id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.758 Rolnummer: A. 161550/IX-4856 Zaak: Arrest 148758 - - 12/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-26 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 23:38 Fiche Arrest nr 148.758 van 12 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.758 van 12 september 2005 in de zaak A. 161.550/IX-
- In zake : Jean-Pierre PHILIP, die woonplaats kiest bij advocaat K. CRAUWELS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 210 a tegen : de burgemeester van de stad ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jean-Pierre PHILIP op 7 april 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 9 februari 2005 van de burgemeester van de stad Antwerpen waarbij hem de zware tuchtstraf van de inhouding van 6% van zijn wedde gedurende een maand wordt opgelegd; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. COLIN, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 12 mei 2005, houdende bevel tot neerlegging van het verslag en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 juni 2005; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. CRAUWELS, die verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; IX-4856-1/6 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de auditeur-generaal;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
- Op 17 januari 2005 beslist de burgemeester van de stad Antwerpen het voorstel te formuleren om aan verzoeker, inspecteur van politie bij de lokale politie te Antwerpen, de zware tuchtstraf van de inhouding van 6% op de bruto- maandwedde van één maand op te leggen om reden dat hij twee keer, na een afwezigheid wegens ziekte, zijn dienst niet hervat heeft en het bestuur niet onmiddellijk in kennis gesteld heeft van de verlenging van zijn ziekteverlof. Verzoeker betwist niet dat het besluit van de burgemeester hem overeenkomstig de bepalingen van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtsta- tuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet) ter kennis gebracht is. 1.
- Op 9 februari 2005 beslist de burgemeester van de stad Antwerpen, onder meer verwijzend naar zijn voorstel van zware tuchtstraf van 17 januari 2005 en naar het “afwezigheid aan verzoek tot heroverweging”, om verzoeker te straffen met de zware tuchtstraf van “een inhouding van de bruto maandwedde van 6% gedurende 1 maand”. Dit besluit vormt het voorwerp van het onderhavig beroep; 2.
- Overwegende dat de auditeur-verslaggever ambtshalve vastgesteld heeft dat verzoeker nagelaten heeft een verzoek tot heroverweging in te dienen tegen de beslissing van 17 januari 2005 van de burgemeester, dat hij daarmee een wettelijk voorgeschreven formaliteit niet heeft nageleefd en dat het annulatieberoep tegen het besluit van 9 februari 2005 van de burgemeester daarom kennelijk niet-ontvankelijk is; IX-4856-2/6 2.
- Overwegende dat de raadsvrouw van verzoeker ter terechtzitting dat standpunt betwist; dat zij betoogt dat het verzoek tot heroverweging van een voorstel van zware tuchtstraf niet als een georganiseerd administratief beroep kan worden beschouwd om reden dat de eerste beslissing, waarvan de heroverweging gevraagd kan worden, slechts een voorstel is en omdat de tuchtraad geen eind- beslissing neemt over de vraag tot heroverweging maar enkel een advies aan de tuchtoverheid formuleert dat niet in de plaats komt van het voorstel van beslissing; 2.3.
- Overwegende dat de tuchtwet de volgende bepalingen bevat die relevant zijn voor de problematiek die zich in de onderhavige zaak aandient : - Art. 38sexies : “Op grond van het volledige dossier en van het verweer, deelt de hogere tuchtoverheid haar beslissing mede door kennisgeving aan het betrokken personeelslid tegen een ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekend schrijven. De beslissing kan zijn, ofwel dat zij beslist heeft geen tuchtstraf uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft één van de lichte tuchtstraffen uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft een voorstel van één van de zware tuchtstraffen uit te spreken. De beslissing wordt aan het betrokken personeelslid medegedeeld, uiterlijk vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel 38quater bedoelde termijn van dertig dagen en vermeldt het recht van de betrokkene om tegen het voorstel van zware tuchtstraf bij de tuchtraad overeenkomstig artikel 51bis een verzoek tot heroverweging in te stellen. Wanneer geen verzoek tot heroverweging ingesteld wordt overeenkomstig artikel 51bis, bevestigt en deelt met een ter post aangetekend schrijven of door kennisgeving tegen een ontvangstbewijs, de hogere tuchtoverheid haar definitieve beslissing mede aan het betrokken personeelslid, zonder het voorstel tot zware tuchtstraf te kunnen wijzigen.