissariaat-generaal zich aldus ten onrechte beperkt heeft tot de kwalificaties vermoed door de verzoekende partij zonder de andere mogelijke kwalificaties na te gaan. Dat het de overheid behoort zich volledig en correct in te lichten nopens de situatie alvorens een beslissing te nemen (VAN HEULE D., De motiveringplicht en Vreemdelingenwet, T.V.R., 1993, 67-68). Dat het behoort alle element van een zaak in consideratie te nemen en het aldus niet behoort bepaalde elementen niet te bekijken (Cfr. RvSt. nr. 76.442 dd. 14 oktober 1998 en cfr. nr. 78.542 dd. 4 februari 1999; Dat de motivering slechts afdoende is als de motivatie steun vindt in het administratief dossier en alle elementen die ter kennis zijn gebracht in overweging dient te nemen. Rvst. 78.792 van 26 februari 1999). Dat er trouwens andere kwalificatiemogelijkheden blijken uit internationale rapporten. Dat het ijveren voor de rechten van Russisch sprekenden of het vervolgen van Russisch sprekenden ook kan passen in ander kwalificaties : - het onderdrukken van politieke rechten van oppossanten tegen het regime - het onderdrukken van het recht op vrije meningsuiting - het problematisch karakter van de rechtsbescherming - het ontbreken van rechtsbescherming voor vrouwen. Dat het kennelijk onredelijk is om zelfs de ander mogelijke aanknopingspunten zelfs niet te onderzoeken nu verzoekende partij voldoende feitenmateriaal aangevoerd heeft. Dat zij trouwens het principe van de rechtstaat willen toepassen en belijden. Dat het begrip ‘democratische rechtstaat’ een wezenlijk begrip is dat zelfs de andere fundamentele rechten schraaft (cfr. E.H.R.M., 21 februari 1975, Golder, Publ. Court, Series A., vol. 18). Dat het ijveren voor dit beginsel binnen de conventie van Genève valt. Dat de vervolging ondermeer blijkt uit een artikel gehaald uit internet ‘FEDRAL MEETING- PARLAIMENT TOT RUSSIA FEDERATIONS’ : waaruit blijkt dat honderduizenden mensen van Russische oorsprong en andere minderheden verplicht worden het land te verlaten, dat de Russisch sprekenden effectief vervolgd worden. Dat betreffende de rechtsbescherming en meerbepaald het ontbreken er van internationale rapporten het tegendeel inhouden dan wat de motieven van de bestreden beslissing releveert. Dit al uit het de eerste bladzijden van het U.S. DEPARTEMENT OF STATE, COUNTRY REPORTS ON HUMAN RICHTS PRACTISES -2001 van 4 maart 2002 blijkt dat : - de prestaties van de regering op het vlak van de mensenrechten zeer pover bleven, - de regering zeer erg de rechten van de burgers om de regering te wijzigen beperkt, - de regering willekeurige arrestatie bleef hanteren, - de regering bleef inbreuk plegen op het recht op privacy van de burgers, - de werking van de rechterlijke macht problematisch bleef, - geweld tegen vrouwen en de rechtsbescherming daartegen problematisch was. Dat pagina 7 van hetzelfde rapport duidelijk stelt dat magistraten zeer beïnvloedbaar zijn. Het jaarlijks rapport ‘Human Richts in Kazchstan, situation in the 9 months 1997' releveert reeds diezelfde problemen. Dat het zelfde rapport ernstige problemen in verbande met de rechtsbescherming meldt. Dat het niet voorkomen in bepaalde rapporten niet betekent dat feiten zich niet voordeden. Dat ter zake naar een historisch voorbeeld kan verwezen worden. Dat Stalin de toenmalige XIV-11.797-8/16 leider van de Sovjetunie westerse waarnemers een paradijs kon voorstellen, zonder schending van de mensenrechten daar waar de werkelijkheid totaal anders was. Dat ook de internationale rapporten die nog voorgelegd worden het relaas van de feiten ondersteunen zoals reeds hierboven gesteld. Dat een dergelijke motivering eigenlijk geen individuele behandeling van de zaak uitmaakt zoals de conventie van Genève en de vreemdelingenwet voorstaan. Dat het niet volstaat een verzoek af te wijzen met het al te algemeen argument dat iets doorgaans