id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.754 Rolnummer: A. 112705/IX-3121 Zaak: Arrest 148754 - - 12/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-27 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 23:37 Fiche Arrest nr 148.754 van 12 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.754 van 12 september 2005 in de zaak A. 112.705/IX-
- In zake : Paul BUELENS, die woonplaats kiest bij advocaat F. DE PRETER, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen :
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaten D. D ‘HOOGHE en J . BOUCKAERT, kantoor houdende te BRUSSEL, Henri Wafelaertstraat 47-51,
- de Hoge Raad voor de Justitie. tussenkomende partij : Daniëlla TIBOS, die woonplaats kiest bij advocaat bij het Hof van Cassatie B. MAES, kantoor houdende te TERVUREN, Jezus Eiklaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Paul BUELENS op 12 november 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “1) het koninklijk besluit van 24 augustus 2001 waarbij mevrouw Daniëlla TIBOS wordt benoemd tot vrederechter van het kanton Willebroek; 2) de beslissing van de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie (van de Hoge Raad voor de Justitie) van 3 juli 2001 om mevrouw Daniëlla TIBOS voor te dragen aan de minister van Justitie”; IX-3121-1/22 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 11 februari 2002; Gelet op de beschikking van 26 februari 2002 die de tussenkomst van Daniëlla TIBOS toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 1 maart 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van verzoeker, en van de eerste verwerende partij; Gezien de “memorie van antwoord” van de tussenkomende partij; Gelet op de beschikking van 24 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 juni 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE PRETER, die verschijnt voor verzoeker, van advocaat E. VAN DE WALLE, die loco advocaten D. D’HOOGHE en J. BOUCKAERT verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat bij het Hof van Cassatie B. MAES, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; IX-3121-2/22 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Het ambt van vrederechter in het kanton Willebroek wordt vacant verklaard in het Belgisch Staatsblad van 15 maart
- 1.
- Er zijn twaalf kandidaten, onder wie de huidige verzoeker Paul BUELENS, advocaat aan de balie te Mechelen en plaatsvervangend vrederechter in het kanton Willebroek, en de huidige tussenkomende partij Daniëlla TIBOS, rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. 1.
- Over de kandidatuur van Paul BUELENS worden de volgende adviezen gegeven : - de stafhouder van de orde van advocaten te Mechelen geeft op 23 mei 2001 een advies dat als volgt besluit : “Mr. Paul BUELENS is een zeer geschikt kandidaat, specifiek voor het ambt van vrederechter. Hij kan perfect samenwerken in groep, doch heeft terzelfdertijd de noodzakelijke kwaliteiten om leiding te kunnen geven. Ik adviseer dan ook zeer gunstig” ; - de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen geeft op 16 mei 2001 een advies dat als volgt besluit : “Advocaat Paul BUELENS, plaats-vervangend Vrederechter te Willebroek is een zeer goede kandidaat en vertoont het juiste profiel voor het ambt van vrederechter. Mijn ambt verleent een zeer gunstig advies”. 1.
- Over de kandidatuur van Daniëlla TIBOS worden de volgende adviezen gegeven : - de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen geeft op 4 mei 2001 een advies dat als volgt besluit : “De kandidate kan alleen werken en heeft een IX-3121-3/22 zeker organisatietalent dat haar bijzonder geschikt maakt voor het geambieerde ambt”; - de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen geeft op 16 mei 2001 een “zeer gunstig advies”; - de stafhouder van de orde van advocaten te Antwerpen geeft op 22 mei 2001 een advies dat als volgt besluit : “Gelet op de hoge menselijke en intellectuele vaardigheden waarover een vrederechter moet beschikken, kan niet gezegd worden dat de kandidaat volledig beantwoordt aan het beoogde profiel”. 1.
- Met een aangetekende brief van 30 mei 2001 deelt Daniëlla TIBOS aan de minister van Justitie haar opmerkingen mede in verband met het advies dat de stafhouder van de orde van advocaten te Antwerpen over haar kandidatuur heeft uitgebracht. 1.
- Op 3 juli 2001 beslist de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie, na de kandidaten die daarom verzochten, onder wie Daniëlla TIBOS, te hebben gehoord, de laatstgenoemde voor te dragen. De voordracht is gegrond op de volgende overwegingen : “Daniëlla TIBOS is met onderscheiding afgestudeerd als licentiaat in de rechten in 1981; Van september 1981 tot september 1993 was zij advocaat bij de balie te Antwerpen. Bij Koninklijk Besluit van 1 juni 1993 werd zij benoemd tot plaatsvervangend rechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen. Zij was tevens assistent aan de handelshogeschool te Antwerpen van 1987 tot 1993 en onderzoeksassistent aan de UFSIA van 1989 tot
- Sindsdien geeft zij blijvend blijk van belangstelling voor permanente vorming. Bij Koninklijk Besluit van 6 september 1993 werd zij benoemd tot rechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen. Zij heeft zitting gehouden in alle burgerlijke materies, waaronder deze die tot de bevoegdheid van de vrederechter behoren. Sedert meer dan zes jaar is zij alleenzetelend rechter. Bij de eerste periodieke evaluatie behaalde zij de beoordeling zeer goed. Zowel de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen als de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen noemen haar zeer geschikt voor het geambieerde ambt. Haar huidige korpschef benadrukt dat zij alleen kan werken en over organisatietalent beschikt. In deze adviezen wordt bovendien haar beroepsernst en werkkracht benadrukt. IX-3121-4/22 Zij geeft blijk van voldoende assertiviteit, onder meer in haar contacten met de balie. De kandidate legt een uitvoerig gedocumenteerd beleidsplan voor, waaruit blijkt dat zij grondig gemotiveerd is voor de uitoefening van het openstaande ambt. Zij heeft een bijzonder belangstelling voor het ambt van vrederechter in het kanton waar zij woont en waarmee zij familiale bindingen heeft”. 1.
