id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.714 Rolnummer: A. 146250/XIV-18330 Zaak: Arrest 148714 - - 09/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-30 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 23:34 Fiche Arrest nr 148.714 van 9 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.714 van 9 september 2005 in de zaak A. 146.250/XIV-18.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. BUYTAERT, kantoor houdende te 9170 SINT-GILLIS-WAAS, Vosstraat 9 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Macedonische nationaliteit, op 7 januari 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 2 december 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 22 oktober 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 8 december 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 12 januari 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 14 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 juni 2005; XIV-18.330-1/4 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. KUSTERS, die loco advocaat P. BUYTAERT verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 7 oktober 2003 en zich op 8 oktober 2003 vluchteling verklaart; dat op 22 oktober 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 2 december 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een etnische Albanese afkomstig uit Macedonië, meer bepaald uit Cerkez gelegen in de gemeente Kumanovo. U bent traditioneel gehuwd met Nuran Aliji. Omwille van uw problemen met de politie van Kumanovo zou u besloten hebben om samen met uw man uw land van herkomst te ontvluchten. Op 8 oktober 2003 diende u in België een asielaanvraag in. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat u uw asielaanvraag volledig steunt op de door uw man, Nuran Aliji, aangehaalde motieven. Aangezien in hoofde van deze laatste door mij een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen, kan ten aanzien van u evenmin besloten worden tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de Vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (koninklijk besluit van 19/05/1993; artikel 17, par. 2, al. 2).”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending opwerpt van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de materiële motiveringsplicht; dat zij aanvoert dat zij voldoet aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 1, A), 2 van de Vluchtelingenconventie van Genève, dat zij vreest dat zij opnieuw zou worden opgepakt en beschuldigd van medische hulp aan het UCK en dat zij opnieuw zou worden mishandeld, dat de verzoekende partij XIV-18.330-2/4 aldus vervolgd wordt omwille van het vermeende behoren tot een politieke strekking, dat uit de bestreden beslissing niet blijkt waarom de asielaanvraag van de verzoekende partij geen verband zou houden met de criteria van de Vluchtelingenconventie van Genève, dat de bestreden beslissing niet eens vijf lijnen motivering bevat en verwijst naar de asielaanvraag van N., de echtgenoot van de verzoekende partij, alhoewel de verzoekende partij zelf de meeste informatie heeft verstrekt en dat de motiveringsplicht aldus is geschonden; 2.
- Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij en haar echtgenoot N. zich samen vluchteling hebben verklaard en dat hun asielaanvragen samen zijn behandeld; dat in de beslissing inzake N. op uitgebreide wijze het asielrelaas van de betrokkenen is weergegeven en de motieven waarom de asielaanvraag wordt geweigerd, met inbegrip van de gebeurtenissen die de verzoekende partij zou hebben ondergaan; dat de beslissingen betreffende de verzoekende partij en haar echtgenoot op dezelfde dag zijn genomen en tegelijk aan de betrokkenen ter kennis werden gebracht op hetzelfde adres; dat de verzoekende partij aldus kennis heeft kunnen nemen van de motieven en heeft kunnen nagaan of het zin heeft de bestreden beslissing aan te vechten met de beroepsmogelijkheden waarover zij in rechte beschikt; dat daarmee aan de voornaamste doelstelling van de formele motiveringsplicht is voldaan; dat de verzoekende partij zich voor het overige beperkt tot een herhaling van haar standpunt dat zij aan de voorwaarden voldoet om als vluchteling te worden erkend doch dat zij voorbijgaat aan de concrete motieven op grond waarvan haar aanvraag met de bestreden beslissing wordt verworpen; dat dient te worden verwezen naar ‘s Raads arrest nr. 148.713 van 9 september 2005, waarmee het beroep tot nietigverklaring tegen de beslissing van de commissaris- generaal inzake N. is verworpen; dat de verzoekende partij niet eens concreet aangeeft welke aspecten van haar asielrelaas buiten beschouwing zouden zijn gelaten; dat dient te worden herhaald dat de Raad van State niet bevoegd is om zich in de plaats te stellen van de overheid en de asielaanvraag opnieuw ten gronde te beoordelen; dat de verzoekende partij met de loutere herhaling van haar eigen standpunt niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze is genomen; dat het enige middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: XIV-18.330-3/4 Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen september tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-18.330-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.714 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.