zo zou zijn. Dat hetgeen hierboven reeds gesteld wordt versterkt wordt het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken dd. 10 januari 2001 waaruit blijkt dat diegenen die naar België gegaan zijn vervolgd zullen worden. Dat dit de indruk versterkt dat al wie niet regeringsvriendelijke zaken heeft verteld zal worden aangepakt. Dat er aldus iets te verbergen zal zijn voor de overheid.”; 3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In het tweede middel beroept verzoeker zich op een schending van de motiveringsvereiste. Verweerder merkt op dat in de bestreden beslissing wordt uiteengezet dat uit de informatie waarover 'het commissariaat-generaal beschikt blijkt dat het niet aannemelijk is dat verzoekers niet op de bescherming van de Kazachse autoriteiten zouden kunnen rekenen. De informatie waarop de beslissing steunt is bijgevoegd in het administratief dossier, dat door verzoekers kan worden ingekeken op het commissariaat-generaal. De feiten die verzoekers aanhalen in hun verzoekschrift betreffende het respecteren van de mensenrechten en de vrijheid van politieke vereniging doen geen afbreuk aan de vaststelling in dezelfde rapporten dat de Kazachse regering optreedt tegen moslimfundamentalisme. De theoretische uiteenzetting van verzoekers doet daaraan evenmin afbreuk. Het feit dat verzoeker een andere kwalificatie voorstelt toont evenmin aan dat de beslissing van de commissaris-generaal kennelijk onredelijk zou zijn. Verweerder voegt daar nog aan toe dat verzoekers tijdens hun asielrelaas op geen enkel moment aanhaalden dat ze politiek actief zouden zijn of dat ze zouden ijveren voor de democratische rechtstaat. Met betrekking tot de tekst die verzoeker aanhaalt (Federal Meeting - Parliament to Russia Federations) merkt verweerder vooreerst op dat niet kan worden nagegaan vanwaar deze informatie afkomstig is, zodat ook de betrouwbaarheid ervan niet kan worden gegarandeerd. Voorts merkt verweerder op dat blijkt dat de tekst in 1995 is geschreven, terwijl verzoekers geenszins aantonen dat de situatie op dit moment, in weerwil van de informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt, nog steeds zo zou zijn. De door verzoekers aangebrachte informatie doet aldus geen afbreuk aan de bestreden beslissingen. Verweerder merkt tot slot nog op dat de Raad van State reeds vroeger oordeelde dat aan de commissaris-generaal geen appreciatiefout kan worden verweten daar waar hij de door verzoekster afgelegde verklaringen toetst aan recente informatie betreffende de toestand in Kazachstan (cfr. R.v.St. nr. 91.923 van 29 december 2000). Verweerder merkt op dat nu blijkt dat de informatie in het Missierapport bovendien nergens op concrete wijze weerlegd wordt door verzoekers, de commissaris-generaal terecht zijn beslissing steunde op de gegevens in dit rapport. Het tweede middel is niet gegrond.”: 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij er in de memorie van wederantwoord het volgende aan toevoegt: “Dat verzoekende partij volhardt wat betreft het tweede middel. Dat bovendien dient benadrukt te worden dat verwerende partij niet de beperktheid van haar onderzoek in te roepen ten einde het middel van de verzoekende partij te doen verwerpen. Dat door het slechts gedeeltelijk onderzoeken van de zaak en de beschikbare informatie de bestreden beslissing evidenterwijze niet kan gemotiveerd zijn. Dat hetgeen ingeroepen wordt in de middelen zoals gesteund door de stukken niet weerlegd wordt. Dat dit nog benadrukt wordt door het feit dat de commissaris-generaal slechts een van de stukken wenst te bespreken.”; XIV-11.797-9/16 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij onder meer de schending opwerpt van de artikelen 149 G.W. en 6 E.V.R.M.; dat deze bepalingen in casu niet van toepassing zijn; dat artikel 149 G.W. bepaalt dat vonnissen moeten worden gemotiveerd; dat