- Bij koninklijk besluit van 24 augustus 2001 wordt Daniëlla TIBOS benoemd tot vrederechter van het kanton Willebroek. De motivering van dit besluit luidt als volgt : “Overwegende dat mevr. TIBOS Daniëlla op 9 juli 1981 met onderscheiding het diploma bekwam van licentiaat in de rechten en in 1993 met grote onderscheiding het diploma van geaggregeerde voor het onderwijs; Overwegende dat zij op 1 oktober 1981 werd ingeschreven op de lijst van de advocaten-stagiairs bij de Balie te Antwerpen en er op 15 oktober 1984 werd ingeschreven op het Tableau van de Orde van advocaten; Overwegende dat zij bijgevolg aan alle wettelijke benoemingsvoorwaarden voldoet; Overwegende dat zij na het volgen van taalstages, in 1985 te Parijs het ‘Diplôme de Langue Française’ bekwam, en aan de instelling ‘Eurocentres- Foundation for European Language and Educational Centers’ in 1986, de cursus tot het bekomen van een grondige kennis van het Engels met zeer goede resultaten beëindigde; Overwegende dat zij bij koninklijk besluit van 1 juni 1993 werd benoemd tot plaatsvervangend rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen en bij beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg dd. 30 augustus 1993, werd aangesteld als werkend rechter; Overwegende dat zij bij koninklijk besluit van 6 september 1993 werd benoemd tot rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen en tot 1994 heeft gezeteld in de kamer met drie rechters die in graad van beroep kennis neemt van de materies die behoren tot de bevoegdheid van de vrederechter; Overwegende dat zij eveneens heeft gezeteld in een correctionele kamer met 3 rechters; Overwegende dat zij assistent was aan de Handelshogeschool Antwerpen en onderzoeksassistent aan de universiteit Antwerpen; Overwegende dat zij bij beschikking dd. 2 december 1994 van de Eerste Voorzitter van het Hof van Beroep te Antwerpen werd aangewezen als alleenzetelend rechter en sedertdien kennis nam van echtscheidingszaken en voornamelijk alle zaken behorende tot het personen- en familierecht; Overwegende dat de adviezen van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen en van de vertegenwoordiger van de balie van de Orde van Advocaten te Antwerpen werden gevraagd op 25 april 2001, dat deze adviezen IX-3121-5/22 werden betekend aan betrokkene, respectievelijk op 17 mei, 4 mei en 22 mei 2001; Overwegende dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen een zeer gunstig advies uitbracht verwijzend naar de hoge kwaliteit van de geschriften van de kandidate, haar intelligentie, toewijding voor het ambt en openheid van geeft; Overwegende dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen een gunstig advies uitbracht en besluit dat betrokkene een zeker organisatietalent heeft dat haar bijzonder geschikt maakt voor het geambieerde ambt; Overwegende dat de vertegenwoordiger van de balie van de Orde van Advocaten te Antwerpen een advies uitbracht op 22 mei 2001; Overwegende dat mevr. TIBOS Daniëlla op 30 mei 2001 haar opmerkingen, op het advies van de vertegenwoordiger van de balie van de Orde van Advocaten te Antwerpen, heeft meegedeeld; Overwegende dat de eindbeoordeling van haar evaluatie ‘zeer goed’ was en zij wordt bestempeld als een hardwerkend en actief magistraat; Overwegende dat zij als geen ander kandidaat ervaring heeft in de materie die behoort tot de bevoegdheid van de vrederechter en haar werkkracht en actieve leiding van het debat haar bijzonder geschikt maken voor het geambieerde ambt; ... “. 2.1.
- Overwegende dat de tussenkomende partij opwerpt dat de Raad van State niet bevoegd is om de voordracht van de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie aan de minister van Justitie te vernietigen aangezien overeenkomstig artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals vervangen door de wet van 25 mei 1999, de afdeling administratie enkel uitspraak kan doen over de beroepen tot nietigverklaring tegen “de administratieve handelingen (...) van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad van de Justitie met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel” en uit de tekst en de voorgeschiedenis van de wet blijkt dat met “personeel” niet de magistraten zelf worden bedoeld, maar wel het administratief personeel van de griffies en de parketten en van de Hoge Raad voor de Justitie; 2.1.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij van haar kant opwerpt dat tussen de bestreden beslissingen onvoldoende samenhang bestaat om de vernietiging ervan in hetzelfde verzoekschrift te vorderen, en dat het vernietigingsberoep dienvolgens enkel ontvankelijk is wat de eerste bestreden IX-3121-6/22 handeling - het besluit houdende benoeming van de tussenkomende partij- betreft; dat de tussenkomende partij opwerpt dat de tweede bestreden beslissing een voorbereidende handeling is die in beginsel niet voor vernietiging vatbaar is en verzoeker niet aantoont dat deze beslissing een definitief schadelijk gevolg heeft berokkend; 2.
