id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.761 Rolnummer: A. 120460/IX-3315 Zaak: Arrest 148761 - - 12/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-23 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 23:39 Fiche Arrest nr 148.761 van 12 september 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.761 van 12 september 2005 in de zaak A. 120.460/IX-
- In zake : Jan VANLOMMEL, wonende te GEEL, Dr. Van de Perrestraat 391 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Antwerpen. tussenkomende partij : Aloïs PEETERS, die woonplaats kiest bij advocaat C. FLAMEND, kantoor houdende te MEISE, Vilvoordsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan VANLOMMEL op 29 april 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 5 maart 2002 van de gouverneur van de provincie Antwerpen waarbij Aloïs PEETERS bevorderd wordt tot adjunct-commissaris van politie in de stad Geel; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 24 juli 2002; Gelet op de beschikking van 27 juli 2002 die de tussenkomst van Aloïs PEETERS toelaat; Gezien de memorie van antwoord en de toelichtende memorie; IX-3315-1/24 Gezien de memorie van de tussenkomende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikking van 1 maart 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 14 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. DE GANCK die, loco advocaat C. FLAMEND verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
- Bij besluit van 12 juni 1996 van de gouverneur van de provincie Antwerpen wordt Aloïs PEETERS bevorderd tot adjunct-commissaris van politie te Geel. Op vraag van Jan VANLOMMEL, verzoeker, vernietigt de Raad van State met het arrest nr. 93.745 van 6 maart 2001 de benoemingsbeslissing. Overwogen wordt dat de korpschef de gegevens van het evaluatieverslag van IX-3315-2/24 verzoeker over de periode van 1 december 1994 tot 31 mei 1995, waarover hij op 20 september 1995 nochtans beschikte, niet in zijn advies betrokken heeft -wat een schending uitmaakt van artikel 25 van het gemeentelijk evaluatiereglement- en dat de gemeenteraad bij het formuleren van zijn voordracht, geen rekening gehouden heeft met de commentaar van verzoeker op het advies van de korpschef, terwijl niet blijkt dat die tekortkomingen in het verder verloop van de bevorderingsprocedure rechtgezet zijn. 1.
- Met een brief van 30 april 2001 zendt de gouverneur van de provincie Antwerpen een afschrift van het arrest aan de burgemeester van de stad Geel. Hij vraagt de burgemeester de gemeenteraad hiervan in kennis te stellen en hem te informeren over het door de gemeenteraad ingenomen standpunt. 1.
- Op 21 mei 2001 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Geel wat volgt : “Het schepencollege neemt er kennis van dat het arrest van de Raad van State van 6 maart 2001 de bevordering tot adjunct-politiecommissaris van Aloïs Peeters met terugwerkende kracht heeft vernietigd. De gemeenteraadsbeslissing die werd genomen op 6 maart 1995 om de vacante betrekking van adjunct- politiecommissaris te bezetten bij wijze van bevordering blijft onverminderd van kracht, zodat deze beslissing niet opnieuw dient genomen te worden. Het schepencollege beslist de vacature die ontstaan is door de vernietiging door de Raad van State opnieuw te bezetten bij wijze van bevordering en vraagt derhalve aan de korpschef de procedure van advisering en commentaar door betrokkenen op te starten en op te volgen volgens de bepalingen van de wet. Op basis van de adviezen van de korpschef en de commentaren zal het schepen- college dan voorstellen aan de gemeenteraad om een nieuwe voordracht te doen aan de heer provinciegouverneur voor de functie van adjunct-politie- commissaris”. 1.
- Op 22 mei 2001 ondertekent verzoeker een verklaring dat hij zich uitdrukkelijk kandidaat stelt voor de betrekking van adjunct-politiecommissaris bij de politie van Geel, en dat hij er kennis van neemt dat het advies van de korpschef betrekking heeft op de evaluatieperiode van 1 januari 1995 tot 30 juni
- IX-3315-3/24 1.
- Op 22 mei 2001 verleent de korpschef advies. In dat advies deelt de korpschef mee dat de evaluatieperiode waarop het steunt de periode is van 1 januari 1995 tot 30 juni 1995, dat deze referentieperiode echter te kort is om een goede evaluatie te maken, dat hijzelf het evaluatiedocument enkel als administratieve formaliteit heeft ondertekend en niet aanwezig was bij het functionerings- en evaluatiegesprek, dat zijn advies om die reden afwijkt van de evaluatie en dat hij het niet eens is met de beoordeling van verzoeker door de evaluatoren. Vervolgens geeft de korpschef zijn eigen beoordeling over de persoon en de werking van verzoeker, dit aan de hand van dezelfde criteria die bij de evaluatie van verzoeker werden gehanteerd en waarbij verzoeker hetzij “zeer goed”, hetzij “goed” scoorde. Zo merkt hij op : - onder het luik “kwantiteit van het werk, kwantitatieve prestaties, inzet” (evaluatie- criterium waarop verzoeker “goed” scoorde), dat verzoeker behoorlijk werkt, maar dat het in het verleden meermaals is gebeurd dat hij dagbladen en tijdschriften zat te lezen of op de computer met kaartspelen bezig was en dat hij, wanneer de korpschef hem een opmerking maakte, antwoordde dat hij bijgewerkt was; - onder het luik “flexibiliteit, veelzijdigheid, beschikbaarheid” (evaluatiecriterium waarop verzoeker “goed” scoorde), dat verzoeker vragen om bijkomende prestaties positief beantwoordt maar zich niet spontaan als vrijwilliger opgeeft indien er door middel van een schriftelijke nota aan het dienstbord bijkomend personeel gevraagd wordt. Bijkomend bij de eigen commentaar ten aanzien van de beoor- delingscriteria die bij een evaluatie aan bod komen, vindt de korpschef dat er nog verduidelijking nodig is “over de persoon (...) en zijn werking” en daarom geeft hij “bijkomende inlichtingen”, met name dat verzoeker, na het behalen van zijn officierenbrevet in 1985 en zijn licentie criminologie en criminalistiek in 1991, verder geen vormingscursussen heeft gevolgd en dat verzoeker in het verleden meermaals werd berispt omdat hij tijdens de diensturen in dagbladen en tijdschriften zat te lezen en ook meermaals werd betrapt terwijl hij op de computer met spelletjes bezig was. Hij vermeldt ook een aantal feiten die volgens hem illustreren dat verzoeker IX-3315-4/24 “nonchalant” is en dat “zijn inzet en verantwoordelijkheidszin te wensen overlaten”: het betreft met name feiten die dateren van de nacht van 10 op 11 februari 1994, van 26 juni 1991, juni 1994 en 27 februari
- De politiecommissaris besluit zijn advies als volgt : “Ik kan mij niet akkoord verklaren met het feit, dat iemand met een dergelijke houding een leidende functie als Adjunct-Politiecommissaris zou gaan bekleden, niettegenstaande het niveau van zijn opleiding en zijn kwaliteiten. Het zou niet eerlijk zijn tegenover andere kandidaten, die eveneens aan de voorwaarden tot bevordering voldoen en op wier houding en manier van werken geen opmerking- en kunnen gemaakt worden, dat Vanlommel nu zou bevorderd worden. Advies : NIET ONGUNSTIG”. 1.
