← België

Arrest 148715 - - 09/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.715 Rolnummer: A. 146981/XIV-18510 Zaak: Arrest 148715 - - 09/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-30 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 23:34 Fiche Arrest nr 148.715 van 9 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.715 van 9 september 2005 in de zaak A. 146.981/XIV-18.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. BUYTAERT, kantoor houdende te 9170 SINT-GILLIS-WAAS, Vosstraat 9 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 9 januari 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 8 december 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 12 november 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 10 december 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 30 januari 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 14 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 juni 2005; XIV-18.510-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. KUSTERS, die loco advocaat P. BUYTAERT verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België een eerste keer binnenkomt op 17 juni 1999 en zich op dezelfde dag vluchteling verklaart; dat op 20 december 1999 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten; dat de verzoekende partij dringend beroep aantekent doch op 23 augustus 2000 het grondgebied van het Rijk verlaat zonder het resultaat van haar dringend beroep af te wachten; Overwegende dat de verzoekende partij België een tweede keer binnenkomt op 8 september 2003 en zich op 14 oktober 2003 vluchteling verklaart; dat op 12 november 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 8 december 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U werd gehoord op 4 december 2003 op de zetel van het commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk die de Albanese taal machtig is. Volgens uw verklaringen bent u een etnisch Albanese, geboren in Mirene (gemeente Lipjan), Kosovo. Op 17 juni 1999 diende u voor de eerste maal in België een asielaanvraag in. Op 20 december 1999 besloot de dienst Vreemdelingenzaken tot een beslissing tot weigering van verblijf. Op 18 februari 2000 besloot ik dat verder onderzoek van uw asielmotieven noodzakelijk was. U hebt echter het vervolg van de procedure niet afgewacht en op 23 augustus 2000 bent u vrijwillig naar Kosovo teruggekeerd. Ongeveer twee weken na uw terugkeer zou u van uw vader hebben vernomen dat een gebeurtenis uit 1984 terug actueel was geworden en dat u en uw gezin daardoor in gevaar verkeerden. In 1984 zouden immers twee leden van uw familie op een trouwfeest twee leden van de familie van uw echtgenoot per ongeluk hebben verwond met een vuurwapen. Deze zaak zou toen niet tot grote problemen hebben geleid, maar tijdens het gewapend conflict in 1998-1999 zou ze terug aan de oppervlakte zijn gekomen. Volgens leden van uw familie zouden
  3. familieleden van u die zijn omgekomen tijdens de oorlog niet zijn vermoord door de Serviërs, maar wel uit wraak voor de gebeurtenissen in 1984 door. leden van de familie van uw echtgenoot. Daarom zou uw familie besloten hebben om deze moorden te wreken. U zou deze heel zaak voor uw kinderen verzwegen hebben. Ongeveer twee weken voor uw tweede vertrek naar België zouden 2 of 3 gemaskerde mannen op een avond uw tuin zijn binnengedrongen. Toen u hen zag zou zo zijn verschoten dat u het bewustzijn verloor. Bij uw val zou u zich verwond hebben. Later zou u van uw familie hebben vernomen dat de 3 mannen, nadat u uw bewustzijn had verloren, uw eigendom hadden verlaten. U zou met uw vader hebben gesproken en hij zou u hebben aangeraden samen met uw kinderen naar het buitenland te vluchten. U zou als eerste met uw XIV-18.510-2/6 jongste zoon naar België zijn gevlucht, waar u op 8 september 2003 zou zijn aangekomen. Op.14 oktober 2003 hebt u hier een tweede asielaanvraag ingediend. Een paar weken later zouden uw oudste zoon S. (O.V. 5.518.842) en dochter G. (O.V. 4.845.715) eveneens in België zijn aangekomen. U bent in het bezit van een UNMIK-identiteitskaart (United Nations Interim Administration Mission in Kosovo) van uzelf en van uw jongste zoon en van een Belgisch doktersbriefje waarin staat dat u lijdt aan een chronische ziekte. B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat u geen feiten of elementen hebt aangehaald waaruit zou kunnen blijken dat u Kosovo anno 2003 bent ontvlucht uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of dat u alsnog bij een eventuele terugkeer een dergelijke vrees dient te hebben. Het door u ingeroepen vluchtmotief, meer bepaald de vrees dat iemand van uw gezin of uzelf het slachtoffer zou worden van bloedwraak (CGVS- gehoorverslag p. 11 en 12) is een probleem van interfamiliale (tussen twee families) en gemeenrechtelijke (strafrechtelijke) aard en ressorteert als dusdanig niet onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie. U verklaarde verder nooit klacht te hebben ingediend bij de in Kosovo aanwezige internationale of 'lokale autoriteiten voor deze problemen (CGVS-gehoorverslag p. 10). Nochtans verklaarde u na uw terugkeer uit België in augustus 2000 nooit problemen te hebben gekend met een vertegenwoordiger van deze autoriteiten (CGVS-gehoorverslag p. 11). U heeft dan ook geen feiten of elementen aangehaald waaruit kan blijken dat een eventuele klacht bij de in Kosovo aanwezige autoriteiten niet ernstig zou worden behandeld of zou worden achtergesteld om redenen voorzien in de Vluchtelingenconventie. Bovendien dient opgemerkt d ' at er tussen uw verklaringen en die van uw zoon S. (O.V. 5.518.842) een belangrijke tegenstrijdigheid waar te nemen is waardoor de geloofwaardigheid van uw asielrelaas ten dele wordt ondermijnd. Hij stelde dat het incident waarbij een aantal mannen geprobeerd zouden hebben uw domein binnen te dringen en waarbij-u gewond zou zijn geraakt heeft plaatsgevonden in de zomer van 2002 (CGVS-gehoorverslag zoon