- Overwegende dat de excepties grotendeels dezelfde vragen doen rijzen; dat ze samen dienen te worden behandeld en het de voorkeur verdient eerst de ontvankelijkheidsexcepties te behandelen; 2.
- Overwegende dat verzoeker terecht antwoordt op de exceptie van de eerste verwerende partij dat het gaat om twee beslissingen in het kader van eenzelfde benoemingsprocedure, waarbij de ene beslissing steunt op de andere; dat, immers, luidens artikel 151, § 4, van de Grondwet, de vrederechters door de Koning worden benoemd “op gemotiveerde voordracht van de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie”; dat de Koning derhalve gebonden is door de voordracht van de benoemings- en aanwijzingscommissie, in die zin dat hij enkel een voorgedragen kandidaat kan benoemen en een niet-voorgedragen kandidaat niet benoemd kan worden; dat voor een kandidaat die door de benoemings- en aanwijzingscommissie niet werd voorgedragen, de voordracht van een kandidaat derhalve een beslissing is die rechtsgevolgen heeft en dat een eventuele onregelmatigheid van de voordracht het benoemingsbesluit van de Koning vitieert en het op die grond nietig verklaard moet kunnen worden; dat de ontvankelijkheidsexcepties dan ook moeten worden beslecht in die zin dat verzoeker de onregelmatigheid van de voordracht van de benoemings- en aanwijzingscommissie kan aanvoeren in het kader van zijn beroep tot nietigverklaring van het bestreden benoemingsbesluit, ook als hij de nietigverklaring van die voordracht door de Raad van State als zodanig niet zou kunnen verkrijgen; 2.
- Overwegende dat verzoeker op de bevoegdheidsexceptie antwoordt dat een grondwetsconforme interpretatie van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet leiden tot de vaststelling dat de Raad van State bevoegd is om de voordrachtsbeslissing van de Hoge Raad voor de IX-3121-7/22 Justitie te vernietigen; dat hij argumenteert dat de wijziging van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State het gevolg was van arresten van het Arbitragehof waarin gewezen werd op het gebrek aan rechtsbescherming van het administratief personeel van de griffies en parketten tegen door hun oversten opgelegde tucht- en ordemaatregelen, doch dat voor magistraten dit probleem niet bestond aangezien tuchtmaatregelen ten aanzien van magistraten steeds opgelegd worden door de rechterlijke macht, dit op grond van het beginsel van de scheiding der machten; dat volgens verzoeker er dus een redelijke verantwoording bestond om voor hen geen beroep tot nietigverklaring open te stellen tegen tuchtmaatregelen; dat dit echter anders is voor een benoeming: verzoeker is geen magistraat en kan tegen de beslissing van de Hoge Raad voor de Justitie waarbij hij niet wordt voorgedragen geen ander rechtsmiddel aanwenden om deze beslissing uit het rechtsverkeer te doen verdwijnen; het beginsel van de scheiding der machten wordt niet geschonden doordat tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring open staat; dat ingeval de Raad van State zou oordelen dat hij niet bevoegd is om de beslissing van de Hoge Raad voor de Justitie te vernietigen, verzoeker vraagt om een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen; 2.5.
- Overwegende dat luidens artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bij de afdeling administratie van de Raad van State een beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld “tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden, alsook tegen de administratieve handelingen van wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblées, van het Rekenhof en van het Arbitragehof, evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad van de Justitie met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel”; 2.5.
- Overwegende dat uit dat laatste zinsdeel kan worden afgeleid dat de Hoge Raad voor de Justitie geen administratieve overheid is en niet als zodanig optreedt wanneer hij andere handelingen verricht dan die welke er expliciet in worden vermeld, met name niet wanneer zijn benoemings- en aanwijzingscommissie, zoals ter zake, voordrachten doet aan de Koning met het oog op de benoeming of IX-3121-8/22 aanwijzing van magistraten; dat die Raad ook apart wordt vermeld in de Grondwet, en zulks noch onder de wetgevende, de uitvoerende of de rechterlijke macht; dat de voordracht van een kandidaat door de benoemings- of aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie derhalve niet rechtstreeks voor de Raad van State kan worden aangevochten; dat zoals vermeld haar onregelmatigheid wel moet kunnen worden aangevoerd in het kader van een vordering tegen het erop gesteunde benoemings- of aanwijzingsbesluit; dat een vernietiging van dat besluit, uitgesproken wegens de onregelmatigheid van de voordracht, de Koning ertoe verplicht deze te weigeren, in welk geval de benoemingscommissie toch een nieuwe voordracht zal moeten doen, rekening houdende met het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest; dat zich dan ook geen “grondwetsconforme interpretatie” opdringt waarbij de Raad van State zich bevoegd zou verklaren om de voordracht van een kandidaat door de benoemings- of aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie te vernietigen; dat aangezien de verzoeker vrijwel hetzelfde resultaat kan verkrijgen door de nietigverklaring van het bestreden benoemingsbesluit alleen, er derhalve ook geen aanleiding bestaat om dienaangaande een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof; 2.5.
