id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.756 Rolnummer: A. 107211/IX-2935 Zaak: Arrest 148756 - - 12/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-27 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 23:38 Fiche Arrest nr 148.756 van 12 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.756 van 12 september 2005 in de zaak A. 107.211/IX-
- In zake : Germain HERTOGEN, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat P. PEETERS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Graanmarkt
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Germain HERTOGEN op 10 juli 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de Nederlandstalige Benoemingscommissie voor het Notariaat van 9 mei 2001 waarbij (hem) meegedeeld wordt dat hij geen 60% van de punten heeft behaald op het schriftelijk gedeelte van het vergelijkend examen 2001 voor de rangschikking van de kandidaat-notarissen”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; IX-2935-1/10 Gelet op de beschikking van 21 januari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 24 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 juni 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE PRETER, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor verzoeker, en van advocaat P.PEETERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker, geboren op 30 april 1949, behaalde de diploma’s van licentiaat in de rechten en licentiaat in het notariaat. Hij deed stage in het kantoor van notaris JADOUL te Tongeren van 1 november 1979 tot 1 november
- Thans is hij juridisch-commercieel directie-attaché in de sector van het krediet- en verzekeringswezen en juridisch adviseur bij meerdere KMO’s. IX-2935-2/10 Hij stelde zich meermaals kandidaat voor een benoeming tot notaris, doch telkens zonder resultaat. 1.
- De wet van 4 mei 1999 tot wijziging van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notariaat heeft het notarisambt ingrijpend hervormd, onder meer wat betreft de voorwaarden van toegang tot het ambt van notaris. De wet maakt de benoeming tot notaris afhankelijk van het bezit van de titel van kandidaat-notaris. Ieder jaar kan slechts een bepaald aantal kandidaat-notarissen benoemd worden. Daarvoor stelt de wet een vergelijkend examen in voor de houders van een stagecertificaat die zich kandidaat stellen om tot kandidaat-notaris benoemd te worden. De ter zake relevante bepalingen van de voormelde gewijzigde wet van 25 ventôse jaar XI luiden als volgt : “Art.
- §
- Ieder jaar benoemt de Koning een bepaald aantal kandi- daat-notarissen. §
- Na het advies van elke Benoemingscommissie voor het notariaat ingewonnen te hebben, stelt de Koning ieder jaar het aantal te benoemen kandi- daat-notarissen, per taalrol, vast. Dit aantal wordt vastgesteld door de Koning op basis van het aantal te benoemen notarissen-titularis, op basis van het aantal aangewezen plaatsvervangende notarissen, in functie van het aantal laureaten van vroegere sessies die nog niet geassocieerd of niet benoemd zijn en op basis van de behoefte aan geassocieerden. Het totale aantal mag niet hoger zijn dan
- De taalrol wordt bepaald door de taal van het diploma van licentiaat in het notariaat. Het koninklijk besluit bedoeld in het eerste lid wordt jaarlijks in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt samen met een oproep tot kandidaatstelling. §
- Om tot kandidaat-notaris te worden benoemd, moet de betrokkene : 1/ Belg zijn en in het genot van de burgerlijke en politieke rechten; 2/ houder zijn van het stagecertificaat, bedoeld in artikel 36, § 4; 3/ voorkomen op de definitieve lijst, bedoeld in artikel 39, § 5, vierde lid. §
- Om het notarisambt te kunnen uitoefenen moet de kandidaat-notaris, hetzij benoemd worden tot notaris-titularis overeenkomstig artikel 45, hetzij zich associëren met een notaris-titularis overeenkomstig artikel 52, §
- ". "Art.
