← België

Arrest 148707 - - 09/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.707 Rolnummer: A. 149938/XIV-19096 Zaak: Arrest 148707 - - 09/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-30 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 23:33 Fiche Arrest nr 148.707 van 9 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.707 van 9 september 2005 in de zaak A. 149.938/XIV-19.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. BUYTAERT, kantoor houdende te 9170 SINT-GILLIS-WAAS, Vosstraat 9 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nepalese nationaliteit, op 24 maart 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 23 februari 2004 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 19 november 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 24 februari 2004; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 30 maart 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 9 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 juni 2005; XIV-19.096-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. KUSTERS, die loco advocaat P. BUYTAERT verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 13 november 2003 en zich op 14 november 2003 vluchteling verklaart; dat op 19 november 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 23 februari 2004 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U verklaart de Nepalese nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn van Bharoul, Sunsari district. In het jaar 2048 (Nepalese kalender; komt overeen met het jaar 1991- 1992 in de Europese kalender) zou u naar ltahari verhuisd zijn daar u van 2048 (1991 - 1992) tot 2060

(2003)in ltahari school zou gelopen hebben. U zou op het einde aan de Tribhuvan universiteit faculteit management een cursus business administration gevolgd hebben die u in de vijfde maand van het jaar 2060 (augustus - september 2003) zou hebben afgerond. Sinds het jaar 2056 (1999 - 2000) zou u 's nachts door de maoïsten benaderd zijn met de vraag om u bij hen aan te sluiten. Daar er onder de maoïsten zich vrienden van u zouden bevinden en, zoals het de Nepalese traditie voorschrijft, zou u hen telkens te eten gegeven hebben. Soms zouden de maoïsten u geld toegestopt hebben om u op deze wijze te overhalen om toe te treden en om u in hun zaken te mengen. In de twaalfde maand van het jaar 2058 (maart - april 2002) zou uw familie een deel van hun grond in Bharoul verkocht hebben en zouden ze u in ltahari vervoegd hebben. Op 0710312059 (21 juni 2002) zou u samen met uw neef ooggetuige geweest zijn van de moord op uw oom Govinda Dahal door de maoïsten. Eén van de maoïsten zou uw vriend Amrit Khadka geweest zijn Als u de volgende dag door de politie zou ondervraagd zijn over de moord op uw oom zou u deze naam doorgegeven hebben maar de politie zou hem nooit hebben kunnen arresteren. Vanaf 21/0412059 (6 augustus 2002) zou u op verschillende plaatsen geleefd hebben, nadat de maoïsten nogmaals bij u zouden zijn langsgekomen om u te vragen om voor hen te werken en nadat één van hen ermee zou gedreigd hebben u te doden indien u zou weigeren. Van de vierde maand van het jaar 2059 (augustus 2002) tot de zesde maand van het jaar 2060 (oktober 2003) zou u geen problemen meer gekend hebben met de maoïsten, daar u in die periode onder andere in Kathmandu en India zou hebben verbleven. in de nacht van 1710612060 (4 oktober 2003) zouden maoïsten getracht hebben u in uw huis te ltahari te ontvoeren. U zou naar Kathmandu zijn kunnen vluchten waar u één maand zou verbleven hebben in afwachting van uw vertrek naar het buitenland. Tijdens uw verblijf in Kathmandu zou u vernomen hebben dat uw moeder bij de politie van ltahari gegaan is om deze aanval van de maoïsten aan te klagen. Verder zou u er ook nog vernomen hebben dat de maoïsten naar u op zoek zouden zijn. Op 4 november 2003 zou u vanuit Kathmandu vertrokken zijn naar India. Op 14 november 2003 zou u in België aangekomen zijn en dezelfde dag nog heeft u hier asiel aangevraagd. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat er tussen uw opeenvolgende verklaringen voor de dienst Vreemdelingenzaken (DVZ), in uw dringend verzoekschrift d.d. 24 november 2003 en op de zetel van het Commissariaat - generaal (CGVS) tegenstrijdigheden en lacunes werden vastgesteld, waardoor de geloofwaardigheid van uw asielrelaas in het gedrang komt. Wat XIV-19.096-2/6 betreft de bescherming van de Nepalese autoriteiten kan er uit de vertaling van uw dringend verzoekschrift (zie pagina 1 vertaling) opgemerkt worden dat u, nadat u op 21/04/2059 (6 augustus 2002) door de maoïsten bedreigd werd, u nadien naar het dichtstbijzijnde politiebureau gegaan bent om bescherming te vragen. In het interview op het commissariaat - generaal echter beweert u dat u in de periode dat u door de maoïsten werd benaderd, namelijk van het jaar 2056 (1999-2000) tot het jaar 2060
