← België

Arrest 148760 - - 12/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.760 Rolnummer: A. 107815/IX-2945 Zaak: Arrest 148760 - - 12/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-26 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 23:39 Fiche Arrest nr 148.760 van 12 september 2005 - Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.760 van 12 september 2005 in de zaak A. 107.815/IX-

  1. In zake : Tekke de VRIES, wonende te BRUGGE, Grauwwerkersstraat 8, bus 2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Tekke de VRIES op 22 juni 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 30 november 2000 van de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen, ingesteld bij het bestuur van het Sociaal Statuut der Zelfstandigen van het ministerie van Middenstand en Landbouw, waarbij hem geen vrijstelling wordt verleend van de driemaandelijkse bijdragen voor het jaar 1995 en het jaar 2000; Gelet op de beschikking van 23 augustus 2001 waarbij het voordeel van de kosteloze rechtspleging niet wordt toegekend aan de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; IX-2945-1/7 Gelet op de beschikking van 19 april 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 6 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  3. Artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen bepaalt dat de zelfstandigen, die menen dat zij zich in staat van behoefte bevinden of in een toestand die de staat van behoefte benadert, volledige of gedeeltelijke vrijstelling kunnen vragen van bepaalde bijdragen door zich te wenden tot de commissie voor vrijstelling van bijdragen opgericht bij het ministerie van Middenstand. 1.
  4. In toepassing van deze bepaling dient de verzoekende partij op 12 september 1998 een aanvraagformulier in voor vrijstelling van sociale bijdragen voor het vierde kwartaal 1997 en voor de vier kwartalen van
  5. Blijkens het inlichtingenblad B van de sociale kas waarbij de verzoekende partij aangesloten was, zijn er ook nog voor de jaren 1995 tot 1998 bijdragen en/of regularisaties te betalen. IX-2945-2/7 1.
  6. Op 22 september 2000 volgt er een solvabiliteitsonderzoek van de inspectie van het rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen. 1.
  7. Op 30 november 2000 wordt de thans bestreden beslissing genomen. Zij luidt als volgt : “Beslissingsnr : 360110.343.23 N 02 Inzake : DE VRIES TEKKE (...) DE COMMISSIE VOOR VRIJSTELLING VAN BIJDRAGEN Gelet op het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, inzonderheid op de artikelen 15, 17 en 22; Gelet op het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, inzonderheid op de artikelen 80 tot 94 bis; Gelet op artikel 17, eerste lid, van voornoemd koninklijk besluit nr. 38, luidend als volgt : 'De zelfstandigen die menen dat zij zich in staat van behoefte bevinden of in een toestand die de staat van behoefte benadert, kunnen volledige of gedeeltelijke vrijstelling vragen van de bijdragen verschuldigd met toepassing van de artikelen 12, § 1, en 13, door zich te wenden tot de in artikel 22 voorziene Commissie.'; Gelet op artikel 90, § 2, tweede lid, van voornoemd koninklijk besluit van 19 december 1967, luidend als volgt : 'De aanwezigheid ter zitting van de aanvrager is niet vereist. Indien hij hiertoe de wens uitdrukt, kan hij persoonlijk verschijnen of zich laten vertegenwoordigen of bijstaan hetzij door een advokaat, drager in voorkomend geval van stukken, hetzij door iedere andere persoon voorzien van een geschreven volmacht en voor ieder geval aanvaard door de voorzitter.'; Gelet op de aanvraag ingediend op 16/09/1998 en geregistreerd op 21/09/1998; Overwegende dat deze aanvraag op de volgende driemaandelijkse bijdragen betrekking heeft : van 4/1997 t.e.m. 3/1998; Overwegende dat deze aanvraag op de volgende driemaandelijkse regularisa- tiebijdragen betrekking heeft : van 1/1995 t.e.m. 4/1995; Gelet op de andere stukken van het dossier; Aangezien uit de stukken van het dossier blijkt dat de betrokkene zich bevindt in een toestand die de staat van behoefte benadert, waardoor een gedeeltelijke vrijstelling gerechtvaardigd is; Gehoord betrokkene in zijn uiteenzetting; BESLIST : Vrijstelling wordt verleend voor de volgende driemaandelijkse bijdragen : van 4/1997 t.e.m. 4/
  8. IX-2945-3/7 Vrijstelling wordt geweigerd voor de volgende driemaandelijkse bijdragen : van 1/2000 t.e.m. 4/
  9. Vrijstelling wordt geweigerd voor de volgende driemaandelijkse regularisatiebijdragen : van 1/1995 t.e.m. 4/1995.”. 1.
  10. Deze beslissing wordt aan de verzoekende partij betekend met een aangetekend schrijven van 8 december
  11. 1.
  12. Met een schrijven van 11 december 2000 vraagt de verzoekende partij hoe en waar in beroep kan worden gegaan tegen de uitspraak; aangezien het haar onmogelijk is de bijdragen die haar worden ten laste gelegd, te betalen. Met een brief van 14 december 2000 antwoordt de commissie voor vrijstelling van bijdragen dat er geen (administratieve) beroepsmogelijkheid bestaat. 1.
  13. Op 22 juni 2001 wordt onderhavig annulatieberoep ingesteld. 2.
  14. Overwegende dat de verzoekende partij niet in kennis is gesteld van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State; dat overeenkomstig artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de kennisgeving van 8 december 2000 dan ook de termijn voor het indienen van een annulatieberoep niet heeft doen aanvangen; dat het beroep ratione temporis ontvankelijk ingediend is; 2.