- §
- (eerste lid) (tweede lid) Elke Benoemingscommissie moet de voor de uitoefening van het notarisambt noodzakelijke kennis, maturiteit en praktische bekwaamheden van de kandidaten beoordelen en de meest geschikte kandidaten rangschikken op basis van hun bekwaamheid en geschiktheid. De rangschikking wordt opgemaakt op grond van een vergelijkend examen dat bestaat uit een schriftelijk en een IX-2935-3/10 mondeling gedeelte en op grond van een onderzoek van de adviezen. Tot het mondeling gedeelte worden slechts die kandidaten toegelaten die op het schriftelijk gedeelte minstens 60 % van de punten hebben behaald. Het mondeling gedeelte wordt afgenomen vooraleer de leden van de Benoemings- commissie kennis kunnen nemen van de adviezen. Op het mondeling gedeelte moet de kandidaat minstens 50 % van de punten hebben behaald. (...) §
- De Benoemingscommissie maakt binnen zestig dagen na de oproep tot de kandidaten voor het mondeling gedeelte een voorlopige rangschikking op van de meest geschikte kandidaten op basis van de resultaten van het schriftelijk en mondeling gedeelte. (tweede en derde lid) (vierde lid)Na het onderzoek van de adviezen gaat de Benoemingscommissie over tot een definitieve rangschikking van de kandidaten en zendt de lijst van de gerangschikte kandidaten ter benoeming over aan de Minister van Justitie samen met een gemotiveerd proces-verbaal dat ondertekend wordt door de voorzitter en de secretaris van de betrokken Benoemingscommissie. De Benoemingscom- missie voegt hierbij ook de dossiers van de gerangschikte kandidaten. Er worden maximaal zoveel kandidaten gerangschikt als er vacante plaatsen zijn van kandi- daat-notaris, zoals vermeld in het koninklijk besluit dat bekendgemaakt is in het Belgisch Staatsblad, overeenkomstig artikel 35, § 2, samen met de oproep tot kandidaatstelling voor de betrokken vergelijkende toelatingsproef”. 1.
- Verzoeker heeft bij het Arbitragehof een beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de artikelen 19, 22 en 24 van de wet van 4 mei 1999 tot wijziging van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt, waarbij de huidige tekst van respectievelijk de artikelen 35, 39 en 43 van die laatste wet werd vastgesteld . Dat beroep werd bij arrest nr. 109/2001, van 20 september 2001, door het Arbitragehof verworpen. 1.
- Bij ministerieel besluit van 9 maart 2001 wordt het programma van het vergelijkend examen tot rangschikking van de kandidaat-notarissen voor het jaar 2001 goedgekeurd. 1.
- Op 28 april 2001 neemt verzoeker deel aan het schriftelijk gedeelte van het vergelijkend examen voor de rangschikking van de kandidaat-notarissen. Hij vermeldt op de antwoordbladen alleen zijn naam maar vult geen enkel antwoord in. IX-2935-4/10 1.
- Met een brief van 9 mei 2001 deelt de Nederlandstalige benoe- mingscommissie voor het notariaat aan verzoeker mede dat hij niet de vereiste 60% van de punten behaalde -hij kreeg 3 punten op 100- voor het schriftelijk gedeelte van het vergelijkend examen en dat hij dus niet kan worden toegelaten tot het mondeling gedeelte van het vergelijkend examen. Dat is de bestreden rechtshandeling. 2.
- Overwegende dat het bevoegde lid van het Auditoraat ambtshalve een ontvankelijkheidsexceptie van gemis aan belang opwerpt, stellende dat verzoeker weliswaar zijn belang situeert in de mogelijkheid om, door het slagen voor het examen en opgenomen te worden op de definitieve lijst van de gerangschikte kandidaten, tot kandidaat-notaris benoemd te kunnen worden en aldus te voldoen aan de voorwaarden om tot notaris benoemd te kunnen worden, en dat hij daarvoor als middel de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het vergelijkend examen “geen rekening houdt met de datum van het behalen van het diploma van licentiaat in het notariaat, met de datum van het bekomen van het stagecertificaat, noch met de activiteitssector waarin de betrokkene zijn beroepsacti- viteiten uitoefent”, dat indien de bestreden beslissing op grond van verzoekers enig middel vernietigd zou worden, de benoemingscommissie, wanneer zij het examenre- sultaat van verzoeker opnieuw moet bepalen, bij haar beoordeling rekening zal moeten houden met de datum van het behalen van het diploma van licentiaat in het notariaat, met de datum van het bekomen van het stagecertificaat en met de activiteitssector waarin hij zijn beroepsactiviteiten uitoefent, doch die nieuwe beoordeling niet tot een voor verzoeker gunstig resultaat zou kunnen leiden omdat hij geen enkele examenvraag beantwoord heeft, met andere woorden de