de bestreden beslissing echter geen vonnis is, zodat niet valt in te zien op welke wijze dit artikel zou zijn geschonden door de bestreden beslissing; dat artikel 6 van het E.V.R.M. enkel van toepassing is op jurisdictionele procedures doch niet op een zuiver administratiefrechtelijke procedure zoals een administratief beroep tegen een beslissing over een asielaanvraag; dat de middelen in die mate niet-ontvankelijk zijn; Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat deze tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid een beslissing heeft genomen, zodat de bestuurde kan met kennis van zaken kan oordelen of het zinvol is de rechtsmiddelen te gebruiken waarover hij beschikt; dat de motieven op eenvoudige wijze in de bestreden beslissing kunnen worden gelezen en dat uit de uiteenzetting in het middel blijkt dat de verzoekende partij deze redenen kent, doch betwist dat de gegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat het middel ongegrond is in de mate dat het betrekking heeft op de formele motiveringsplicht; Overwegende, in de mate dat de verzoekende partij de motieven inhoudelijk aanvecht en aldus de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt, dat het bij de beoordeling daarvan niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de motivering van de bestreden beslissing betrekking heeft op het feit dat de Russische bevolkingsgroep en de orthodoxe gelovigen in Kazachstan niet worden vervolgd doch dat de Kazachse autoriteiten integendeel het moslimfundamentalisme bestrijden, zodat er geen redenen zijn om aan te nemen dat de verzoekende partij vervolging wegens haar Russische afkomst of orthodox geloof zou moeten vrezen; dat daartoe naar een verslag van het Cedoca van 28 augustus 2002 en naar verschillende internationale verslagen uit de periode 2000-2002 wordt verwezen; Overwegende dat de verzoekende partij deze vaststellingen op algemene wijze ontkent; dat zij de voormelde vaststellingen niet weerlegt met de verwijzing naar een verslag van het U.S. Departement of State waarin het gaat over inbreuken op het recht op privacy van de burgers, de beperkte rechten van de burgers om XIV-11.797-10/16 de regering te wijzigen en andere voorgehouden tekortkomingen, die echter geen uitstaans hebben met de voornoemde vaststellingen in de bestreden beslissing; dat de verzoekende partij nog verwijst naar “een artikel gehaald uit internet: FEDRAL MEETING- PARLAIMENT TOT RUSSIA FEDERATIONS” (sic), waarin het jaar 1995 wordt vermeld en waarvan geen nauwkeurige herkomst doch slechts een slordige Engelse vertaling wordt meegedeeld; dat met dergelijke vage verwijzing evenmin de onjuistheid van de vaststellingen in de bestreden beslissing wordt aannemelijk gemaakt; dat de verwijzing naar een verslag uit 1997 over de mensenrechten evenmin dienend is voor de beoordeling van feiten die zich in 1999 zouden hebben voorgedaan, daargelaten het feit dat de verzoekende partij de door haar aangehaalde verslagen niet op haar eigen toestand betrekt; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de commissaris- generaal de bestreden beslissing op kennelijk onredelijke wijze of op grond van onjuiste feitelijke gegevens heeft genomen; dat het tweede middel ook in die mate ongegrond is; 3.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending van de artikel 52 juncto 63/2 en 63/3 van de Vreemdelingenwet opwerpt en dit, na de bestreden beslissing en de beslissing betreffende haar echtgenote te hebben geciteerd, als volgt toelicht: “Dat het evenwel de commissaris-generaal, optredend in dringend beroep, niet behoort een beslissing ten gronde in het stadium van de ontvankelijkheid te nemen. Dat in casu de commissaris-generaal reeds over de grond beslist heeft en niet geoordeelt heeft over de kwestie of het verzoek tot vluchteling verklaard te worden al dan niet kennelijk ongegrond is, of al dan niet klaarblijkelijk ongegrond is. Dat uit artikel 63/2 en 63/3 volgt dat artikel 52 van de vreemdelingenwet de criteria omvat waarover de commissaris-generaal in dringend beroep vermag te oordelen. Dat de bewoordingen kennelijk of klaarblijkelijk uiteraard belangrijk zijn in de tekst van artikel 52 van de vreemdelingenwet (CARLIER, J.