- Overwegende dat de bevoegdheidsexceptie gegrond is; dat het beroep niet ontvankelijk is voor zover het tegen de voordracht door de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie gericht is; 3.1.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste annulatiemiddel de schending aanvoert van de artikelen 10, 11 en 151, § 4, van de Grondwet, artikel 259ter van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel; dat hij in een eerste onderdeel van het middel betoogt dat het advies van de stafhouder van de orde van advocaten te Antwerpen een duidelijk voorbehoud maakt aangaande de kandidaatstelling van de tussenkomende partij, dat de tweede bestreden beslissing hieromtrent geen stelling inneemt, dat de eerste IX-3121-9/22 bestreden beslissing gebaseerd is op een document waarin dit advies als “gunstig” wordt beschouwd, zonder het voorbehoud te weerleggen, en dat in geen van beide beslissingen wordt ingegaan op het feit dat de tussenkomende partij slechts een “gunstig” advies verkreeg van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, terwijl een zorgvuldig en redelijk bestuur hiervoor aandacht diende te hebben; dat verzoeker in een tweede onderdeel stelt dat het motief van de eerste bestreden beslissing volgens welk de tussenkomende partij “als geen ander kandidaat ervaring heeft in de materie die behoort tot de bevoegdheid van de vrederechter” op een onzorgvuldige feitenvinding, minstens op een onredelijke afweging van de elementen van het dossier berust; dat hij stelt dat hij sinds december 1999 plaatsvervangend rechter in het betrokken kanton en sinds 1984 advocaat is, met ruime praktijkervaring in materies als personen- en familierecht, huurrecht, consumentenrecht, burgerlijke aansprakelijkheid en zakenrecht; dat verzoeker in een derde onderdeel stelt dat in de eerste bestreden beslissing bijzonder veel belang wordt gehecht aan de actieve wijze waarop de tussenkomende partij de zittingen leidt, terwijl een zorgvuldig en redelijk bestuur niet zonder meer mocht voorbijgaan aan de vaststelling dat blijkens het dossier de actieve wijze waarop zij de zittingen leidt als problematisch wordt ervaren; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel antwoordt dat in de bestreden besluiten uitvoerig wordt aangegeven waarom de tussenkomende partij geschikt wordt geacht voor de plaats van vrederechter, dat die overwegingen steunen op een juiste en zorgvuldige feitenvinding welke verzoeker niet tegenspreekt en dat de bestreden besluiten aan de motiveringsplicht voldoen; dat in verband met het bezwaar dat onvoldoende rekening werd gehouden met het advies van de stafhouder van de balie te Antwerpen, de verwerende partij opmerkt dat de tussenkomende partij reeds in 1993 de balie verlaten heeft, dat het de benoemende overheid vrijstaat om binnen de perken van de redelijkheid en op grond van de concrete situatie, meer of minder gewicht aan dat advies toe te kennen, en dat in casu het advies van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, die jarenlang de rechtstreekse korpschef was van de tussenkomende partij, zwaarder weegt dan het advies van de stafhouder; dat IX-3121-10/22 bovendien het advies van de stafhouder erg beknopt en schematisch is en het geen verdere toelichting of motivering bevat, terwijl het antwoord van de tussenkomende partij waarvan het eerste bestreden besluit uitdrukkelijk melding maakt wel uitvoerig gemotiveerd was; dat volgens de verwerende partij dan ook niet in te zien valt hoe één minder gunstig element tot de onzorgvuldigheid of de onredelijkheid van de globale beoordeling moet leiden, terwijl een voordracht en benoeming een afweging van alle dossierelementen vereisen en dat, aangezien de adviezen zowel ten aanzien van de verzoekende als de tussenkomende partij in ruime mate gunstig waren, in redelijkheid tot de voordracht en benoeming van de tussenkomende partij kon worden overgegaan, zonder dat zichtbaar grotere aanspraken van de verzoekende partij werden miskend; dat de verwerende partij met betrekking tot het tweede onderdeel opmerkt dat de tussenkomende partij bijna negen jaar ervaring heeft als magistraat, terwijl verzoeker advocaat is en slechts sedert een tweetal jaren plaatsvervangend rechter is; dat tussen de beide kandidaten dus een duidelijk verschil in ervaring als magistraat bestaat; dat zij voorts stelt dat verzoeker ten onrechte meent dat de ervaring die de tussenkomende partij als magistraat heeft opgedaan niet zou aansluiten bij de materies waarover een vrederechter dient te oordelen, doch dat de jarenlange ervaring van de tussenkomende partij als magistraat in de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen haar integendeel bijzonder geschikt maakt voor de functie van vrederechter; dat met betrekking tot het derde onderdeel de verwerende partij antwoordt dat verzoeker niet aantoont dat de werkkracht en actieve leiding waarvan de tussenkomende partij blijk geeft niet als gunstige elementen in rekening moeten worden gebracht, daar waar het om kwaliteiten gaat die kunnen bijdragen tot de bijzondere geschiktheid van de tussenkomende partij voor het ambt; dat volgens haar niet in te zien valt op welke wijze het erg beknopte advies van de stafhouder van de balie te Antwerpen de actieve leiding waarvan sprake in twijfel zou trekken of als problematisch zou ervaren: een actieve leiding van de debatten vormt in het ambt van vrederechter een in hoofdzaak gunstige kwaliteit, welke in de eerste bestreden beslissing en de daaraan voorafgaande adviezen terecht gewaardeerd wordt; 3.1.