benoemings- commissie, welke beoordelingscriteria zij ook in aanmerking neemt, niet anders zou kunnen dan verzoeker opnieuw als niet geslaagd rangschikken; dat hierbij wordt beklemtoond dat het vernietigingsberoep niet gericht is tegen een beslissing waarbij aan verzoeker geweigerd zou zijn om hem, omwille van zijn leeftijd en beroepsactivi- teiten, van het schriftelijk examen vrij te stellen, maar wel tegen de beslissing waarbij hij voor dat examen niet geslaagd wordt verklaard, zodat niet in te zien valt hoe de IX-2935-5/10 benoemingscommissie, zelfs als zij de leeftijd en beroepsactiviteiten van de kandidaten in aanmerking zou nemen, een kandidaat die op geen enkele vraag antwoordt geslaagd zou kunnen verklaren; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie antwoordt dat het standpunt van de eerste auditeur-afdelingshoofd niet overtuigt, vooreerst omdat in zijn zienswijze niet geantwoord kan worden op de vraag hoeveel punten verzoeker moest halen op het examen om wél belang te hebben, vervolgens omdat het vereiste van belang niet inhoudt dat verzoeker moet deelnemen aan een door de overheid georganiseerde competitie om het resultaat ervan te kunnen aanvechten bij de Raad van State, wanneer en voor zover het illegaliteitsmiddel dat hij inroept precies bestaat in wettigheidskritiek tegen de beoordelingscriteria die er haast noodzakelijk moeten toe leiden dat hij wordt uitgesloten c.q. niet verkozen wordt, voorts omdat het rechtens vereiste belang wordt onderzocht in functie van de wijze waarop het bestuur na een vernietigingsarrest het rechtsherstel zou moeten doorvoeren, ofschoon de artikelen, 19, eerste lid en 24, tweede lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State enkel het voorhanden zijn van een “benadeling” of een “belang” vereisen zonder dit te koppelen aan de wijze waarop het rechtsherstel zou moeten worden doorgevoerd, wat des te meer geldt daar er te dezen geen sprake is van een gebonden bevoegdheid aan de kant van het bestuur en verwerende partij ook niet beweert dat een eventueel rechtsherstel onmogelijk is, reden te meer waarom de verzoekende partij enkel kan vaststellen dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft om een oordeel te vellen over de wijze waarop het rechtsherstel kan worden gerealiseerd; dat volgens verzoeker de vernietiging door de Raad van State van een administratieve akte tot gevolg heeft dat deze akte erga omnes uit het rechtsverkeer verdwijnt, wat meteen een vorm van herstel in natura inhoudt; dat verzoeker bijkomend betoogt dat, in de hypothese dat het bestuur inderdaad een gebonden bevoegdheid zou uitoefenen en het verzoekende partij onmogelijk zou kunnen benoemen, dan blijkt dat de verzoekende partij nog altijd over het rechtens vereiste belang beschikt omdat geen bepaling voorschrijft dat het belang moet zijn ontleend aan de regelgeving waarin de aangevochten beslissing rechtsgrond vindt en dat de aard van het belang trouwens kan evolueren hangende de procedure; dat hij stelt dat hij als verzoekende partij een IX-2935-6/10 moreel belang lijkt te hebben bij de vernietiging van de bestreden akte, wat blijkt uit alle stappen die hij in rechte heeft ondernomen met als einddoel als notaris te worden benoemd en dat zulk een belang volstaat; dat hij ook genoegdoening kan eisen voor de burgerlijke rechtbank, en hierbij kan steunen op een vernietigingsarrest; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker aanvoert en in zijn laatste memorie nogmaals benadrukt dat zijn belang erin bestaat om tot notaris te kunnen worden benoemd, waarvoor het verkrijgen van de titel van kandidaat-notaris een nood- zakelijke voorafgaande voorwaarde vormt; dat hij dat in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring uiteengezet had als volgt : “Anderzijds genereert de bestreden akte rechtstreeks ongunstige gevolgen voor de verzoeker. Het is immers zo bepaald door de nieuwe wet op het notarisambt dat ‘om tot notaris benoemd te worden moet de betrokkene tot kandidaat-notaris benoemd zijn’ (art. 43), dat voor die laatste benoeming de betrokkene op de definitieve lijst van de gerangschikte kandidaten moet voorkomen (art. 35, § 3, 3/), en dat één van de voorwaarden om op die lijst vermeld te worden is, het behalen van een score van 60 procent op het schriftelijk gedeelte van het vergelijkend examen (art. 39, § 2, lid 2). Gelet op het feit dat de bestreden akte bevestigt dat de verzoeker ‘geen 60% van de punten heeft behaald’, kan deze bijgevolg niet meer (dit jaar) als kandidaat- notaris benoemd worden.”; 2.3.