-Y. ‘La procédure de reconnaissance de la qualité de réfugié en Belgique’ B.T.I.R. 1989, 158). Dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet geschonden wordt als de aanvraag niet- ontvankelijk wordt verklaard, daar waar er in werkelijkheid een beslisding ten gronde werd genomen (voor een duidelijk voorbeeld zie RvSt. nr. 48.825 dd 31 augustus 1994). Dat door aldus te oordelen verzoekende partij geen oordeel over de grond van de zaak heeft kunnen bekomen, welke aan een rechterlijke instantie is kunnen voorgelegd worden, rechterlijke instantie met waarborgen betreffende het oordeel over de zaak zelve, waarvan verzoekende partij in casu verstoken bleef.”; 3.3.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt “dat verzoekers geenszins aantonen of zelfs maar aannemelijk maken dat de Commissaris-generaal een beslissing ten gronde zou hebben genomen.”; 3.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord volhardt in het middel; 3.3.
- Overwegende dat de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet de commissaris-generaal de mogelijkheid bieden om een bevestigende beslissing te nemen inzake de onontvankelijkheid van een asielaanvraag op basis van de bedrieglijkheid of de kennelijke ongegrondheid ervan; dat een onderzoek in de XIV-11.797-11/16 ontvankelijkheidsfase door de commissaris-generaal, waarbij wordt besloten tot de bedrieglijkheid en/of de kennelijke ongegrondheid van een asielaanvraag noodzakelijkerwijze een vergelijking inhoudt van de verklaringen van de betrokkene met bekende objectieve criteria die op het specifieke geval van toepassing zijn; dat daarbij dient te worden onderzocht of er redelijkerwijze van uit mag worden gegaan dat de feiten die de asielaanvrager naar voren brengt tijdens zijn asielaanvraag, waarachtig zijn en beantwoorden aan de criteria van de Vluchtelingenconventie van Genève; dat indien uit dit onderzoek blijkt dat de verstrekte gegevens niet met de werkelijkheid overeenstemmen of niet redelijkerwijze onder de criteria van de Vluchtelingenconventie zijn te brengen, kan worden besloten tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag; dat nergens uit blijkt dat een beslissing ten gronde is genomen en dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal met de bestreden beslissing de grenzen van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem krachtens de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is toegekend, heeft overschreden; dat het derde middel ongegrond is; 3.4.
- Overwegende dat de verzoekende partij een vierde middel opwerpt dat luidt als volgt: “DAT DE BESTREDEN BESLISSING NIET GENOMEN IS BINNEN EEN REDELIJKE TERMIJN Dat de asielaanvraag reeds op 25 januari 2000 is gebeurd luidens de bestreden beslissing Dat het dringend beroep luidens de bestreden beslissing ingediend werd op 11 augustus 2002 en de beslissing zou dateren van 11 september
- Dat men uiteraard niet redelijk kan verantwoorden dat er een zo lange tijd werd gedaan over een standaardmotivering. Dat aldus de administratieve beslissing kennelijk niet genomen is binnen een redelijke terrnijn. Dat bestuurlijke overheden ( RvSt., Lostennans, nr. 18.258, 4 mei 1977; RvSt. Brussel, nr. 20.492, 1 juli 1980; RvSt., 30.493, 24 juni 1988, R.D.E., 1988, nr. 50, p. 150; ; RvSt., 30.624, 2 september 1988, A.P.M., 1988, 11 l; RvSt., nr. 31.777, 18 janauri 1988, R.A.C.E., 1989; RvSt., Graimson, nr. 31.675, 6 januari 1989, J.L.M.B., 1989, 621; RvSt., nr. 31.777, 18 januari 1988, R.A.C.E., 1989; RvSt., 