- Op 29 mei 2001 dient verzoeker een uitgebreide commentaar op het advies van de korpschef in. Verzoeker laat onder meer gelden wat volgt : - mijn evaluatie voor de periode van 1 januari 1995 tot 30 juni 1995 was gunstig; zij bevat slechts één klein minpunt - iets meer inzet naar politiewerk toe wordt verwacht - maar dat moet geassocieerd worden met de positieve vermelding “inzet naar preventie toe”; het opstarten van een preventieteam vergt zeker in de beginfase heel wat inspanningen en tijdsbesteding; ik heb dit destijds ook vermeld aan de evaluator die hiervoor alle begrip had; - wat de door de korpschef gemaakte opmerkingen betreft onder het luik “kwantiteit van het werk, kwantitatieve prestaties, inzet”, kon de politie elke dag rekenen op een aantal kranten die door de distributeur op het bureel afgeleverd werden en die ter inzage lagen van de agenten; quasi iedereen bladerde wel eens door de kranten bij aanvang van de dienst of in kalme momenten; de korpschef heeft mij maar één maal een opmerking hierover gemaakt; dit was jaren geleden, en is dus niet relevant voor mijn evaluatie; het kaartspel dat op de computer stond werd door de leverancier en installateur van de computer zelf geïnstalleerd; de bedoeling was om op speelse wijze vertrouwd te raken met het werken met de muis; na het volgen van een opleidings- cursus raadde de lesgever dan ook aan om zoveel mogelijk te oefenen met dit spel; - wat de opmerkingen betreft onder het luik “flexibiliteit, veelzijdigheid, beschikbaar- heid”, spreekt de korpschef zichzelf tegen, vermits hij zelf stelt dat ik vragen om IX-3315-5/24 bijkomende prestaties positief beantwoord; daarenboven heb ik indien mogelijk wel mijn naam opgegeven als vrijwilliger, maar was dit om sociale, persoonlijke of familiale redenen niet altijd mogelijk, met name omdat ik drie jaar, volledig buiten dienstverband, gestudeerd heb aan de universiteit en ik al mijn vrije tijd en een deel van mijn verlof hieraan heb opgeofferd, en ik bovendien vader ben van twee kleine kinderen die mijn echtgenote en ik zo veel mogelijk zelf opvoeden; - de korpschef vermeldt dat ik verder geen vormingscursussen heb gevolgd, maar vergeet te vermelden dat hijzelf weigerde mij in te schrijven voor bijkomende cursussen omwille van het feit dat ik toch al een universitair en dus het hoogst mogelijke diploma had behaald en ik de anderen ook de kans moest geven om zich bij te scholen; - het advies strookt niet met de vermelding dat het betrekking heeft op de evaluatie- periode van 1 januari 1995 tot 30 juni 1995, vermits de korpschef meerdere feiten aanhaalt die van lang vóór deze evaluatieperiode dateren. 1.
- Bij beslissing van 25 juni 2001 draagt de gemeenteraad van de stad Geel Aloïs PEETERS en verzoeker als eerste, respectievelijk tweede kandidaat voor. Die beslissing is gemotiveerd als volgt : “(...) Gehoord het college van burgemeester en schepenen in zijn verslag; Besluit in geheime zitting: Artikel
- Bij toepassing van de wet van 29.07.1991 inzake de motiveringsplicht is het college van burgemeester en schepenen van oordeel dat - Tussen de vijf kandidaten - die allen in aanmerking komen en voldoen aan de voorwaarden en allen een gunstig advies of verdeeld gunstig advies hebben bekomen, hetgeen als gunstig moet aanzien worden - de heren Peeters Aloïs en Vanlommel Jan de meest verdienstelijke kandidaten zijn om de functie van adjunct-politiecommissaris waar te nemen; - Omdat de evaluatie van de kandidaten in verschillende hoofdstukken is ontleed, waarbij de heer Aloïs Peeters als eerste kandidaat een zeer behoorlijk gunstige quotering heeft voor kwantiteit van het werk, kwalitatieve prestaties, inzet, organisatietalent, creativiteit en accuraatheid, daar waar de heer Vanlommel Jan, als tweede kandidaat, een positieve quotering heeft bekomen, en met de behaalde licentie criminologie en criminalistiek een hoge kwalificatie inzake diploma heeft bekomen. IX-3315-6/24 - de gemeenteraad is van mening dat de volgorde der kandidaten voor de betrekking van adjunct-politiecommissaris als volgt dient vastgesteld te worden :
- Aloïs Peeters
- Jan Vanlommel En dat hierbij gesteund wordt op onderstaande bijzondere concrete gegevens die belang hebben met betrekking tot de (ver)diensten der kandidaten. De heer Peeters Aloïs wordt als eerste kandidaat voorgedragen op basis van volgende elementen, waaruit de conclusie kan getrokken worden dat deze laatste tussen de medekandidaten de grootste waardering wegdraagt voor zijn beroepsactiviteiten, rekening houdend met vaardigheden, anciënniteit en beoordeling. Eerste kandidaat Peeters Aloïs (14 j - 10.5 maand anciënniteit op 1.6.1995) - Hij betoont voldoende vasthoudendheid om zijn werk tot een goed einde te brengen - Hij kan zich in ernstige situaties zeer goed inleven - Hij kent zijn zaken en levert goed werk af - Hij is sociaal ingesteld, en helpt als dat van hem gevraagd wordt - Hij weet voldoende initiatief te nemen - Hij heeft blijk gegeven van inzet en wil om bijkomende vorming te volgen - Hij heeft nooit een tuchtaangelegenheid ondergaan of in een conflict- situatie met zijn oversten gestaan - Hij is voldoende stressbestendig - Hij is voldoende flexibel en veelzijdig, en heeft een sterk kritisch vermogen - Hij kan zelfstandig werken en eigen ideeën naar voor brengen - Hij is voldoende betrouwbaar, en neemt zijn verantwoordelijkheid op - Als kleine minpunten kunnen alleen naar voor gebracht worden dat hij een wat eigenzinnig karakter heeft, en ietwat te weinig aandacht betoont voor details. Betrokkene bekwam een gunstig advies van de korpschef. Tweede kandidaat Vanlommel Jan (15 j - 3 m anciënniteit op 1.6.1995) Ook deze kandidaat voldoet aan de wettelijke voorwaarden om tot adjunct- commissaris van politie benoemd te worden. Inzake zijn algemene opleiding en vorming valt op dat betrokkene de graad van Licentiaat in de Criminologie behaald heeft, hetgeen wijst op zijn bekwaam- heid en inzet tot het verwerven van kennis. Het standpunt van de gemeenteraad ten opzichte van deze kandidaat mag niet bepaald worden door het advies van de korpschef, waaromtrent de betrokkene in het raam van de adviesprocedure