- Overwegende dat de tussenkomende partij van haar kant, wat het eerste onderdeel van het middel betreft, antwoordt dat de eerste bestreden beslissing IX-3121-11/22 zonder voorbehoud verwijst naar de opmerkingen die zij op het advies van de vertegenwoordiger van de balie te Antwerpen heeft ingediend en zulks redelijkerwijze als een weerlegging van de ongunstige punten in dit advies beschouwd moet worden; dat zij opmerkt dat het advies van de stafhouder als zodanig niet gemotiveerd is, op geen enkele controleerbare bron berust en haaks staat op de door de tussenkomende partij overgelegde objectieve gegevens en de twee zeer gunstige adviezen van de korpschefs; dat zij stelt dat het communicatieprobleem waartoe de kordate en actieve wijze waarop zij in het begin van haar loopbaan de debatten leidde, definitief werd opgelost, zoals wordt bevestigd in het advies van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen en zij voor de Hoge Raad voor de Justitie heeft toegelicht en dat de benoemings-commissie, na onderzoek van de relevante gegevens van de zaak en onder verwijzing naar de zeer gunstige adviezen van de korpschefs, besloten heeft dat het advies van de stafhouder in verband met de bekwaamheid en de geschiktheid van de tussenkomende partij klaarblijkelijk op onjuiste of reeds jaren achterhaalde gegevens berustte; dat zij bovendien betwist dat zij van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen slechts een beoordeling goed kreeg; dat met betrekking tot het tweede onderdeel de tussenkomende partij opmerkt dat zij van september 1981 tot september 1993 advocaat was en nog andere professionele activiteiten uitoefende, dat zij sedert september 1993 rechter is in de beroepskamer van de rechtbank van eerste aanleg en sedert 1 januari 1995 alleenrechtsprekend rechter is, hoofdzakelijk in materies van personen- en familierecht die in het verlengde liggen of nauw aansluiten bij de bevoegdheden van de vrederechter, dat zij regelmatig collega’s in andere sectoren van het burgerlijk recht verving, en dat uit dit alles blijkt dat het motief dat zij als geen andere kandidaat ervaring heeft in de materie die tot de bevoegdheid van de vrederechter behoort, allerminst berust op een onzorgvuldige feitenvinding noch op een onredelijke afweging van de elementen van het dossier; dat inzake het derde onderdeel de tussenkomende partij opmerkt dat uit het advies van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen blijkt dat de problemen in verband met de actieve wijze waarop zij de zittingen leidt reeds jaren geleden werden opgelost en verzoeker derhalve naar een totaal achterhaalde toestand verwijst; IX-3121-12/22 3.1.
- Overwegende dat verzoeker repliceert dat, wat het eerste onderdeel van het middel betreft, de verwerende en de tussenkomende partij in hun memories motieven aanhalen die de bestreden beslissingen hadden kunnen schragen, maar de motiveringsplicht inhoudt dat de motieven in de beslissing zelf worden vermeld; dat de bewering als zou het advies van de stafhouder haaks staan op andere adviezen bovendien niet correct is, aangezien ook andere instanties opgemerkt hebben dat de actieve wijze waarop de tussenkomende partij de zittingen leidt nogal wat wrevel wekt; dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg blijkbaar van mening was dat dit probleem was opgelost, maar de stafhouder die mening niet deelde en uit geen enkele wetsbepaling blijkt dat aan het advies van de voorzitter meer belang moet worden gehecht dan aan het advies van de stafhouder; dat het probleem nog gesignaleerd was in het evaluatieverslag van de tussenkomende partij van 7 november 2000 en dat ook de verwijzing naar de opmerkingen van verzoekster niet volstaat als motivering om het advies te weerleggen; dat verzoeker met betrekking tot het tweede onderdeel stelt dat de verwerende en de tussenkomende partij benadrukken dat de tussenkomende partij meer ervaring heeft als rechter, maar zij er ten onrechte van uitgaan dat zulks automatisch meer ervaring meebrengt in de materie die tot de bevoegdheid van de vrederechter behoort; dat met betrekking tot het derde onderdeel verzoeker naar zijn repliek in verband met het eerste onderdeel verwijst; 3.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie inzake het eerste onderdeel nog betwist dat het advies van de stafhouder van de orde van advocaten minder summier gemotiveerd is dan dat van beide voorzitters: het is wel zo dat de stafhouder een eigen, zeer droge en eenvoudige stijl hanteert, waarbij hij de motivering heeft ontdaan van alle onnodige franjes, hij noemt zowel de positieve als negatieve kanten van de voorgestelde kandidaat bij naam en verwijst indien nodig naar de informatie van het curriculum vitae; dat verzoeker benadrukt dat een belangrijk punt van kritiek van de stafhouder de manier is waarop de tussenkomende partij omgaat met de medewerkers van justitie, dat wil zeggen de advocatuur, waarvan de stafhouder de vertegenwoordiger is en dat dit element niet zomaar naar voren wordt gehaald, maar wel degelijk berust op feiten, waarvan de voorzitter van IX-3121-13/22 de rechtbank van Antwerpen ook melding maakt; dat volgens verzoeker het duidelijk is dat ter zake een probleem rijst of gerezen is, al wordt dat probleem op een verschillende manier opgevat naar gelang de aard van de bron die er melding van maakt, en dat het bestaan van dat probleem nog bleek uit een evaluatieverslag van 7 november 2000, enkele maanden voor de verstrekte adviezen; dat volgens verzoeker van de benoemings- en aanwijzingscommissie verwacht mocht worden dat, als zij aan dit probleem voorbij wenst te gaan, zij minstens aangeeft dat zij kennis ervan heeft genomen en uitdrukkelijk de redenen opgeeft waarom zij toch de benoemde kandidaat voordraagt, doch dat dit ter zake niet is gebeurd; dat de benoemings- en aanwijzingscommissie zich ertoe beperkte op te merken: “zij geeft blijk van voldoende assertiviteit, onder meer in haar contacten met de balie", wat misschien een allusie op het probleem vormt, maar geenszins aantoont dat de benoemings- en aanwijzingscommissie inderdaad in haar beoordeling rekening heeft gehouden met het feit dat de bewuste "assertiviteit" aan de kant van één van de advies verlenende instanties als problematisch werd beschouwd; 3.1.6.