  15. Overwegende dat de verzoekende partij met het bestreden besluit de vrijstelling verkregen heeft van de betaling van de driemaandelijkse bijdragen over de periode 4/1997 tot 4/1999; dat ambtshalve vastgesteld wordt dat zij er geen belang bij heeft dat het besluit van 30 november 2000 op dat vlak vernietigd wordt; 3.
  16. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen doordat het bestreden besluit het motief bevat dat “uit de stukken van het dossier blijkt dat de betrokkene zich bevindt in een toestand die de staat van behoefte benadert”, terwijl dat niets meer is dan een stijlclausule, die bij elk weigeringsbesluit gehanteerd kan worden en die zeker niet IX-2945-4/7 kan verantwoorden waarom er slechts gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen aan haar vraag tot vrijstelling; 3.
  17. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord betoogt dat het bestreden besluit de juridische en de feitelijke gegevens vermeldt waarop de beslissing steunt, dat er vermeld wordt wanneer de aanvraag ingediend is en op welke bijdragen zij betrekking heeft, dat er verwezen wordt naar de stukken van het dossier, dat de vaststelling wordt gemaakt dat er sprake is van een toestand die de staat van behoefte benadert en dat de aanwezigheid van de verzoekende partij ter zitting wordt vermeld; dat zij daar aan toevoegt dat de Commissie een besluit neemt op grond van de haar bekende elementen en dat het concretiseren van de motieven onvermijdelijk onvolledig zou zijn en derhalve niet accuraat en afdoende, aangezien de globale toestand van de betrokkene in ogenschouw genomen wordt; dat zij ook stelt dat, aangezien de Commissie tot de bevinding was gekomen dat de verzoekende partij zich bevond in een situatie die de staat van behoeftigheid benaderde -en niet in staat van behoefte-, zij geen volledige vrijstelling mocht verlenen en dat daarom een gedeeltelijke vrijstelling toegekend is; 3.3.
  18. Overwegende dat de beslissingen van de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen onder toepassing vallen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat bijgevolg de bestreden beslissing de juridische en de feitelijke overwegingen moet bevatten die aan het besluit ten grondslag liggen en dat zij afdoende moeten zijn, in die zin dat zij de betrokkene in staat moeten stellen om de beweegredenen die het bestuur in zijn concreet geval in aanmerking genomen heeft, te begrijpen; 3.3.
  19. Overwegende dat de verwerende partij niet gevolgd kan worden in haar stelling dat uit de vaststelling dat de verzoekende partij de staat van behoefte benadert, volgt dat zij haar slechts gedeeltelijk kan vrijstellen van de betaling van de verschuldigde bijdragen; dat immers artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen bepaalt dat “de zelfstandigen, die menen dat zij zich in staat van behoefte bevinden of in een IX-2945-5/7 toestand die de staat van behoefte benadert, (...) volledige of gedeeltelijke vrijstelling (kunnen) vragen van de bijdragen (...) door zich te wenden tot de in artikel 22 voorziene commissie”; dat die bepaling geen verband legt tussen de staat van behoefte en de volledige vrijstelling aan de ene kant en de toestand die de staat van behoefte benadert en de gedeeltelijke vrijstelling aan de andere kant; dat de Commissie voor elke periode waarover zij te beslissen heeft met inachtneming van de concrete gegevens van elke zaak moet uitmaken of de aanvrager in staat van behoefte verkeert dan wel in een toestand die deze staat benadert en dat zij vervolgens discretionair moet beslissen of zij voor elk van die periodes een volledige dan wel een gedeeltelijke vrijstelling verleent; dat de weigering om de verzoekende partij voor een bepaalde periode vrij te stellen dan ook geen steun kan vinden in de vaststelling dat haar toestand de staat van behoefte benadert; dat integendeel van de Commissie verwacht had mogen worden dat zij, voor de periodes waarvoor de vrijstelling geweigerd werd, zou aanduiden op grond van welke concrete gegevens zij haar standpunt baseerde dat de verzoekende partij zich niet in staat van behoefte of in een toestand die de staat van behoefte benadert bevond en waarom zij dan ook geen gehele of gedeeltelijke vrijstelling kon verlenen; 3.3.
  20. Overwegende dat een verwijzing naar de toepasselijke reglemen- tering, naar de gegevens van de aanvraag en naar “de andere stukken van het dossier” en de vermelding van de mondelinge “uiteenzetting” van de verzoekende partij tijdens het horen, vanzelfsprekend niet begrijpelijk maakt waarom de Commissie de vrijstellingsaanvraag voor de jaren 1995 en 2000 geweigerd heeft; Overwegende dat het middel, gesteund op de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, gegrond is, IX-2945-6/7 BESLUIT: Artikel
  21. Vernietigd wordt de beslissing van 30 november 2000 van de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen, ingesteld bij het bestuur van het Sociaal Statuut der Zelfstandigen van het ministerie van Middenstand en Landbouw, in de mate de aanvraag van Tekke de VRIES om voor de jaren 1995 en 2000 vrijstelling te verkrijgen van betaling van sociale bijdragen verworpen wordt. Artikel
  22. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
  23. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf september 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-2945-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.760 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.