zijn schriftelijk commentaar bij het dossier heeft doen voegen, in zoverre het niet steunt op het evaluatiedossier van betrokkene. Bovendien dient de gemeenteraad ook uitdrukkelijk rekening te houden met het commentaar dat betrokkene heeft ingediend. Het is immers wettelijk voorzien overeenkomstig het KB van 25 juni 1991 en het ministerieel besluit van 8 juni 1993 en het evaluatiereglement van de stad, dat de korpschef zich voor het uitbrengen van zijn advies moet baseren op het evaluatiedossier van het betrokken personeelslid. IX-3315-7/24 Gezien betrokkene uitdrukkelijk hiernaar refereert komt het nuttig voor bij de beoordeling van deze kandidaat de volgende stukken te betrekken: het advies van de heer Politiecommissaris d.d. 18 maart 1992 betreffende de kandidatuur van de heer VANLOMMEL voor het ambt van Politiecommissaris te Herentals, een evaluatieverslag betreffende de periode van 1 januari tot 30 juni 1995 en een advies van de Politiecommissaris d.d. 10 oktober 1995 in het raam van de bevorderingsprocedure tot inspecteur, dat grotendeels steunt op het evaluatie- verslag. Gelet op het zeer gunstig advies van de Politiecommissaris geformuleerd in zijn hoger vermeld schrijven van 18 maart 1992, dient abstractie gemaakt te worden van de feiten die in zijn onderhavig advies werden aangehaald en dateren van voor 18 maart 1992, meer bepaald het voorgehouden misbruik van ziekteverlof voor de voorbereiding van universiteitsexamens (feiten van 26 juni 1991). Gezien de andere ingeroepen feiten dateren van voor het hoger genoemd evaluatieverslag dient de beoordeling door de korpschef gegeven bij het verlenen van het advies voor onderhavige kandidatuur vergeleken te worden met deze geformuleerd in het evaluatieverslag. Wat de relatief negatieve elementen van eerst vermelde beoordeling betreft, stemt het punt Kwaliteit van het werk, kwalitatieve prestaties en aandacht voor details niet helemaal overeen met de score voor het evaluatiecriterium kwaliteit van het werk - kwalitatieve prestaties en precisie van het evaluatieverslag, waarvoor betrokkene de score B (zeer goed) behaalde. In deze score wordt juist de aandacht voor details van het werk als één van zijn kwaliteiten aangehaald. In punt teamgeest, omgang met chefs en collega’s van de meest recente beoordeling van de korpschef wordt verwezen naar de weigerachtige houding in het verleden van betrokkene om op te treden in een tweetal burgerrechtelijke aangelegenheden, waarbij men zich de vraag kan stellen of dit in aanmerking mag komen voor de beoordeling van de kandidaat gezien het hier niet om echte politietaken ging. Wat er ook van zij, deze incidenten dateren van voor het evaluatieverslag waarin betrokkene voor de rubriek “Teamgeest - omgang met chefs en collega’s de score B (zeer goed) behaalde. Deze rubriek wordt in het evaluatiereglement als volgt omschreven: ‘Sympathiek en collegiaal in optreden / helpt direct als dat wordt gevraagd / heeft begrip voor wijzigingen / kan de groep stimuleren / stimuleert samen- werking tussen chefs en collega’s’. Hieruit kan men enkel afleiden dat in dit opzicht het gedrag van betrokkenen in de ogen van zijn korpschef gevoelig verbeterd was, zodat het niet duidelijk is waarom hier thans op teruggekomen wordt; Wel moet vastgesteld worden dat, hoewel betrokkene in het evaluatieverslag als een zeer goede politieagent bestempeld wordt, hieraan toegevoegd wordt dat iets meer inzet naar het politiewerk toe hem zeker ten goede zou komen. Dit houdt in dat de scores die hij in dit verband heeft behaald gerelativeerd moeten worden. Het gaat hier bovendien om een evaluatie van de inzet van de betrokkene als hoofdbrigadier, terwijl normalerwijze van iemand met zijn opleiding en met de ambitie om adjunct-politiecommissaris te worden juist een belangrijke inzet in zijn lagere functie mocht verwacht worden. Bovendien sluit IX-3315-8/24 deze opmerking in het evaluatieverslag aan bij de elementen die de korpschef in zijn advies betreffende de onderhavige kandidatuur omtrent deze tekortkoming heeft aangehaald. Dit gegeven maakt dat betrokkene slechts als tweede kandidaat wordt voorgedragen. Er zijn geen redenen om de volgorde in de voordrachten te wijzigen”. 1.
- Met een brief van 27 september 2001 deelt de gouverneur aan de burgemeester mee dat het voordrachtsbesluit van 25 juni 2001 niet voldoet aan de vereisten van de motiveringsplicht, en dat het dossier dan ook voor aanvullende of wijzigende motivering opnieuw aan de gemeenteraad moet voorgelegd worden. Met name merkt de gouverneur op
(1)dat ten aanzien van de voor- gedragen kandidaten niet dezelfde objectieve criteria worden gehanteerd en de gemeenteraad tevens heeft nagelaten om, voorafgaand aan de vergelijking van titels en verdiensten, te bepalen aan welke criteria het meest belang zal worden gehecht bij de uiteindelijke keuze,
(2)dat opleiding, anciënniteit, bijkomende opleidingen en ervaring binnen de dienst bij uitstek objectieve elementen zijn, dat echter ook andere, eerder subjectieve elementen, zoals de inzet en de wijze van dienen, in aanmerking mogen worden genomen, maar dat er in dat geval over gewaakt moet worden dat die appreciatie op onpartijdige wijze en op basis van aantoonbare feiten gebeurt,
(3)dat de overwegingen van het besluit van 25 juni 2001 die voor de raad blijkbaar decisief zijn geweest letterlijk overgenomen zijn uit het advies van 2 februari 1996 van de procureur-generaal, dat, ingevolge het arrest van de Raad van State, de procedure moet worden hernomen vanaf het tijdstip van de eerste voordracht, dat de gemeenteraad op dat ogenblik materieel geen kennis kon hebben van het advies van de procureur-generaal, en dat dit document dan ook niet mag aangewend worden ter motivering van de thans genomen beslissing, en
(4)dat het advies van de korpschef dat “iets meer inzet naar het politiewerk toe” verzoeker zeker ten goede zou komen en dat van een adjunct-commissaris meer toewijding wordt verwacht dan van een inspecteur, niet volstaat om de balans te laten overhellen ten gunste van Aloïs PEETERS die op louter objectieve maatstaven minder aanspraken kan laten gelden dan verzoeker. IX-3315-9/24 1.