(...)”; - Art. 51bis : “Het personeelslid aan wie een zware tuchtstraf wordt voorgesteld, kan tegen deze beslissing een verzoek tot heroverweging instellen bij een ter post aangetekend schrijven gericht aan de tuchtraad binnen tien dagen na de in artikel 38sexies, eerste lid, bedoelde kennisgeving. Een kopie wordt door de tuchtraad aan de betrokken hogere tuchtoverheid toegezonden.”; - Art. 51ter : “De procedure van verzoek tot heroverweging schorst de uitvoering van de beslissing medegedeeld overeenkomstig artikel 38sexies, eerste lid.”; IX-4856-3/6 - Art. 52 : “De tuchtraad verstrekt zijn advies bij meerderheid van zijn leden. Dit met redenen omkleed advies omvat : 1/ de uiteenzetting van de feiten en de toerekening ervan aan het betrokken personeelslid; 2/ het antwoord op de vraag of de feiten een tuchtvergrijp in de zin van artikel 3 uitmaken voorzover zij bewezen worden geacht; 3/ het voorstel af te zien van een straf, het voorstel om een zware straf op te leggen of het voorstel om een lichte straf op te leggen. De tuchtraad kan hierbij een andere kwalificatie van de feiten voorstellen dan die in het inleidend verslag is opgenomen, alsook een andere straf voorstellen dan die welke oorspronkelijk door de hogere tuchtoverheid werd voorgesteld.”; - Art. 53 : “Het advies van de tuchtraad wordt binnen de dertig dagen na het sluiten van de debatten ter kennis gebracht van het betrokken personeelslid en van de hogere tuchtoverheid.”; - Art. 54 : “Wanneer de hogere tuchtoverheid beoogt af te wijken van het advies, dan moet zij de redenen hiertoe aangeven en ze, samen met de voorgenomen straf, ter kennis brengen van de betrokkene. Deze kan een schriftelijk verweer indienen binnen de tien dagen na de kennisgeving, op straffe van verval.”; - Art. 55 : “De hogere tuchtoverheid deelt, bij afgifte tegen ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief, aan het betrokken personeelslid haar uitspraak mee binnen de dertig dagen nadat haar, overeenkomstig artikel 53, het advies van de tuchtraad werd toegestuurd, of nadat zij, overeenkomstig artikel 54, het laatste schriftelijk verweer heeft ontvangen.”; 2.3.
- Overwegende dat de tuchtraad, opgericht bij artikel 39 van de tuchtwet, een permanent orgaan is dat op nationaal niveau ingesteld is om, wanneer een tuchtoverheid tot het besluit komt dat een zware tuchtstraf opgelegd moet worden, als onafhankelijk orgaan het dossier nogmaals te onderzoeken, met inachtneming van “een uitgesponnen tegensprekelijke procedure (die) borg staat voor een correcte behandeling” (Parl. St. Kamer, 1998-1999, 1965/1 p. 16; zie ook Parl. St. Kamer 2000/2001, 1173/1, p. 12-13); dat sinds de wijziging van de tuchtwet door de wet van 31 mei 2001, de tuchtraad niet meer automatisch door het bestuur in het besluitvormingsproces wordt betrokken, maar dat zijn tussenkomst uitsluitend afhangt van een formeel initiatief van het personeelslid; dat met het inschakelen van IX-4856-4/6 die beroepsmogelijkheid de wetgever de bedoeling had de ambtenaar voor de keuze te plaatsen om al dan niet met het voorstel van de tuchtoverheid akkoord te gaan (Parl. St. Senaat, 2000-2001, nr. 729/3, p. 9), waarmee hij verhindert dat het voorstel definitief wordt -er volgt blijkens artikel 38sexies van de tuchtwet nadien nog enkel een “bevestiging”- en waarmee hij verkrijgt dat zijn zaak in al haar aspecten wordt onderzocht door een collegiaal orgaan dat een “hoge onafhankelijk- heidsgraad” bezit en dat wegens zijn centrale positie ook uniformiteit in de besluitvorming kan bewerkstelligen; dat, in geval van beroep, de tuchtraad verplicht is om een advies te formuleren en dat de tuchtoverheid bij haar eindbeslissing niet van dat advies kan afwijken zonder uitdrukkelijke verantwoording en nieuw verweer van de betrokkene; 2.3.
- Overwegende dat niet betwist kan worden dat de procedure voor de tuchtraad mede in het voordeel van de tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar ingesteld is; dat het beroep aldus, daargelaten de vraag of de wetgever daarmee een georganiseerd administratief beroep in zijn traditionele betekenis ingesteld heeft, voor die ambtenaar een substantiële vorm in het besluitvormingsproces vormt, die hij moet uitputten om zijn recht op het instellen van een annulatieberoep niet te verbeuren; 2.
- Overwegende dat verzoeker nagelaten heeft bij de tuchtraad in beroep te gaan tegen het voorstel van tuchtstraf; dat het annulatieberoep tegen het bestreden besluit, waarmee de burgemeester zijn voorstel overeenkomstig artikel 38sexies, tweede lid, van de tuchtwet zonder meer bevestigd heeft, kennelijk niet-ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. IX-4856-5/6 Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf september 2000 en vijf, door : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS J. DE BRABANDERE. IX-4856-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.758 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.