(2003), nooit de Nepalese autoriteiten hieromtrent geïnformeerd heeft daar u het te gevaarlijk achtte om klacht in te dienen (gehoorverslag CGVS, p. 8). Voor de Dienst Vreemdelingenzaken maakt u helemaal geen melding of u al dan niet getracht heeft om de hulp van de Nepalese autoriteiten in te roepen (gehoorverslag DVZ, pp. 7 en 8). Deze tegenstrijdigheid is fundamenteel daar dit onderdeel uiterst belangrijk is voor de beoordeling van uw asielaanvraag. Door het feit dat u drie verschillende verklaringen aflegt omtrent het al dan niet bescherming inroepen van de eigen autoriteiten, kan er geen verder geloof worden gehecht aan dit onderdeel van uw asielrelaas. Voorts verklaart u op de zetel van het commissariaat - generaal dat uw moeder, nadat de maoïsten gepoogd hadden om u op 1710612060 (4 oktober 2003) te ontvoeren, bij de politie van ltahari gegaan is om bescherming voor u in te roepen (gehoorverslag CGVS, pp. 6 en 7). Maar zowel voor de dienst Vreemdelingenzaken, als in uw dringend verzoekschrift, heeft u hiervan nooit melding gemaakt, en dit terwijl u op het commissariaat - generaal verklaart dat u hiervan al op de hoogte was toen u in Kathmandu zat (gehoorverslag CGVS, p. 8). Als u tijdens het interview op het commissariaat-generaal geconfronteerd wordt met deze lacune in uw verklaring voor de dienst Vreemdelingenzaken antwoordt u dat dit te wijten is aan het feit dat ze u op de dienst Vreemdelingenzaken uw verhaal niet hebben laten vertellen (gehoorverslag CGVS, p. 8). Vervolgens wordt er u gevraagd of u het dan wel in uw dringend verzoekschrift heeft aangehaald. Maar op deze vraag blijft u het antwoord schuldig (gehoorverslag CGVS, p. 8). Het feit dat u niet met zekerheid weet of u een dergelijk belangrijk element van uw asielrelaas in uw dringend verzoekschrift heeft aangekaart, is uitermate bevreemdend daar u evenwel, alvorens het interview op de zetel van het commissariaat - generaal te willen beginnen, zelf een fout in uw dringend verzoekschrift wil rechtzetten en hierbij geen gewag maakt van bovenstaand element. (gehoorverslag CGVS, p. l). Er dient dus te worden geconcludeerd dat deze lacune uitermate nefast is voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Het feit dat u volgens uw verklaringen op het commissariaat - generaal aan de Nepalese autoriteiten geen bescherming kon vragen, ligt namelijk aan de basis van uw vlucht. Het niet eerder aanhalen van dit aspect van uw asielrelaas ondermijnt de geloofwaardigheid van uw onmiddellijke vluchtaanleiding. Verder baseert u uw actuele vrees op het feit dat u schrik heeft om door de maoïsten te worden gedood (gehoorverslag CGVS, p. 10). Niettemin deze uitdrukkelijke vrees heeft u noch voor de Dienst Vreemdelingenzaken noch in uw dringend verzoekschrift melding gemaakt van het feit dat de maoïsten na de poging tot ontvoering nog steeds naar uw huis komen, terwijl u dit nieuws wel al tijdens uw verblijf in Kathmandu vernomen heeft (gehoorverslag CGVS, p. 8). Ook kan worden opgemerkt dat uw relaas, met betrekking tot het motief dat de maoïsten u op 17/06/2060 (4 oktober 2003) trachtten te ontvoeren, gebaseerd is op een vermoeden van uwentwege (gehoorverslag CGVS, p. 10). Het feit dat de maoïsten 's nachts kwamen was voor u reden genoeg om te concluderen dat ze u gingen ontvoeren. Dit is echter geen afdoende verklaring daar u in het verleden al zo vaak de maoïsten 's nachts bij u thuis ontving (gehoorverslag CGVS, p. 8). Het feit dat het incident zich nu afspeelde in de stad Itahari en niet in het dorp Bharoul is ook geen afdoende verklaring (gehoorverslag CGVS , p 10). Bovengenoemde ongerijmde en opeenvolgende tegenstrijdige verklaringen, zijn dermate fundamenteel dat er dient te worden vastgesteld dat er geen verder geloof kan worden gehecht aan uw vluchtmotieven. Tot slot zijn de door u neergelegde documenten, namelijk een attest van Mr. Gita Nidhi Rayamajhi (d.d. 02/08/2060 = 18 november 2003) hoofd van het gemeentehuis van ltahari waarin staat dat de maoïsten u op 17/06/2060 getracht hebben te ontvoeren, een attest van de burgemeester van Bharaul (d.d. 15/06/2060 = 2 oktober 2003) waarin staat dat u sinds 2058 weg bent uit Bharaul om de problemen met zowel de maoïsten ais met het Nepalese leger te ontwijken, en een attest van de voorzitter van LEO Club (d.d. 17/09/2060 = 1 januari 2004) waarin staat dat de maoïsten u op 17 Ashoj 2060 probeerden te doden, niet van die aard om, in het licht van bovenstaande bedrieglijke verklaringen, de appreciatie van uw asielaanvraag te wijzigen. De andere documenten