- Op 5 november 2001 beslist de gemeenteraad de volgorde der kandidaten, zoals vastgelegd in de beslissing van 25 juni 2001, ongewijzigd te behouden. Die beslissing luidt als volgt : “De gemeenteraad Gelet op het arrest van de Raad van State van 6 maart 2001 tot vernietiging van de beslissing van de gouverneur van 12 juni 1996 tot bevordering van de heer Aloïs Peeters tot adjunct-politiecommissaris van de stad Geel; Overwegende dat hierdoor de bevordering van Aloïs Peeters met terug- werkende kracht is vernietigd en de gemeenteraad bij een nieuwe voordracht van kandidaten zich terug moet zetten in de tijd; Gelet op de gemeenteraadsbeslissing van 25 juni 2001 waarbij de gemeente- raad besliste de heer Aloïs Peeters voor te dragen als eerste kandidaat voor het ambt van adjunct-politiecommissaris en de heer Jan Vanlommel als tweede kandidaat; Gelet op de brief van 27 september 2001 waarin de heer gouverneur vraagt aan de gemeenteraad een bijkomende motivering te geven voor deze voordracht van kandidaten; Overwegende dat de gemeenteraad de procedure dient te hernemen vanaf 8 mei 1995 en aldus geen rekening mag houden met de titels en verdiensten van de kandidaten na dit tijdstip; Overwegende dat de gemeenteraad aldus zich enkel kan baseren op de diploma’s van betrokkenen op 8 mei 1995 en op hun staat van verdiensten op dat ogenblik; Overwegende dat de gemeenteraad niet kan overgaan tot de inrichting van een objectief examen; Gehoord het college van burgemeester en schepenen in zijn verslag; Besluit in geheime zitting en met afzonderlijke geheime stemming: Artikel
- Bij toepassing van de wet van 29.07.1991 inzake de motiveringsplicht is het college van burgemeester en schepenen van oordeel dat: - de kandidaten bezaten op 8 mei 1995 volgende diploma’s: - Peeters Aloïs, geboren 10.2.1956, wonende Seppendijk 31, 2440 Geel, in dienst getreden bij het politiekorps van Geel op 15.7.1980, met 14 j 10,5 m anciënniteit op 1.6.1995, en vast benoemd op 1.8.1981, graad hoofdbrigadier van politie met volgende bekwaamheidsbewijzen: Brevet LSTS, elektriciteit Brevet LSBL, garage cat. 71 a Brevet criminologie
(1982)Brevet politieofficier
(1987)Attest geluidshinder en de metingen ervan
(1990)Diploma EHOKT bedrijfsorganisatie
(1992)Attest ‘opvang en verhoor slachtoffers van fysiek en seksueel geweld
(1994)’ - Vanlommel Jan, geboren 2.2.1958, wonende Dr. Van de Perrestraat 391, 2440 Geel, in dienst getreden bij het politiekorps van IX-3315-10/24 Geel op 1.3.1980, met 15 j 3 m anciënniteit op 1.6.1995, en vast benoemd op 1.3.1981, graad hoofdbrigadier van politie met volgende bekwaamheidsbewijzen: H.M.O. : wetenschappelijke B Brevet politieofficier
(1985)Licentie criminologie en criminalistiek
(1991)- Jan Vanlommel behaalde dus de graad van Licentiaat in de Criminologie, hetgeen wijst op zijn bekwaamheid en inzet tot het verwerven van kennis; desalniettemin blijkt uit het overzicht van de bekwaamheidsbewijzen van Aloïs Peeters dat ook deze zich in de loop der jaren op zeer aanzienlijke wijze heeft bijgeschoold in functie van zijn loopbaan bij de politie van Geel - Het evaluatieverslag betreffende de periode van 1 december 1994 tot 30 juni 1995 leidt tot volgende vaststellingen : beide kandidaten bekomen een gunstige evaluatie en worden aangeduid als ‘zeer goed agent’. Voor Jan Vanlommel wordt echter aangegeven dat iets meer inzet het werk ten goede zou komen. Dit houdt in dat de scores die hij in dit verband heeft behaald gerelativeerd moeten worden. Het gaat hier bovendien om een evaluatie van de inzet van de betrokkene als hoofdbrigadier, terwijl normalerwijze van iemand met zijn opleiding en met de ambitie om adjunct-politiecommissaris te worden juist een belangrijke inzet in zijn lagere functie mocht verwacht worden. Bovendien sluit deze opmerking in het evaluatieverslag aan bij de elementen die de korpschef in zijn advies betreffende de onderhavige kandidatuur omtrent deze tekortkoming heeft aangehaald. De gemeenteraad steunde in 1995 op volgende beschrijving van het functioneren van Aloïs Peeters bij de beraadslaging over de voordracht van de kandidaten Peeters Aloïs (14 j - 10.5 maand anciënniteit op 1.6.1995) Hij betoont voldoende vasthoudendheid om zijn werk tot een goed einde te brengen Hij kan zich in ernstige situaties zeer goed inleven Hij kent zijn zaken en levert goed werk af Hij is sociaal ingesteld, en helpt als dat van hem gevraagd wordt Hij weet voldoende initiatief te nemen Hij heeft blijk gegeven van inzet en wil om bijkomende vorming te volgen Hij heeft nooit een tuchtaangelegenheid ondergaan of in een conflict- situatie met zijn oversten gestaan Hij is voldoende stressbestendig Hij is voldoende flexibel en veelzijdig, en heeft een sterk kritisch vermogen Hij kan zelfstandig werken en eigen ideeën naar voor brengen Hij is voldoende betrouwbaar, en neemt zijn verantwoordelijkheid op Als kleine minpunten kunnen alleen naar voor gebracht worden dat hij een wat eigenzinnig karakter heeft, en ietwat te weinig aandacht betoont voor details. Artikel 2 Op basis van bovenstaande motieven, en rekening houdende met het beperkte kader waarin de gemeenteraad deze beslissing dient te nemen, zoals IX-3315-11/24 aangehaald in de overwegingen, beslist de gemeenteraad de volgorde der kandidaten, zoals vastgelegd in de beslissing van de gemeenteraad van 25 juni 2001, ongewijzigd te behouden. Dit betekent dat: De heer Peeters Aloïs, geboren te Geel op 1.02.1956 wordt als eerste kandidaat voorgedragen voor het ambt van adjunct-politiecommissaris. De stemming voor de eerste kandidaat, waaraan 31 leden deelnemen, geeft de volgende uitslag: 20 ja-stemmen voor Aloïs Peeters en 8-neen stemmen, 2 ja-stemmen voor Jan Vanlommel en 1 blanco stem. De heer Jan Vanlommel, geboren te Geel op 02.02.1958 wordt als tweede kandidaat voorgedragen voor het ambt van adjunct-politiecommissaris. De stemming voor de tweede kandidaat, waaraan 31 leden deelnemen, geeft de volgende uitslag: 24 ja-stemmen voor Jan Vanlommel en 2 neen-stemmen, 3 ja-stemmen voor Aloïs Peeters en 2 blanco stemmen. Artikel
- Het volledige dossier met de voordracht van 2 kandidaten voor de open- staande betrekking van adjunct-politiecommissaris zal aan de heer Gouverneur der provincie overgemaakt worden teneinde de benoemings- procedure verder te kunnen zetten”. 1.