33.055, 22 september 1989, R.D.E., 1990, nr. 57, p. 25; RvSt., 33.453, 24 november 1989, R.D.E., 1990, nr. 59, p.188, R.A.C.E., 1989; RvSt., Muret, nr. 34.523, 23 maart 1990; RvSt., 35.553, R.D.E., 1990, nr.59, p.159; RvSt., 38.861, 22 februari 1992, M.T.D./Belgische Staat, T.V.V.R., 1992, 063/77; RvSt., nr. 39.977, 25 juni 1992, R.D.E. 1992, nr. 70, 303-304; RvSt., nr. 44.495, 18 november 1993; RvSt., nr. 44.496, 18 november 1993 ) de hun voorgelegde zaken binnen een redelijke termijn diene te behandelen. Dat het uitvoerend comité van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties een algemene conclusie uitgevaardigd heeft waarin gestipulleerd wordt dat de vreemdelingenzaken dienen afgehandeld te worden binnen een redelijke termijn Conclusie, 44ste Sessie, Uitvoerend Comité, Geneve, H.C.R., 1993, k). Dat de Raad van State in tuchtzaken zelfs geoordeeld heeft dat het vereiste van redelijke termijn onverkort geldt, zelfs wanneer nog een strafonderzoek loopt (RvSt., Graimson, nr. 31.675, 6 januari 1989, J.L.M.B., 1989, 621). Dat de Raad van State reeds herhaaldelijk in vreemdelingenzaken het overtreden van de rechtsregel der redelijke termijn gesanctioneerd heeft (RvSt., 30.493, 24 juni 1988, R.D.E., 1988, nr. 50, p. 150; ; RvSt., 30.624, 2 september 1988, A.P.M., 1988, 111; RvSt., nr. 31.777, 18 januari 1988, R.A.C.E., 1989; RvSt., nr. 31.777, 18 januari 1988, R.A.C.E., 1989; RvSt., 33.055, 22 september 1989, R.D.E., 1990, nr. 57, p. 25; RvSt., 33.453, 24 november 1989, R.D.E., 1990, n-r. 59, p.188, R.A.C.E., 1989; RvSt., 35.553, R.D.E., 1990, nr.59, p.159; RvSt., nr. 39.977, 25 juni 1992, R.D.E. 1992, nr. 70, 303-304; RvSt., nr. 44.495, 18 november 1993; RvSt., nr. 44.496, 18 november 1993). Dat na het verloop van de redelijke termijn de kandidaat-politieke vluchteling er op moet kunnen vertrouwen dat de overheid geen negatieve beslissing meer neemt. Dat na het verloop van de redelijke termijn een administratieve overheid geen negatieve beslissing meer vermag te nemen, daar anders art. 8 van het E.V.R.M.( Europees verdrag voor XIV-11.797-12/16 de rechten van de mens), welke het privéleven beschermt, geschonden wordt, gelet op het proportionaliteitsvereiste. Dat voorts verwezen wordt naar het arrest ALLEWAERT, nr. 73.717 dd. 18 mei 1998.”; 3.4.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord verwijst naar het verweer tegen het eerste middel; 3.4.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord volhardt in het middel; 3.4.
- Overwegende dat naar de bespreking van het eerste middel kan worden verwezen; dat het vierde middel niet-ontvankelijk is bij gebrek aan belang; 3.5.
- Overwegende dat de verzoekende partij een vijfde middel opwerpt dat luidt als volgt: “SCHENDING VAN ARTIKEL 1 HET VERDRAG VAN GENEVE EN VAN ART. 52, 57,6, 63/2, 63.3 VAN DE VREEMDELINGENWET Dat de bestreden beslissing berust op volgende motieven : ‘U verklaarde dat u omwille van etnische (DVZ, vraag 41 en CGVS,p.2) en religieuze redenen (CGVS, p.2) uw land heeft verlaten. De door u aangebrachte vervolging (afpersing, bedreiging, fysieke agressie, arrestatie, inbeslagname van identiteitskaart, ... ) strookt echter niet met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (Cedoca, The Situation of the Slavic minority in Kazachstan, February 2002). Uit de geciteerde informatie blijkt dat de Russische bevolkingsgroep en de orthodoxe gelovigen niet worden vervolgd in de zin van de Vluchtelingenconventie. Uit dezelfde informatie blijkt eveneens dat de hogere Kazachse autoriteiten gevoelig zijn voor elke vorm van etnisch/religieus geweld en spanning en dat eventuele bescherming u niet zou geweigerd worden omwille van uw etnische origine of uw geloofsovertuiging. In dit verband dient te worden opgemerkt dat u verklaarde dat u problemen had met vermoedelijke moslimfundamentalisten (CGVS, p.7). Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt echter dat de Kazachse autoriteiten het religieus extremisme bestrijden (Cedoca, The Situation of the Slavic minority in Kazachstan, February 2002; Cedoca, antwoorddocument van 28 augustus 2002, Kazachstan- Houding van de autoriteiten tegenover extreme moslimbeleving; US Department of State, Country Reports on Human Rights Practices 2000: Kazakhstan, Bureau of Democracy, Human Rights and Labor, February 2001; US Departement of State, 2000 Annual Report on International Religious Freedom: Kazakhstan, Bureau of Democracy, Human Rights and Labor, September 5, 2000). Het is dan ook zeer onwaarschijnlijk dat u niet op bescherming of hulp van de Kazachse autoriteiten zou kunnen rekenen en dat uw klachten met betrekking tot moslimfundamentalisten niet serieus zouden worden genomen door de Kazachse autoriteiten. Uit het geheel van deze vaststellingen kan slechts worden geconcludeerd dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat u mogelijkerwijze op grond van uw Russische origine en uw orthodox geloof actueel in Kazachstan wordt vervolgd in de zin van de Conventie van Genève van 1951.’ Dat een dergelijke interpretatie indruist tegen artikel 1 het verdrag van Genève en van art. 52, 57,6, 63/2, 63.3 van de vreemdelingenwet Dat het Internationaal verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juni 1951 en goedgekeurd bij Wet van 31 januari 1953, en het Protocol van New-York van 31 januari 1967 betreffende de Status van Vluchtelingen, goedgekeurd bij wet van 27 februari 1967, een internationaal instrument met humanitaire doelstellingen is, hetgeen een soepele interpretatie en evenwichtige verdeling van de bewijslast vergt (BOSSUYT, M., ‘De vluchtelingendefinitie uit het Verdrag van Genève’ in Binnen en buiten, Vluchtelingen op zoek naar recht, Tegenspraak Cahiers nr. 7., Kluwer, Antwerpen, 1988, p. 29 ). Dat de Raad van State zeer terecht in een andere zaak geoordeeld heeft ‘De vervolgingen moeten niet noodzakelijk uitgaan van de nationale overheid. Opdat een vervolging door particulieren in aanmerking kan worden genomen voor de toepassing van het Internationaal Verdrag von Genève 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen is volgens de criteria die door het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen en Staatlozen zijn opgesteld, vereist dat zij 'wetens en willens' door de overheid worden getolereerd of dat laatstgenoemde niet in XIV-11.797-13/16 staat is een 'doeltreffende bescherming' te bieden. "(R.v.St. nr. 62.976, 6.11.1996, Rev. dr étr., 1996, 759; T. Vreemd.’ 1997, 74). Dat het voor zichzelf spreekt dat de dader van de feiten zelfs niet de overheid zelve dient zijn. Dat ter zake in de beslissing eigenlijk niet uiteengezet waarom verzoekende partij zou kunnen rekenen op een efficiënte rechtsbescherming. Dat de motivering enkel en alleen een statement is zonder dat gesteld wordt waarom het gestelde juist zou zijn. Dat het voor zichzelf spreekt dat de dader van de feiten zelfs niet de overheid zelve dient te zijn. Dat ter zake in de beslissing eigenlijk niet uiteengezet waarom verzoekende partij zou kunnen rekenen op een efficiënte rechtsbescherming. Dat de bestreden beslissing stelt dat de hogere overheid gevoelig zou zijn voor, hetgeen evenwel totaal niets zegt over hoe de intenties zouden worden uitgevoerd. Dat betreffende de rechtsbescherming en meerbepaald het ontbreken er van internationale rapporten het tegendeel inhouden dan wat de motieven van de bestreden beslissing releveert. Dit al uit het de eerste bladzijden van het U.S. DEPARTEMENT OF STATE, COUNTRY REPORTS ON HUMAN RICHTS PRACTISES -2001 van 4 maart 2002 blijkt dat : - de prestaties van de regering op het vlak van de mensenrechten zeer pover bleven, - de regering zeer erg de rechten van de burgers om de regering te wijzigen beperkt, - de regering