Selver p. 12). Hij zou daarna dus nog ongeveer één jaar in Kosovo hebben verbleven alvorens naar België te vluchten (CGVS-gehoorverslag zoon Selver p. 14). U daarentegen situeerde dit incident een paar weken voor uw vlucht (CGVS-gehoorverslag p. 7) en haalde het aan als directe vluchtaanleiding (CGVS-gehoorverslag p. 5). Het feit dat u (niet-levensbedreigende) gezondheidsproblemen kent en dat wordt bevestigd door het door u neergelegde medische attest, is een probleem van medische aard dat als dusdanig niet onder de criteria van de Vluchtelingenconventie ressorteert. Ten slotte dient nog opgemerkt dat ik ook in het kader van de asielaanvragen van uw oudste zoon S. (O.V. 5.518.842) en dochter G. (O.V. 4.845.715) heb besloten tot een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag bedrieglijk is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze, beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 1910511993: artikel 17, par. 2, al 2.).”; 2.1.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending opwerpt van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat zij aanvoert dat de commissaris-generaal een diepgaand onderzoek naar beweerde leugens of tegenstrijdigheden enkel in de procedure ten gronde en niet in de ontvankelijkheidsfase kan voeren, dat de verzoekende partij een coherent verhaal heeft aangebracht waaruit blijkt dat zij voldoet aan de voorwaarden van de Vluchtelingenconventie van Genève, dat zonder XIV-18.510-3/6 onderzoek ten gronde niet kon worden beslist tot het voorhanden zijn van enkele beweerde tegenstrijdigheden, dat de aangebrachte feiten zonder dergelijk onderzoek niet als “bedrieglijk” konden worden afgedaan, dat de commissaris-generaal meent dat het asielrelaas van de verzoekende partij bedrieglijk is omdat er tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van de verzoekende partij en van haar zoon S. zouden zijn, dat het slechts om één tegenstijdigheid gaat, met name over het moment waarop gemaskerde mannen het domein van de verzoekende partij binnendrongen, dat de verzoekende partij en haar dochter dit feit vlak voor het vertrek naar België situeren, dat de zoon om onverklaarbare redenen dit feit een jaar eerder situeert en dat het in het geheel van het relaas slechts om een minieme tegenstrijdigheid gaat, die geen afbreuk aan het asielrelaas doet; 2.1.
  5. Overwegende dat de commissaris-generaal een asielaanvraag op basis van de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet onontvankelijk kan verklaren; dat in casu de asielaanvraag van de verzoekende partij onontvankelijk werd verklaard “omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen”; dat dit onder punt “B. Motivering” van de bestreden beslissing concreet is uitgewerkt; dat dit een determinerend motief vormt in de zin dat het de bestreden beslissing kan dragen; dat de verzoekende partij in het eerste middel volledig voorbijgaat aan dit motief doch zich enkel richt tegen een tegenstrijdigheid, die met de bestreden beslissing “bovendien” wordt vastgesteld en op grond waarvan “bovendien” wordt vastgesteld dat de asielaanvraag bedrieglijk is; dat deze tegenstrijdigheid in het licht van het hoger genoemd determinerend motief slechts een overtollig motief vormt, zodat de eventuele gegrondheid van de kritiek van de verzoekende partij tegen dat overtollig motief niet tot de onwettigheid van de bestreden beslissing kan leiden; dat het eerste middel derhalve niet-ontvankelijk is; 2.2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending opwerpt van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de materiële motiveringsplicht; dat zij aanvoert dat zij voldoet aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 1, A), 2 van de Vluchtelingenconventie van Genève, dat zij vreest dat zij of één van haar kinderen bij terugkeer naar het land van herkomst het slachtoffer van bloedwraak zal worden, zoals reeds verschillende mensen van beide families in het verleden, dat de verzoekende partij aldus vervolgd wordt omwille van het behoren tot een welbepaalde familie en dat uit de bestreden beslissing niet blijkt waarom de asielaanvraag van de verzoekende partij geen verband zou houden met de criteria van de Vluchtelingenconventie van Genève; 2.2.
  7. Overwegende dat de motieven van de bestreden beslissing op eenvoudige wijze in die beslissing kunnen worden gelezen zodat de verzoekende partij er kennis van heeft kunnen nemen en heeft kunnen nagaan of het zin heeft de bestreden beslissing aan te vechten met de beroepsmogelijkheden waarover zij in rechte beschikt; dat XIV-18.510-4/6 daarmee aan de voornaamste doelstelling van de formele motiveringsplicht is voldaan; dat de verzoekende partij zich voor het overige beperkt tot een herhaling van haar standpunt dat zij aan de voorwaarden voldoet om als vluchteling te worden erkend doch dat zij voorbijgaat aan de concrete motieven op grond waarvan haar aanvraag met de bestreden beslissing wordt verworpen, in het bijzonder omdat het om problemen van gemeenrechtelijke aard gaat, omdat de verzoekende partij nooit klacht heeft ingediend bij de in Kosovo aanwezige internationale of lokale instanties en omdat zij niet aannemelijk maakt dat dergelijke klacht niet ernstig zou worden behandeld; dat dient te worden herhaald dat de Raad van State niet bevoegd is om zich in de plaats te stellen van de overheid en de asielaanvraag opnieuw ten gronde te beoordelen; dat de verzoekende partij met de loutere herhaling van haar eigen standpunt niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze is genomen; dat het tweede middel ongegrond is;
  8. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  9. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen september tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. XIV-18.510-5/6 De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-18.510-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.715 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.