die u voorlegt, namelijk uw schooldiploma, twee puntenlijsten van secundair onderwijs, uw studentenkaart faculteit Management en uw studentenkaart faculteit Humanities, uw verkiezingskaart, getuigschrift management aan campus te Biratnagar, attest)essen management van 2048 - 2050 aan Tribhuvan universiteit, puntenlijsten van academiejaar 2050 en 2054, attest dat u een student business administration was aan de universiteit van Tribhuvan, puntenlijst van business administration, tonen uw identiteit en uw studies aan maar voegen geen nieuwe elementen aan uw asielaanvraag toe. Het is opmerkelijk dat u uw identiteitskaart en uw paspoort niet kan neerleggen. Voor de Dienst XIV-19.096-3/6 Vreemdelingenzaken verklaarde u dat u deze documenten thuis heeft gelaten (gehoorverslag DVZ, p. 2 punt 20), terwijl u op het commissariaat-generaal beweert dat u deze documenten heeft moeten afgeven aan de reisagent (Kathmandu-Delhi) Shanti Gautam, die later beweerde dat hij deze documenten niet meer vond (gehoorverslag CGVS, p. 7). C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al 2.).”; 2.
  1. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending opwerpt van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat zij aanvoert dat de commissaris-generaal een diepgaand onderzoek naar beweerde leugens of tegenstrijdigheden enkel in de procedure ten gronde en niet in de ontvankelijkheidsfase kan voeren, dat de verzoekende partij een coherent verhaal heeft aangebracht waaruit blijkt dat zij voldoet aan de voorwaarden van de Vluchtelingenconventie van Genève, dat zonder onderzoek ten gronde niet kon worden beslist tot het voorhanden zijn van enkele beweerde tegenstrijdigheden, dat de aangebrachte feiten zonder dergelijk onderzoek niet als “bedrieglijk” konden worden afgedaan, dat de commissaris-generaal op grond van tegenstrijdigheden en lacunes in de verklaringen van de verzoekende partij meent dat de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het gedrang komt, dat de verzoekende partij nochtans heeft getracht haar asielrelaas zo waarheidsgetrouw mogelijk weer te geven en dat uit het asielrelaas minstens kan worden afgeleid dat de verzoekende partij terecht vreest om bij eventuele terugkeer naar Nepal door de Maoïsten te worden gedood; 2.
  2. Overwegende dat de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet de commissaris-generaal de mogelijkheid bieden om een bevestigende beslissing te nemen inzake de onontvankelijkheid van een asielaanvraag op basis van de bedrieglijkheid of de kennelijke ongegrondheid ervan; dat een onderzoek in de ontvankelijkheidsfase door de commissaris-generaal, waarbij wordt besloten tot de bedrieglijkheid en/of de kennelijke ongegrondheid van een asielaanvraag noodzakelijkerwijze een vergelijking inhoudt van de verklaringen van de betrokkene met bekende objectieve criteria die op het specifieke geval van toepassing zijn; dat daarbij dient te worden onderzocht of er redelijkerwijze van uit mag worden gegaan dat de feiten die de asielaanvrager naar voren brengt tijdens zijn asielaanvraag, waarachtig zijn en beantwoorden aan de criteria van de Vluchtelingenconventie van Genève; dat indien uit dit onderzoek blijkt dat de verstrekte gegevens niet met de werkelijkheid overeenstemmen of niet redelijkerwijze onder de criteria van de Vluchtelingenconventie zijn te brengen, kan XIV-19.096-4/6 worden besloten tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag; dat de Raad van State niet bevoegd is om zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid doch enkel om na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat de verzoekende partij niet eens ingaat op de concrete motieven van de bestreden beslissing doch slechts haar eigen standpunt op zeer algemene wijze herhaalt; dat zij met de algemene stelling dat een onderzoek ten gronde had moeten worden gevoerd en dat de tegenstrijdigheden de geloofwaardigheid van de verzoekende partij niet in het gedrang brengen, niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal met de bestreden beslissing de grenzen van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem krachtens de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is toegekend, heeft overschreden noch dat hij de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze heeft genomen; dat het enige middel ongegrond is;
  3. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  4. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen september tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, XIV-19.096-5/6 M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-19.096-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.707 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.