willekeurige arrestatie bleef hanteren, - de regering bleef inbreuk plegen op het recht op privacy van de burgers, - de werking van de rechterlijke macht problematisch bleef, - geweld tegen vrouwen en de rechtsbescherming daartegen problematisch was. Dat pagina 7 van hetzelfde rapport duidelijk stelt dat magistraten zeer beïnvloedbaar zijn. Het jaarlijks rapport 'Human Richts in Kazchstan, situation in the 9 months 1997' releveert reeds diezelfde problemen. Dat het zelfde rapport ernstige problemen in verbande met de rechtsbescherming meldt. Dat de vervolging ondermeer blijkt uit een artikel gehaald uit internet ‘FEDRAL MEETING- PARLAIMENT TOT RUSSIA FEDERATIONS’: waaruit blijkt dat honderdduizenden mensen van Russische oorsprong en andere minderheden verplicht worden het land te verlaten, dat de Russisch sprekenden effectief vervolgd worden. Dat zelfs zo verzoekende partij de feiten zelf zou toeschrijven aan bepaalde redenen dit nog niet de commissaris-generaal niet ontslaat van het onderzoeken of de juiste kwalificatie van de feiten niet valt onder de toepassing van de conventie van Genève. Dat de commissari- generaal zich aldus ten onrechte beperkt heeft tot de kwalificaties vermoed door de verzoekende partij zonder de andere mogelijke kwalificaties na te gaan. Dat het de overheid behoort zich volledig en correct in te lichten nopens de situatie alvorens een beslissing te nemen (VAN HEULE D., De motiveringplicht en Vreemdelingenwet, T.V.R., 1993, 67-68). Dat het behoort alle element van een zaak in consiceratie te en het aldus niet behoort bepaalde elementen niet te bekijken (Cfr. RvSt. nr. 76.442 dd. 14 oktober 1998 en cfr. nr. 78.542 dd. 4 februari 1999,; Dat de motivering slechts afdoende is als de motivatie steun vindt in het administratief dossier en alle elementen die ter kennis zijn gebracht in overweging dient te nemen. Rvst. 78.792 van 26 februari 1999). Dat er trouwens andere kwalificatiemogelijkheden blijken uit internationale rapporten. Dat het ijveren voor de rechten van Russisch sprekenden of het vervolgen van Russisch sprekenden ook kan passen in ander kwalificaties : - het onderdrukken van politieke rechten van oppossanten - het onderdrukken van het recht op vrije meningsuiting - het problematisch karakter van de rechtsbescherming - het ontbreken van rechtsbescherming voor vrouwen. tegen het regime Dat het kennelijk onredelijk is om zelfs de ander mogelijke aanknopingspunten zelfs niet te onderzoeken nu verzoekende partij voldoende feitenmateriaal aangevoerd heeft. Dat zij trouwens het principe van de rechtstaat willen toepassen en belijden. Dat het begrip ‘democratische rechtstaat’ een wezenlijk begrip is dat zelfs de andere fundamentele rechten schraaft (cfr. E.H.R.M., 21 februari 1975, Golder, Publ. Court, Series A., vol. 18). Dat het ijveren voor dit beginsel binnen de conventie van Genève valt. Dat de vervolging ondermeer blijkt uit een artikel gehaald uit internet : ‘FEDERAL MEETING- PARLAIMENT TOT RUSSIA FEDERATIONS’ : waaruit blijkt dat honderdduizenden mensen van Russische oorsprong en andere minderheden verplicht worden het land te verlaten, dat de Russisch sprekenden effectief vervolgd worden. Dat betreffende de rechtsbescherming en meerbepaald het ontbreken er van internationale rapporten het tegendeel inhouden dan wat de motieven van de bestreden beslissing releveert. Dit al uit het de eerste bladzijden van het U.S. DEPARTEMENT OF STATE, COUNTRY REPORTS ON HUMAN RICHTS PRACTISES -2001 van 4 maart 2002 blijkt dat : - de prestaties van de regering op het vlak van de mensenrechten zeer pover bleven, - de regering zeer erg de rechten van de burgers om de regering te wijzigen beperkt, - de regering willekeurige arrestatie bleef hanteren, - de regering bleef inbreuk plegen op het recht op privacy van de burgers, - de werking van de rechterlijke macht problematisch