- Bij besluit van 5 maart 2002 van de gouverneur van de provincie Antwerpen wordt Aloïs PEETERS benoemd tot adjunct-politiecommissaris in de stad Geel. Dat besluit, dat het voorwerp uitmaakt van het onderhavig beroep, luidt als volgt: “Gelet op mijn besluit van 12 juni 1996 waarbij de heer A. Peeters wordt bevorderd tot adjunct-commissaris van politie van de stad Geel; Gelet op het arrest nr. 93.745 van 6 maart 2001 van de Raad van State, waarbij mijn besluit van 12 juni 1996 wordt vernietigd; Overwegende dat ingevolge dit arrest de bevordering van de heer A. Peeters met terugwerkende kracht ongedaan wordt gemaakt, met het gevolg dat de gemeenteraad een nieuwe voordracht moet verrichten op basis van de destijds gekende feiten en rekening houdend met de overwegingen van het arrest inzake het betwiste advies van de korpschef; Gelet op het gemeenteraadsbesluit van Geel van 25 juni 2001, op mijn verzoek aangevuld met het gemeenteraadsbesluit van 5 november 2001; Overwegende dat de gemeenteraad na het vergelijken van de titels en verdiensten van de kandidaten de heer A. Peeters opnieuw als eerste kandidaat voordraagt met als voornaamste motivering dat in het evaluatieverslag van de korpschef over de periode van 1 december 1994 tot 30 juni 1995 m.b.t. de heer Vanlommel wordt vermeld dat ‘iets meer inzet zijn werk ten goede zou komen’; IX-3315-12/24 Overwegende dat mijn ambt op 21 november 1995 aan de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep advies heeft gevraagd omtrent het gemeenteraadsbesluit van Geel van 6 november 1995 waarbij de heer A. Peeters als eerste en de heer J. Vanlommel als tweede kandidaat werd voorgedragen en ik uitdrukkelijk de aandacht heb gevestigd op de controverse omtrent het advies van de korpschef; Overwegende dat de Procureur-generaal van oordeel was dat de orde van voordracht door de gemeenteraad kon worden bijgetreden; Overwegende dat de Procureur-generaal met betrekking tot de heer Vanlommel vaststelt dat, hoewel deze in het evaluatieverslag van de korpschef als een zeer goede politieagent bestempeld wordt, hieraan toegevoegd wordt dat iets meer inzet naar het politiewerk toe hem zeker ten goede zou komen, wat impliceert dat de scores die hij in dit verband heeft behaald op de evaluatie, gerelativeerd moeten worden; Overwegende dat de Procureur-generaal eveneens opmerkt dat het hier bovendien gaat om een evaluatie van de inzet van de heer Vanlommel als hoofdbrigadier, waar normalerwijze van iemand met zijn opleiding en met de ambitie om adjunct-politiecommissaris te worden, juist een belangrijke inzet mag worden verwacht; Overwegende dat uit het onderhoud dat mijn ambt met de kandidaten had op 1 maart 1996 en met de burgemeester op 22 mei 1996 geen elementen zijn gebleken om aan het besluit van de Procureur-generaal te tornen; Gelet op de brieven d.d. 25 juli en 3 december 2001, waarin de heer Vanlommel mijn ambt om een persoonlijk onderhoud verzoekt om zijn andere grieven en bemerkingen toe te lichten; Overwegende dat mijn ambt zich dient te baseren op de gegevens bekend op 12 juni 1996, datum van het vernietigde besluit en dat het toestaan van een nieuw onderhoud aan de kandidaten een grond van vernietiging zou kunnen uitmaken”;
- Overwegende dat de memorie van antwoord niet binnen de reglementair voorgeschreven termijn ingediend is; dat zij overeenkomstig artikel 21, vijfde lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State uit de debatten wordt geweerd; 3.
- Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, het zorgvuldigheids- beginsel en de motiveringsplicht zoals die onder meer werd vastgelegd in de formele motiveringswet; dat hij ter zake betoogt wat volgt : de gemeenteraad heeft andermaal geen behoorlijk met redenen omkleed advies gegeven, waarin de precieze redenen vermeld worden waarom de ene kandidaat boven de andere wordt verkozen, hetgeen veronderstelt dat de rangschikking steunt op een grondig vergelijkend onderzoek van IX-3315-13/24 de kandidaten; in casu is zulks niet gebeurd, aangezien de gemeenteraad zich, om verzoeker slechts als tweede kandidaat te weerhouden, quasi louter en alleen steunt op het advies van 2 februari 1996 van de procureur-generaal waarvan de gemeente- raad in 1995 materieel geen weet kon hebben; bovendien vindt de motivering dat verzoeker slechts als tweede kandidaat wordt weerhouden wegens de passage uit zijn evaluatie “dat iets meer inzet naar het politiewerk toe hem zeker ten goede zou komen” geen steun in het dossier zelf; deze passage “paste in het ruimer kader van het beschrijvend kwalitatief verslag van de evaluatie, waar gesteld werd dat verzoeker een zeer goede agent is die zijn werk goed verzorgt, en dat zijn inzet naar preventie toe lovenswaardig is”, en de opmerking dat iets meer inzet naar het politiewerk toe verzoeker ten goede zal komen was volgens zijn evaluator niet negatief bedoeld maar gold enkel als een bijsturing van verzoeker om van preventie niet het hoofddeel van zijn werk te maken; het was pas na deze toelichting dat verzoeker zich met zijn evaluatie akkoord kon verklaren en de gemeenteraad heeft met deze nuancering, die verzoeker heeft toegelicht in zijn commentaar, totaal geen rekening gehouden; opdat er van een deugdelijke vergelijking van de titels en verdiensten sprake kan zijn moeten dezelfde criteria worden gebruikt bij de beoordeling van de verschillende kandidaten en dit is in casu niet het geval geweest; daar waar de gemeenteraad in zijn beslissing van 6 november 1995 zelf toegaf dat verzoeker in redelijkheid de grootste aanspraken mocht maken op de bevordering op basis van zijn diploma en zijn anciënniteit, wordt nu, zonder behoorlijke motivering, aan deze objectief grotere aanspraken voorbijgegaan op basis van een subjectief advies van de korpschef; de gemeenteraad besteedt deze keer uitgebreid aandacht aan de door de kandidaten behaalde diploma’s en stelt daarbij dat de tussenkomende partij zich op “zeer aanzienlijke wijze” heeft bijgeschoold, maar de door deze kandidaat behaalde bekwaamheidsbewijzen hebben niet alleen inhoudelijk minder waarde en een lagere moeilijkheidsgraad, maar ook de tijd die eraan werd besteed is veel minder dan de drie volle academiejaren die verzoeker heeft besteed aan zijn diploma van licentiaat criminologie; daarenboven zijn die bekwaamheidsbewijzen eerder gericht op uitvoerende taken, terwijl het door verzoeker behaald diploma meer beantwoordt aan de specifieke taken die van een officier mogen verwacht worden; in het verleden heeft de stad Geel steeds het criterium van de dienstanciënniteit IX-3315-14/24 gehanteerd als objectief bevorderingscriterium, terwijl in casu zonder enige nadere motivering daarvan wordt afgestapt; de opmerking dat “iets meer inzet naar het politiewerk toe” verzoeker zeker ten goede zou komen en dat van een adjunct- commissaris meer toewijding wordt verwacht dan van een inspecteur, wordt gebruikt als motivatie van de uiteindelijke bevorderingsbeslissing, terwijl de verwerende partij eerder liet weten dat die opmerking niet volstond om de balans ten gunste van de tussenkomende partij te laten overhellen; Overwegende dat verzoeker voorts ook betoogt dat het advies van de korpschef opnieuw artikel 25 van het door de gemeenteraad op 14 november 1994 vastgestelde evaluatiereglement voor de politie miskent waar het feiten aanhaalt die dagtekenen van vóór de evaluatieperiode die in het advies wordt besproken en dat hij overigens dat advies becommentarieerd heeft, dat zijn voordracht op de tweede plaats steunt op een subjectief advies van de korpschef zonder rekening te houden met de objectieve gegevens, dat er geen afweging is gebeurd tussen het advies van de korpschef en zijn commentaar en dat de provinciegouverneur, na eerst aan de gemeente te hebben medegedeeld dat het voordrachtbesluit niet voldeed aan de motiveringsplicht, zonder nadere motivering de tussenkomende partij benoemd heeft; 3.