- Overwegende dat luidens artikel 151, § 4, van de Grondwet de vrederechters door de Koning worden benoemd “op gemotiveerde voordracht van de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie (van de Hoge Raad voor de Justitie), bij een tweederde meerderheid overeenkomstig de modaliteiten bij de wet bepaald en na afweging van de bekwaamheid en geschiktheid. Deze voordracht kan enkel worden geweigerd op de wijze bij de wet bepaald en mits motivering”; dat uit wat voorafgaat volgt dat de afweging van de bekwaamheid en de geschiktheid van de kandidaten geschiedt door de benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie en dat deze ook zal moeten motiveren waarom zij, na die afweging te hebben gedaan, haar keuze laat vallen op de voorgedragen kandidaat; dat de Koning zich ertoe kan beperken de voordracht bij te vallen, zonder dat Hij dat speciaal moet motiveren, in welk geval Hij de motieven van de benoemings- en aanwijzingscommissie tot de zijne maakt en in voorkomend geval de Raad van State de benoeming daarop zal beoordelen; dat in dezen de Koning de motivering van de benoemings- en aanwijzingscommissie niet als zodanig heeft overgenomen: sommige motieven welke de benoemings- en aanwijzingscommissie hanteerde worden IX-3121-14/22 overgenomen, een aantal gegevens wordt meer geëxpliciteerd, bijkomende gunstige gegevens over de tussenkomende partij worden vermeld; Overwegende dat de gemotiveerde voordracht van de Hoge Raad voor de Justitie echter de kern van de benoemingsprocedure vormt; dat, immers, met de oprichting van de Hoge Raad voor de Justitie de discretionaire bevoegdheid waarover de Koning voorheen beschikte grotendeels naar de benoemingscommissie werd verschoven; dat in zoverre de Koning in het bestreden besluit zich er niet toe beperkt te verwijzen naar de voordracht en zich daarbij aan te sluiten, zijn eigen motivering kan worden opgevat als een poging om de motieven van de voordracht nader te commentariëren en nader te verklaren; dat op straffe van schending van de plicht tot formele motivering die voor de Koning voortspruit uit de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, die motivering echter niet in tegenstrijd mag zijn met die welke de benoemings- en aanwijzingscommissie heeft aangewend; dat de verplichting tot het motiveren van de voordracht aan de kant van de benoemings- en aanwijzingscommissie niet volgt uit de wet van 29 juli 1991 maar uit de voormelde bepalingen van de Grondwet en artikel 259 ter, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek; Overwegende dat het bestreden koninklijk besluit op zichzelf dan ook afdoende gemotiveerd is doordat daarin onder meer wordt vastgesteld dat de betrokkene “aan alle benoemingsvoorwaarden voldoet” en “dat de kandidaat werd voorgedragen door deze benoemingscommissie met de vereiste meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen”; 3.1.6.
- Overwegende dat verzoeker in het eerste onderdeel van het middel in essentie de motiveringsplicht geschonden acht, doordat geen rekening werd gehouden met het advies dat de stafhouder van de orde van advocaten te Antwerpen over de kandidatuur van de tussenkomende partij heeft uitgebracht; dat in dat advies de tussenkomende partij wat betreft “onthaal, luisterbereidheid en communicatie” ten aanzien van de medewerkers van justitie als “matig” wordt beoordeeld en als besluit wordt gesteld : “Gelet op de hoge menselijke kwaliteiten en intellectuele IX-3121-15/22 vaardigheden waarover een vrederechter moet beschikken, kan niet gezegd worden dat de kandidaat volledig beantwoordt aan het beoogde profiel”; dat de benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie en het bestreden benoemingsbesluit evenwel verwijzen naar de adviezen van de voorzitters van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen en Mechelen, die beiden de tussen- komende partij zeer geschikt noemen voor het ambt van vrederechter; dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen in zijn advies eveneens alludeert aan het gegeven waarop de kritiek van de stafhouder van de orde van advocaten te Antwerpen gebaseerd is doordat hij, wat “onthaal, luisterbereidheid en communicatie” ten aanzien van de medewerkers van justitie stelt : “In het algemeen goed. Haar korte wijze van met de mensen om te gaan leidde soms tot wrevel. Vanaf het ogenblik dat zij hierop wordt gewezen zijn alle problemen in dit verband opgelost en voelt zij zich ook veel beter thuis in haar werkomgeving”; dat dit advies overigens bijzonder positief oordeelt over de tussenkomende partij en stelt dat zij “bijzonder geschikt” is voor het ambt; dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen in zijn advies, wat onthaal, luisterbereidheid en communicatie betreft, het volgende stelt : “De kandidate stelt zich alert op voor het rechtvaardigheidsgevoel van de rechtzoekende. Zij toont zich luisterbereid doch kan zich ook kritisch opstellen bij het zoeken naar de essentie van het geschil. Zij trekt de nodige tijd uit om een zaak ter zitting te doorgronden (...)”; dat in tegenstelling tot het advies van de stafhouder van de orde van advocaten te Antwerpen, die adviezen van de korpschefs stuk voor stuk gemotiveerd zijn op de daarvoor bedoelde rubrieken van het adviesformulier; dat het advies van de stafhouder, ook volgens de rubrieken van dat formulier is gesteld maar zich telkens beperkt tot een of twee woorden zoals “goed”, “hoog”, “matig”; dat het overigens niet speciaal ongunstig luidt op het element “onthaal, luisterbereidheid en communicatie” ten aanzien van de medewerkers van de justitie, waar “matig” wordt ingevuld - wel “goed” voor hetzelfde ten aanzien van de rechtonderhorigen - maar ook de rubriek “bekwaamheid in het werk” een aantal beoordelingen “gewoon” en “matig” bevat, dat laatste inzake kwaliteit mondelinge uiteenzettingen en vermogen om feitelijke situaties te begrijpen met het oog op juridische kwalificatie en “gewoon” voor kwaliteit van haar geschriften; dat, zonder de bijkomende toelichting, welke de korpsoversten wel IX-3121-16/22 verschaffen, men hoogstens kan gissen dat de tussenkomende partij in dat advies enigszins meer naar voor treedt als goed jurist dan als communicator, wat wellicht ook verklaart waarom ze “minder geschikt” wordt beoordeeld uit het oogpunt van de bijzondere vereisten van het ambt, te weten, beroepservaring, en zulks specifiek voor het vredegerecht; dat in tegenstelling tot wat verzoeker beweert, er wat die specifieke gegevens betreft geen verwijzing is naar andere documenten, die ter zake enkel bestaan uit het curriculum vitae, onder andere wat bijscholingen betreft; dat nergens met zoveel woorden wordt gesteld dat de tussenkomende partij zich op de terechtzittingen agressief zou uiten ten aanzien van bijvoorbeeld de advocaten; dat overigens het niet evident is dat met “medewerkers van de justitie” specifiek die laatsten bedoeld worden; dat de voorzitter van de rechtbank van Antwerpen wel vaststelt dat het actief leiden van de zittingen door tussenkomende partij haar niet steeds in dank wordt afgenomen en dat punt ook wordt aangestipt in de evaluatie, met de uitdrukkelijke vermelding erbij dat “deze opmerkingen niet van aard zijn om de evaluatie te wijzigen”; dat de eindbeoordeling “zeer goed” is; dat op alle punten waar de stafhouder de tussenkomende partij minder apprecieert ze echter wel een zeer goede -en gemotiveerde- beoordeling krijgt van de korpsoversten; dat op grond van de adviezen van de twee rechtbankvoorzitters in redelijkheid kon worden aangenomen dat, zo er zich in het verleden al een probleem in verband met de wijze waarop de tussenkomende partij de zittingen leidt zou hebben voorgedaan, dat probleem inmiddels werd verholpen; dat uit de verwijzing naar die adviezen dan ook voldoende kan blijken waarom het advies van de stafhouder van de orde van advocaten te Antwerpen, dat amper gemotiveerd is, niet in aanmerking werd genomen; dat het eerste onderdeel van het middel niet gegrond is; 3.1.6.
- Overwegende dat het tweede en het derde onderdeel van het middel tegen de volgende overweging van het bestreden benoemingsbesluit gericht zijn : “Overwegende dat zij als geen ander kandidaat ervaring heeft in de materie die behoort tot de bevoegdheid van de vrederechter en haar werkkracht en actieve leiding van het debat haar bijzonder geschikt maken voor het geambieerde ambt”; IX-3121-17/22 Overwegende dat aangezien de kritiek die verzoeker in het tweede en derde onderdeel van het middel op de motivering van het bestreden benoemingsbesluit uitoefent uitsluitend gericht is tegen motieven welke alleen in dat besluit voorkomen en die derhalve overtollig zijn, die kritiek niet terzake dienend is; dat ook het tweede en het derde onderdeel van het middel niet gegrond zijn; 3.2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 10, 11 en 151, § 4, van de Grondwet, artikel 259quater van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, “doordat de eerste bestreden beslissing genomen wordt, voortgaande op de tweede bestreden beslissing, waarin in het bijzonder aandacht wordt geschonken aan de beleidsnota van de benoemde kandidaat, terwijl een beleidsnota geen verplicht onderdeel vormt van het benoemingsdossier van een vrederechter, en het betrokken document niet meer blijkt te zijn dan een uitgebreider motiveringsnota voor de redenen van kandidatuurstelling”; dat verzoeker toelicht dat het bewuste beleidsplan niet kan worden beschouwd als een document dat doorslaggevend is bij de afweging van de titels en verdiensten van een kandidaat, vooreerst omdat dit document niet wettelijk vereist is, vervolgens omdat het geen bijkomende informatie biedt ten aanzien van de motivatie die in de kandidatuur verstrekt werd, en tenslotte omdat verzoeker niet kon weten dat een dergelijk document door één van de andere kandidaten werd opgesteld; 3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat in het benoemingsbesluit geen melding werd gemaakt van het beleidsplan en dat evenmin blijkt dat het beleidsplan een doorslaggevend element vormde bij de voordracht van de tussenkomende partij; dat zij hieraan toevoegt dat geen wetsbepaling eraan in de weg staat dat een kandidaat, als blijk van een actieve interesse voor de gang van zaken in het vredegerecht, zijn visie betreffende dat ambt in een beleidsplan uiteenzet en geen bepaling verbiedt dat dit plan bij de afweging van de titels en verdiensten IX-3121-18/22 wordt betrokken; dat zij meent dat het beleidsplan aangeeft dat de tussenkomende partij haar kandidaatstelling ernstig heeft voorbereid en dat zij een gezonde motivatie voor het te begeven ambt vertoont, en dat niets verzoeker belette een gelijkaardige interesse te betonen; dat zij besluit dat het beleidsplan als een gunstig element in overweging genomen kon worden; 3.2.