bleef, - geweld tegen vrouwen en de rechtsbescherming daartegen problematisch was. Dat pagina 7 van hetzelfde rapport duidelijk stelt dat magistraten zeer beïnvloedbaar zijn. XIV-11.797-14/16 Het jaarlijks rapport ‘Human Richts in Kazchstan, situation in the 9 months 1997' releveert reeds diezelfde problemen. Dat het zelfde rapport ernstige problemen in verbande met de rechtsbescherming meldt. Dat het niet voorkomen in bepaalde rapporten niet betekent dat feiten zich niet voordeden. Dat ter zake naar een historisch voorbeeld kan verwezen worden. Dat Stalin de toenmalige leider van de Sovjetunie westerse waarnemers een paradijs kon voorstellen, zonder schending van de mensenrechten daar waar de werkelijkheid totaal anders was. Dat ook de internationale rapporten die nog voorgelegd worden het relaas van de feiten ondersteunen zoals reeds hierboven gesteld. Dat een dergelijke motivering eigenlijk geen individuele behandeling van de zaak uitmaakt zoals de conventie van Genève en de vreemdelingenwet voorstaan. Dat het niet volstaat het verzoek af te wijzen met het al te algemeen argument dat iets doorgaans zo zou zijn. Dat hetgeen hierboven reeds gesteld wordt versterkt wordt het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken dd. 10 januari 2001 waaruit blijkt dat diegenen die naar België gegaan zijn vervolgd zullen worden. Dat dit de indruk versterkt dat al wie niet regeringsvriendelijke zaken heeft verteld zal worden aangepakt. Dat er aldus iets te verbergen zal zijn voor de overheid. Dat de commissaris-generaal in casu een manifeste en grove appreciatiefout begaat welke onderworpen is aan de controle van de Raad van State onderworpen (Raad van State 1.2.95 nr. 51.466, l Ie Kamer G.N Belgische Staat, C.G.V.S); Dat het Internationaal verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juni 1951 en goedgekeurd bij Wet van 31 januari 1953, en het Protocol van New-York van 31 januari 1967 betreffende de Status van Vluchtelingen, goedgekeurd bij wet van 27 februari 1967, een internationaal instrument met humanitaire doelstellingen is, hetgeen een soepele interpretatie en evenwichtige verdeling van de bewijslast vergt (BOSSUYT, M., ‘De vluchtelingendefinitie uit het Verdrag van Genève’ in Binnen en buiten, Vluchtelingen op zoek naar recht, Tegenspraak Cahiers nr. 7., Kluwer, Antwerpen, 1988, p. 29).”; 3.5.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord verwijst naar het verweer tegen het tweede middel en stelt “dat verzoekers geen enkel concreet element aanhalen waaruit zou blijken dat de beslissing van de Commissaris- generaal kennelijk onredelijk is.”; 3.5.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord volhardt in het middel; 3.5.
- Overwegende dat artikel 57/6 van de Vreemdelingenwet betrekking heeft op de beslissingen tot weigering van de erkenning, tot bevestiging van de hoedanigheid van vluchteling of tot de intrekking van die hoedanigheid en derhalve op de gegrondheidsfase van de asielaanvraag; dat met de bestreden beslissing echter in de ontvankelijkheidsfase een beslissing tot weigering van verblijf is genomen op basis van de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet, zoals ook blijkt uit de bespreking van het derde middel; dat de schending van artikel 57/6 van die wet derhalve niet op ontvankelijke wijze kan worden opgeworpen; Overwegende dat de verzoekende partij inhoudelijk geen andere elementen aanvoert dan in het derde middel; dat derhalve naar de bespreking van het derde middel kan worden verwezen; dat het vijfde middel in die mate ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-11.797-15/16 BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen september tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-11.797-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.705 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.