- Overwegende dat de tussenkomende partij in haar bijkomende memorie uiteenzet wat volgt: dat de gemeenteraad zich nagenoeg uitsluitend op het advies van de procureur-generaal zou beroepen hebben is onjuist aangezien verzoeker een gebrek aan inzet wordt verweten en zulks blijkt uit het verslag in zijn evaluatie- dossier; de gemeenteraad was van oordeel dat de inzet van verzoeker optimaal is inzake preventie, maar niet wat de overige aspecten van zijn opdracht betreft; dat de diploma’s van verzoeker een grotere waarde en een hogere moeilijkheidsgraad zouden hebben is eveneens onjuist, aangezien de waarde van diploma’s afgewogen moet worden aan het nut dat zij hebben voor de te begeven functie en daarbij is de duur van de opleiding van geen belang; dat de stad voorheen het criterium anciënniteit in dienst van het korps zou gehanteerd hebben bij het verlenen van benoemingen, verhindert niet dat thans ook andere criteria aangehouden worden maar in ieder geval blijkt uit het besluit van 25 juni 2001 dat ook in dit geval de IX-3315-15/24 anciënniteit in dienst van het korps als beoordelingscriterium gehanteerd is; dat besluit heeft overigens expliciet de elementen uit het advies van 22 mei 2001, die niet op het evaluatiedossier steunen, uit de beoordeling geweerd, het heeft de reactie van verzoeker op het advies van de korpschef wel degelijk in overweging genomen en de gemeenteraad heeft de negatieve punten uit het advies van de korpschef gerelateerd aan de scores die verzoeker behaalde bij zijn evaluatie; in het besluit van 5 november 2001 worden expliciet de attesten en getuigschriften van de beide kandidaten afgewogen maar opnieuw wordt daar vastgesteld dat het evaluatiedossier van verzoeker een gebrek aan inzet aantoont terwijl de tussenkomende partij blijk geeft van initiatief, van inzet en van verantwoordelijkheidszin; 3.3.
- Overwegende dat luidens artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van de gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming in de graad van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming in de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie, zoals het in het kader van de besluitvorming van de onderhavige zaak van toepassing is, de korpschef voor een benoeming tot een graad van officier van gemeentepolitie voor elke kandidaat een met redenen omkleed advies verleent en dat artikel 4 van het ministerieel besluit van 8 juni 1993 betreffende het met redenen omklede advies van de korpschef van de gemeentepolitie, aan de kandidaat die zich door het advies benadeeld acht, de mogelijkheid biedt om een commentaar in te dienen; dat voorts artikel 25, eerste lid, van het evaluatiereglement dat op de politie van de stad Geel van toepassing is bepaalt dat de korpschef zich voor het uitbrengen van zijn advies baseert “op het evaluatiedossier van het betrokken personeelslid”; 3.3.2.
- Overwegende dat de Raad van State in zijn bovenvermeld arrest nr. 93.745 vastgesteld heeft dat het advies, dat de korpschef op 20 september 1995 over verzoeker gegeven had, geen rekening hield met het in het evaluatiedossier opgenomen evaluatieverslag voor de periode van 1 december 1994 tot 31 mei 1995 en dat, hoewel verzoeker een uitgebreide commentaar had gegeven op dat advies, de gemeenteraad in zijn voordrachtbesluit de negatieve elementen uit het advies van de IX-3315-16/24 korpschef zonder meer overgenomen heeft zonder er blijk van te geven de commentaar van verzoeker onderzocht te hebben; 3.3.2.
- Overwegende dat, bij het hernemen van de procedure, de korpschef op 22 mei 2001 een nieuw advies heeft gegeven, dat volgens de mededeling die verzoeker dienaangaande ondertekend heeft specifiek betrekking zou hebben op de evaluatieperiode van 1 januari 1995 tot 30 juni 1995; dat de korpschef daarin uiteenzet dat hij de beoordeling die aan verzoeker voor die periode gegeven is niet bijvalt, dat hij dan voor de verschillende beoordelingscriteria een eigen standpunt formuleert -onder de rubriek “kwantiteit van het werk, kwantitatieve prestaties, inzet” verwijst hij naar het feit dat verzoeker “in het verleden meermaals dagbladen en tijdschriften zat te lezen of op de computer met kaartspelen bezig was” en bij de rubriek “flexibiliteit, veelzijdigheid, beschikbaarheid” verwijst hij naar het feit dat verzoeker zich niet spontaan opgeeft als vrijwilliger als er om bijkomend personeel gevraagd wordt- en daar vervolgens nog “verduidelijkingen” aan toevoegt om enerzijds aan te tonen dat verzoeker door zijn vorming zijn werk goed aankan maar dat hij gelet op zijn opleiding toch een gebrek aan initiatief vertoont -hij verwijst daarvoor naar het feit dat verzoeker “in het verleden” meermaals werd berispt voor het lezen van dagbladen en tijdschriften gedurende de diensttijd en dat hij ook betrapt werd terwijl hij spelletjes speelde op de computer- en om anderzijds aan te tonen dat verzoeker “nonchalant is (en) dat zijn inzet en verantwoordelijkheidszin te wensen overlaten” -waarvoor hij verwijst naar vier “feiten” uit de periode juni 1991 tot juni 1994-; dat hij dan besluit er niet mee akkoord te gaan dat iemand “met een dergelijke houding” een leidende functie zou gaan bekleden omdat het “niet eerlijk zou zijn tegenover andere kandidaten op wier houding en manier van werken geen opmer- kingen kunnen gemaakt worden”; Overwegende dat verzoeker ook dit advies van commentaar voorzien heeft; dat hij betwist dat zijn beoordeling niet “gunstig” zou zijn geweest - hij stelt in dat verband dat de vermelding in het evaluatieverslag betreffende zijn inzet voor politiewerk gelezen moet worden in het kader van zijn inzet voor de preventieve politiezorg die zijn tijd in beslag genomen heeft- en dat hij ook de “bijkomende IX-3315-17/24 inlichtingen” van de korpschef “niet relevant (acht) wegens het feit dat zij van ver in het verleden behoren, totaal gelogen of dermate fel opgeschroefd dat zij elke grond van realisme missen en enkel door hem zijn aangegrepen om (hem) nogmaals in een slecht daglicht te stellen”; 3.3.2.