- Overwegende dat de akte welke verzoeker bestrijdt, ofschoon ze voor hem onmiddellijk grievend is, voorbereidend is ten aanzien van het in artikel 35, § 1, van de ventôsewet jaarlijks door de Koning te nemen besluit om een -vooraf vastgesteld - aantal kandidaat-notarissen te benoemen; dat het slagen voor het in artikel 39, § 2, bedoelde vergelijkend examen een van de voorwaarden daarvoor vormt, aangezien blijkens artikel 39, § 5, van die wet de uitslag van het mondeling en het schriftelijk gedeelte van dat examen determinerend is voor het opstellen van de rangschikking op de lijst van de voor benoeming in aanmerking te komen kandidaten; dat verzoeker evenwel de door de andere kandidaten behaalde resultaten voor dat examen niet aanvecht; dat ook niet blijkt dat hij naderhand is opgekomen tegen de definitieve rangschikking van de kandidaten, noch tegen de daarop volgende benoeming tot kandidaat-notaris van de gerangschikte kandidaten; IX-2935-7/10 2.3.
- Overwegende dat uit wat zoëven is vastgesteld dient te worden afgeleid dat in dezen zowel de definitieve rangschikking van de kandidaten als de daarop gevolgde benoemingen tot kandidaat-notaris definitief geworden zijn; dat ook indien de bestreden beslissing waarbij verzoeker niet geslaagd werd verklaard voor de eerste proef van het examen nietig zou worden verklaard, zulks niet kan meebrengen, ook niet nadat hij ten gevolge daarvan toch geslaagd zou worden verklaard, dat hij in nuttige orde op de lijst van de gerangschikte kandidaten zou kunnen worden opgenomen; dat aangezien die lijst beperkt is tot een vooraf door de Koning vastgesteld getal, daarvoor immers nodig zou zijn dat minstens één van de gerangschikte kandidaten de plaats ruimt voor verzoeker; dat zulks ten enen male onmogelijk is nu verzoeker noch de examenuitslag noch de rangschikking van de andere kandidaten aanvecht; dat verzoeker derhalve met een nietigverklaring van zijn eigen examenuitslag alleen het doel dat hij nastreeft, zelf tot kandidaat-notaris benoemd worden, niet verwezenlijkt kan zien; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker ten onrechte stelt dat het rechtens vereiste belang niet mag worden onderzocht in functie van de wijze waarop het bestuur na een vernietigingsarrest het rechtsherstel zou moeten doorvoeren; dat iedere vordering tot nietigverklaring immers tot doel heeft een nadeel dat de bestreden handeling de verzoeker toebrengt weg te nemen of een voordeel dat zij hem niet verleent te verkrijgen; dat verzoeker dat laatste nastreeft; dat om te weten of verzoeker het voordeel dat hij ambieert kan verkrijgen ten gevolge van een nietigverklaring van de bestreden rechtshandeling, de Raad van State, weliswaar zonder zich in de plaats van het bestuur te mogen stellen, niet anders kan dan nagaan tot welk rechtsherstel de overheid zal kunnen of moeten overgaan; dat de omstandig- heid dat artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde weten op de Raad van State het rechtsherstel niet vermeldt, niet betekent dat de Raad van State dat gegeven niet in aanmerking zou kunnen nemen bij het onderzoek van het belang waarvan een verzoeker blijk moet geven; dat hoe dan ook het belang bij een nietigverklaring beperkter is dan wat verzoeker stelt in zijn laatste memorie; dat het louter laten vaststellen dat de bestreden beslissing onwettig is -hier eigenlijk: dat de examen- regeling onwettig is- geen moreel maar een platonisch belang is of het belang dat IX-2935-8/10 iedere burger erbij heeft dat de wetten worden nageleefd; dat de rechtspraak welke verzoeker inroept ter zake het belang om een van haar materiële rechtskracht ontdane rechtshandeling ook formeel uit het rechtsverkeer te doen verdwijnen ter zake niet dienend is; dat ook het belang om voor de gewone rechter een geding strekkende tot schadevergoeding te kunnen voeren op zich niet volstaat; dat immers ook die rechter kan vaststellen dat de uitvoerende macht een fout begaan heeft door verzoeker niet in de voorwaarden te laten verkeren om tot kandidaat-notaris benoemd te kunnen worden, terwijl verzoeker zoals vermeld trouwens benadrukt dat het eigenlijk dat laatste is dat hij nastreeft; dat, ten slotte, de afwijzing van verzoekers eerdere beroepen tegen de regelgeving waaruit de bestreden handeling haar rechtsgrond put, bezwaarlijk kunnen aantonen dat verzoeker daarom een moreel belang heeft bij de nietigverklaring van die handeling zelf; dat het beroep wegens gemis aan belang niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. IX-2935-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf september 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2935-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.756 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.