- Overwegende dat de tussenkomende partij opwerpt dat het middel niet ontvankelijk is, omdat het bestreden benoemingsbesluit van de beleidsnota geen melding maakt en verzoeker niet aantoont dat de Koning bij de motivering rekening zou hebben gehouden met de beleidsnota, laat staan hieraan een doorslaggevende waarde zou hebben toegekend; dat volgens haar het middel bovendien ongegrond is, omdat de beleidsnota naar de woorden van verzoeker slechts een aanvullende motiveringsnota is en daaruit dan ook geen benadeling of ongelijke behandeling van de andere kandidaten kan volgen; 3.2.
- Overwegende dat verzoeker repliceert dat wanneer de beleidsnota van de tussenkomende partij beschouwd wordt als een aanvullende motiveringsnota, de voordracht van de tussenkomende partij hiermee niet kan worden verantwoord; dat hij weliswaar toegeeft dat het beleidsplan niet vermeld wordt in het benoemingsbesluit, maar stelt dat die beslissing verwijst naar de adviezen van de voorzitters waarin wel veel belang werd gehecht aan het feit dat de tussenkomende partij een beleidsplan had gemaakt; 3.2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog betwist dat een "beleidsplan" aanvaard zou mogen worden als een bewijs van een bijzondere of grondige motivering of belangstelling voor het te begeven ambt, en de bewuste kandidaat zodoende een voorrang geeft op zijn concurrenten, zonder dat de andere kandidaten wisten dat het indienen van een "beleidsplan" een dergelijke voorrang verschafte; dat de benoemende overheid op zijn minst had moeten zeggen waarom de inhoud van dat beleidsplan in dergelijke mate afwijkt van een normale inhoud van een kandidaatstelling om een bewijs te vormen van een bijzondere motivering of belangstelling voor een bepaald ambt; dat verzoeker ook vaststelt dat de inhoud van IX-3121-19/22 het beleidsplan niet in de beoordeling werd betrokken: de Hoge Raad stelt enkel dat zij een "uitvoerig gedocumenteerd beleidsplan" voorlegt, en leidt louter uit dat feit af dat de kandidate grondig is gemotiveerd voor de uitoefening van het openstaande ambt; dat overigens het beleidsplan wel “grondig gedocumenteerd” is zoals de benoemingscommissie vaststelt, maar het beleidsplan zelf slechts drie pagina's beslaat, naast in het totaal eenentwintig pagina's aan bijlagen, voornamelijk bestaande uit statistieken, welke gegevens in het beleidsplan echter niet of nauwelijks verwerkt worden; dat verzoeker besluit dat dit "uitvoerig gedocumenteerd beleidsplan” dan ook niet van die aard is om de kandidaat gunstiger te beoordelen dan de niet benoemde kandidaten; 3.2.6.
- Overwegende dat het middel gericht is tegen de volgende vermelding in de voordracht van de tussenkomende partij door de benoemings- commissie : “De kandidate legt een uitvoerig gedocumenteerd beleidsplan voor, waaruit blijkt dat zij grondig gemotiveerd is voor de uitoefening van het openstaande ambt. Zij heeft een bijzondere belangstelling voor het ambt van vrederechter in het kanton waar zij woont en waarmee zij familiale bindingen heeft”. 3.2.6.
- Overwegende dat wijl de benoeming tot vrederechter overeen- komstig artikel 151, § 4, van de Grondwet gebeurt op gemotiveerde voordracht van de benoemingscommissie, de onregelmatigheid van de voordracht de regelmatigheid van de benoeming zelf in het gedrang zou brengen; dat het middel waarin verzoeker kritiek uitoefent op één van de determinerende motieven van de voordracht van de benoemde kandidaat dienvolgens ontvankelijk is; dat gelet op wat hiervoor bij de behandeling van het eerste middel is gezegd, de omstandigheid dat het bestreden benoemingsbesluit zelf niets zegt over het ingediende beleidsplan niet van doorslaggevende aard is; 3.2.6.
- Overwegende dat de tussenkomende partij bij haar kandidaatstelling een document heeft gevoegd waarin zij “verwijzend naar de beweegredenen tot (haar) kandidatuurstelling” haar “beleidsplan/visie betreffende het ambt van vrederechter van het kanton Willebroek” toelicht; dat niet wordt betwist IX-3121-20/22 dat dit beleidsplan een aanvulling vormt op de motivatienota die van alle kandidaten gevraagd wordt; dat dan ook niet in te zien valt waarom de benoemingscommissie daaruit niet mocht afleiden dat de tussenkomende partij “grondig gemotiveerd” was voor de uitoefening van het openstaande ambt en “een bijzondere belangstelling (heeft) voor het ambt van vrederechter in het kanton waar zij woont”; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf september 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, IX-3121-21/22 L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-3121-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.754 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.