- Overwegende dat de gemeenteraad in zijn voordrachtbesluit van 25 juni 2001 verzoeker opnieuw op de tweede plaats gerangschikt heeft; dat het besluit, wat de beoordeling van de prestaties van verzoeker betreft, nu aanstipt dat het standpunt van de gemeenteraad niet bepaald mag worden door het advies van de korpschef in de mate dat dit geen steun vindt in het evaluatiedossier en dat de gemeenteraad uitdrukkelijk rekening moet houden met de commentaar die verzoeker tegen het advies heeft doen gelden; dat het besluit dan de kritiek overneemt die de procureur-generaal op 2 februari 1996 had geformuleerd ten aanzien van het toenmalig -maar inmiddels voorbijgestreefde- advies van de korpschef en dat het de tweede plaats van verzoeker finaal verantwoordt met de vaststelling dat in het evaluatieverslag van verzoeker vermeld is dat hij een zeer goede politieagent is, maar dat daaraan toch wordt toegevoegd “dat iets meer inzet naar het politiewerk toe hem zeker ten goede zal komen”, waaruit opgemaakt kan worden dat de scores “zeer goed” die verzoeker “in dit verband” behaalde toch gerelativeerd moeten worden, terwijl die bemerking toch ook niet strookt met de gedachte dat van iemand met zijn opleiding en met de ambitie om adjunct-politiecommissaris te worden juist een belangrijke inzet in zijn lagere functie verwacht mocht worden en dat die kritiek bovendien aansluit bij de elementen die de korpschef in zijn advies ten aanzien van “deze tekortkoming” heeft aangehaald; dat aldus de gemeenteraad zich, om de tussenkomende partij boven verzoeker te verkiezen, nu steunt op de vaststelling dat de evaluatie een voorbehoud bevatte op het vlak van de “inzet (van verzoeker) naar het politiewerk toe”, dat dit gebrek aan inzet niet past voor iemand die adjunct- politiecommissaris wil worden en dat het verwijt wel in de lijn ligt van hetgeen de korpschef in zijn advies te dien aanzien vastgesteld heeft; 3.3.2.
- Overwegende dat het beschrijvend kwalitatief verslag, waarmee de evaluatie van verzoeker voor de periode van 1 januari 1995 tot 30 juni 1995 afgerond IX-3315-18/24 werd en dat de basis vormt voor de kritiek op verzoeker, vermeldt: “Zeer goede agent. Verzorgt zijn werk goed. Lovenswaardig is zeker zijn inzet naar preventie toe. Iets meer inzet naar het politiewerk toe komen hem zeker ten goede”; dat verzoeker in zijn commentaar op het advies van de korpschef, waarin deze erop gewezen had dat “de laatste evaluatie niet ongunstig was” en daarmee wou aangeven dat zij niet onverdeeld gunstig was, erkent dat de evaluatie inderdaad “een klein minpunt (bevat)”, maar dat die kritiek “geassocieerd moet worden met de positieve vermelding ‘inzet naar preventie toe’”, waarmee verwezen wordt naar “het opstarten van een preventieteam (hetgeen) zeker in de beginfase heel wat inspanningen en tijdsbesteding (vergt)”; 3.3.
- Overwegende dat de gemeenteraad de motivering overgenomen heeft van het advies van 2 februari 1996 van de procureur-generaal, gegeven in de benoemingsprocedure die tot het arrest nr. 93.745 geleid heeft; dat evenwel verzoeker in zijn commentaar op het nieuwe advies van de korpschef, waarvan hij op 22 mei 2001 kennis heeft gekregen, erop gewezen heeft dat de vermelde kritiek van de evaluatoren samengelezen moet worden met de positieve waardering van zijn inzet op het vlak van de preventie en dat hij daarbij ook nog een verantwoording gegeven heeft waarom hij zoveel tijd besteed had aan preventie; dat de gemeenteraad -in weerwil van hetgeen hij zelf nog in herinnering had gebracht- de kritiek van verzoeker niet beantwoord heeft en dat het besluit er ook geen blijk van geeft dat de kritiek in overweging genomen werd; dat, wegens die tekortkoming, vastgesteld moet worden dat de gemeenteraad niet regelmatig kon besluiten de zeer specifieke kritiek die in het evaluatieverslag als een aandachtspunt was geuit, op een algemener vlak tegen verzoeker uit te spelen als een laakbare houding, zulks te zien als de bevestiging van de verwijten die de korpschef in zijn advies tegen verzoeker geuit heeft en die verwijten aldus opnieuw bij de voordrachtbeslissing te betrekken, ongeacht of zij hun grondslag vonden in het evaluatiedossier; Overwegende overigens dat de gemeenteraad er zelfs niet in slaagt precies aan te duiden welke “elementen” uit het advies van de korpschef hem tot een gebrekkige inzet laten besluiten; dat, aangenomen dat daarmee verwezen wordt naar IX-3315-19/24 de uiteenzetting van de korpschef ten aanzien van de evaluatiecriteria “kwantiteit van het werk, kwantitatieve prestaties, inzet” en “flexibiliteit, veelzijdigheid, beschik- baarheid”, waarin deze verwees naar het feit dat verzoeker “in het verleden (...) meermaals” dagbladen las of zich bezig hield met het spelen op de computer en dat verzoeker zich niet opgaf als vrijwilliger wanneer om bijkomend personeel was verzocht, verzoeker in zijn commentaar daarop zeer concreet geantwoord heeft - kranten waren ter beschikking van het personeel; een kaartspel was op de computer geïnstalleerd om het personeel toe te laten zich het werken met de muis eigen te maken; het zich niet vrijwillig inschakelen voor bijkomende prestaties wordt verklaard door zijn studie aan de universiteit en zijn keuze om zoveel mogelijk zelf voor de opvang van zijn kinderen te zorgen-; dat van de gemeenteraad verwacht had mogen worden dat hij de kritiek van verzoeker zou weerleggen en daarmee zou aantonen dat de beoordeling wel degelijk steun vond in het evaluatiedossier; 3.3.
- Overwegende dat, om de vermelde redenen, de gemeenteraad niet deugdelijk heeft kunnen vaststellen dat het gebrek aan inzet een rangschikking op de tweede plaats verantwoordde; 3.3.
- Overwegende dat de tussenkomende partij betoogt dat uit de beslissing van 25 juni 2001 blijkt dat de gemeenteraad ook aandacht gehad heeft voor de anciënniteit in dienst van het korps; dat uit het gemeenteraadsbesluit inderdaad blijkt dat de tussenkomende partij de voorkeur gekregen heeft omdat zij “de grootste voorkeur wegdraagt voor (haar) beroepsactiviteiten, rekening houdend met vaardigheden, anciënniteit en beoordeling”, maar dat die verwijzing, wat de anciënniteit betreft, strijdig is met de in het besluit zelf opgenomen vermelding dat voor de tussenkomende partij een dienstanciënniteit geldt van 14 jaar en 10 maanden tegenover 15 jaar en 3 maanden voor verzoeker; 3.3.6.
- Overwegende dat, op instigatie van de provinciegouverneur die kritiek had om de motivering van de voorkeur voor de tussenkomende partij, de gemeenteraad op 5 november 2001 opnieuw beraadslaagd heeft over de orde van de voordracht van verzoeker en de tussenkomende partij; dat dit besluit opnieuw de IX-3315-20/24 titels van de betrokkenen vermeldt met de toevoeging, wat verzoeker betreft, dat het behalen van de graad van licentiaat in de criminologie “wijst op zijn bekwaamheid en inzet tot het verwerven van kennis” en wat de tussenkomende partij betreft, dat zij “zich in de loop der jaren op zeer aanzienlijke wijze heeft bijgeschoold in functie van (haar) loopbaan bij de politie van Geel”; dat die beslissing voorts opnieuw, en op dezelfde wijze als in het besluit van 25 juni 2001, verwijst naar de grotere inzet die blijkens het evaluatieverslag van verzoeker wordt verwacht; dat er ook opnieuw melding wordt gemaakt van de “elementen waaruit de conclusie kan getrokken worden dat (de tussenkomende partij) de grootste waardering wegdraagt voor (haar) beroepsactiviteiten”; 3.3.6.
- Overwegende dat, wat betreft het motief dat de inzet van verzoeker gebrekkig is, hoger reeds vastgesteld is dat het niet deugdelijk wordt aangevoerd; dat, wat betreft de beoordeling van de bekwaamheidsbewijzen, vastgesteld wordt dat de gemeenteraad ook reeds op 25 juni 2001 vastgesteld had dat verzoeker, door het bezit van het diploma van licentiaat in de criminologie, bewijs geleverd had van “zijn bekwaamheid en inzet tot het verwerven van kennis” en dat de tussenkomende partij “blijk gegeven heeft van inzet en wil om bijkomende vorming te volgen”, dat hij dat nu in enigszins andere bewoordingen herhaalt maar dat uit dit motief enkel blijkt dat de gemeenteraad de tussenkomende partij op het vlak van de bekwaamheidsbewijzen even hoog inschat als verzoeker zodat het niet dienstig is om de voorrang van de tussenkomende partij op verzoeker te onder- bouwen; dat integendeel, wanneer dit motief in verband gebracht wordt met de redenen waarom de gemeenteraad op 25 juni 2001, in een eerste klassering, verzoeker en de tussenkomende partij als de twee beste kandidaten naar voren geschoven heeft vastgesteld moet worden dat de kandidatuur van verzoeker toen op de voorgrond geplaatst is wegens de licentie die hij behaalde, maar dat die meerwaarde blijkbaar totaal achterwege wordt gelaten wanneer, in het vervolg daarvan, de kandidatuur van verzoeker tegen die van de tussenkomende partij wordt afgewogen; dat in die zin de gemeenteraad niet deugdelijk heeft kunnen vaststellen dat, op het vlak van de bekwaamheidsbewijzen, verzoeker en de tussenkomende partij evenwaardig waren; dat, wat de in het besluit vermelde gegevens betreft -die IX-3315-21/24 overigens ook in het besluit van 25 juni 2001 waren opgenomen- betreffende het functioneren van de tussenkomende partij, dat uit het besluit -net zomin als dit bij het besluit van 25 juni 2001 het geval was- niet blijkt dat de gemeenteraad deze vaststellingen heeft gezien als een afzonderlijk motief dat, buiten de vaststelling om dat verzoeker te weinig inzet betoonde, de voorkeur aan de tussenkomende partij kon verantwoorden; 3.3.
- Overwegende dat, om de voormelde redenen, de gemeenteraad de voordracht van de tussenkomende partij als eerste kandidaat niet deugdelijk verantwoord heeft; dat zulks betekent dat de erop gevolgde benoeming onregelmatig is; dat zulks enkel niet het geval moet zijn wanneer zou blijken dat de benoemende overheid de door de gemeenteraad begane onregelmatigheden gecorrigeerd heeft; 3.3.
- Overwegende dat het bestreden besluit verwijst naar de voordracht van de tussenkomende partij met “als voornaamste motivering dat in het evaluatie- verslag van de korpschef over de periode van 1 december 1994 tot 30 juni 1995 m.b.t. de heer Vanlommel wordt vermeld dat ‘iets meer inzet zijn werk ten goede zou komen”, naar het advies van de procureur-generaal die de orde van voordracht kon bijvallen om reden dat de scores die verzoeker in het evaluatieverslag ten aanzien van zijn inzet behaalde gerelativeerd dienden te worden in functie van de vaststelling dat hij naar het politiewerk wat meer inzet mocht betuigen en dat van een hoofdbrigadier die adjunct-politiecommissaris wil worden “juist een belangrijke inzet mag worden verwacht” evenals naar het persoonlijk onderhoud met de kandidaten en met de burgemeester waaruit “geen elementen zijn gebleken om aan het besluit van de procureur-generaal te tornen”; dat aldus de grondslag van het bestreden besluit identiek is aan die van de voordrachtbeslissing van 25 juni 2001; dat de provinciegou- verneur nochtans in zijn brief van 27 september 2001 aan de gemeenteraad precies medegedeeld had dat die motivering niet volstond, onder meer omdat de verwijzing naar “iets meer inzet naar het politiewerk toe” en naar de grotere toewijding die van een adjunct-politiecommissaris toch verwacht mag worden niet volstaan om de balans te laten overhellen ten gunste van de tussenkomende partij “die op louter objectieve maatstaven minder aanspraken kan laten gelden dan (verzoeker)”; dat niet blijkt IX-3315-22/24 waarom de provinciegouverneur dan, na kennisneming van het gemeenteraadsbesluit van 5 november 2001 waarin geen deugdelijk antwoord op zijn bezwaren wordt gegeven, met het bestreden besluit de tussenkomende partij toch heeft kunnen benoemen; dat ook de omstandigheid dat het bestreden besluit nu verwijst naar het advies van de procureur-generaal, de benoeming van de tussenkomende partij niet kan verantwoorden, aangezien de gemeenteraad het motief van de provinciegouver- neur overgenomen heeft en de ondeugdelijkheid van dat motief hiervoor is aangetoond, Overwegende dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 5 maart 2002 van de gouverneur van de provincie Antwerpen waarbij Aloïs PEETERS bevorderd wordt tot adjunct- commissaris van politie in de stad Geel. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf september 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : IX-3315-23/24 de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-3315-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.761 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div