id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.823 Rolnummer: A. 91486/VII-21251 Zaak: Arrest 148823 - - 13/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-26 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 23:44 Fiche Arrest nr 148.823 van 13 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.823 van 13 september 2005 in de zaak A. 91.486/VII-21.251 In zake : de b.v.b.a. NIEUWPOORT EXPRESS, die woonplaats kiest bij Advocaat D. BAILLEUL, kantoor houdende te NIEUWPOORT, Albert I-laan 52C tegen : het Vlaamse gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat G. MARTYN, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg 82 tussenkomende partij : de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM), die woonplaats kiest bij Advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. NIEUWPOORT EXPRESS op 3 mei 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 7 maart 2000 van het afdelingshoofd van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Milieuvergunningen, waarbij haar beroep tegen het besluit van 29 januari 1999 van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest waarbij de verzoekende partij geacht werd niet te voldoen aan de voorwaarden van artikel 31, §§ 2 en 3, van het Bodemsaneringsdecreet en waarbij haar de verplichting wordt opgelegd in te gaan op de aanmaning tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek voor het terrein gelegen aan de Pieter Deswarte- laan te Nieuwpoort, kadastraal gekend afdeling 1, sectie A, perceelnummers 0061 A2 en 0061 G2, onontvankelijk wordt bevonden; VII-21.251-1/5 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 30 juni 2000 ingediend door de OVAM; Gelet op de beschikking van 11 juli 2000 die de tussenkomst van de OVAM toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKE- RE, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 25 juli 2005, houdende bevel tot neerlegging van het verslag en oproeping van de partijen om te verschijnen op 8 september 2005; Gelet op de mededeling van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat Th. BIENSTMAN die, loco Advocaat D. BAILLEUL verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat I. DE TANDT, die verschijnt voor de verwerende partij en van Advocaat Y. LOIX die, loco Advocaat H. SEBREGHTS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKE- RE ; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: VII-21.251-2/5 1.
- Op 4 maart 1997 worden de percelen gelegen aan de Pieter Deswartelaan te Nieuwpoort, kadastraal gekend afdeling 1, sectie A, perceelnum- mers 0061 A2 en 0061 G2, door de Vlaamse regering aangewezen als historisch verontreinigde gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden. 1.
- Bij besluit van 29 januari 1999 van de Openbare Afvalstoffenmaat- schappij voor het Vlaamse Gewest wordt de verzoekende partij, die opstalhouder is van deze gronden, geacht niet te voldoen aan de voorwaarden van artikel 31, §§ 2 en 3, van het Bodemsaneringsdecreet en wordt haar de verplichting opgelegd in te gaan op de aanmaning tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek voor het terrein . In dit besluit wordt melding gemaakt van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State. 1.
- Nadat de verzoekende partij een annulatieberoep heeft ingediend bij de Raad van State (zaak gekend onder het nr. 83.191/VII-18.046), gaat de OVAM op 24 december 1999 over tot een tweede betekening van haar besluit van 29 januari 1999 . Deze tweede betekening is vergezeld van een schrijven waarin de verzoekende partij in kennis wordt gesteld van de inmiddels tussengekomen rechtspraak van “de Raad van State (die) van oordeel (is) dat tegen de beslissingen van de OVAM houdende uitspraak omtrent standpunt onschuldig eigenaar/gebruiker een georganiseerd administratief beroep ex artikel 23 van het bodemsaneringsdecreet openstaat (R.v.St. nr. 79.740, 1 april 1999)” en waarin haar een nieuwe termijn van dertig dagen wordt toegekend om dat administratief beroep in te dienen bij de Vlaamse regering. In fine van het schrijven wordt nog gesteld wat volgt : “Voor de goede orde merken wij op dat u geen rekening dient te houden met de vermelding in het voor eensluidend afschrift (bijlage) van de beroepsmoge- lijkheid bij de Raad van State”. 1.
- Het op 20 januari 2000 door de verzoekende partij ingestelde administratief beroep wordt op 2 februari 2000 door de OVAM onontvankelijk verklaard, omdat “er geen voor eensluidend afschrift van de bestreden beslissing werd bijgevoegd”, zoals dat door artikel 37, §2, van VLAREBO is voorgeschreven. 1.
- Op 24 februari 2000 dient de verzoekende partij opnieuw een administratief beroep in tegen het besluit van 29 januari
- Met een beslissing van VII-21.251-3/5 7 maart 2000 van het afdelingshoofd van het Ministerie van de Vlaamse Gemeen- schap, afdeling Milieuvergunningen, wordt het beroep onontvankelijk bevonden op grond van het gegeven dat “het niet is ingediend binnen de reglementaire termijn van 30 dagen”. Dit is de thans bestreden beslissing;
- De ontvankelijkheid 2.
- Overwegende dat met de verwerende en tussenkomende partij moet worden vastgesteld dat onder de hoofding “Ten gronde” uitsluitend argumenten worden aangevoerd tegen het eerst genomen besluit van 29 januari 1999 van de OVAM en geen middelen worden aangevoerd tegen de thans bestreden beslissing van 7 maart 2000; 2.
- Overwegende dat onder het titelloze punt 1 van het verzoekschrift door de verzoekende partij wordt aangevoerd dat, bij de betekening van het besluit van 29 januari 1999, de OVAM foutieve informatie heeft verstrekt aangaande de beroepsinstantie, zodat de verjaringstermijn voor het indienen van het beroep geen aanvang heeft genomen; dat zij er echter aan voorbijgaat dat, zoals sub 1.3 gesteld, het voormelde besluit later, met name op 24 december 1999, opnieuw werd betekend aan de verzoekende partij met de vermelding van de correcte beroepsinstantie en de toekenning van een nieuwe beroepstermijn; dat de verzoekende partij, getuige haar beroepschriften van 20 januari 2000 en 24 februari 2000, deze beroepsmogelijkheid ook effectief heeft benut; dat haar grief feitelijke grondslag mist; 2.
- Overwegende dat onder hetzelfde punt 1 de verzoekende partij nog stelt “dat trouwens de bestreden beslissing van 07.03.2000 niet eens grondig gemotiveerd is, en de opgeworpen argumentatie uit het bezwaarschrift van 24.02.2000 niet eens heeft ontmoet”; dat evenwel het bestreden besluit duidelijk de reden opgeeft van de onontvankelijkheid van het beroep, met name omdat “het niet is ingediend binnen de reglementaire termijn van 30 dagen”; dat deze motivering, zeker in het licht van expliciete vermelding van de bedoelde termijn bij de tweede betekening van het besluit van 29 januari 1999 op 24 december 1999, afdoende is; dat de grief inzake het niet ontmoeten van de argumentatie uit het beroepschrift niet ter zake doet, nu het bestreden besluit uitsluitend uitspraak doet over de onontvankelijkheid van het beroep en er aldus geen reden was om het bezwaarschrift ten gronde te onderzoeken; dat het “middel” kennelijk ongegrond is en het beroep ook als dusdanig moet worden verworpen, VII-21.251-4/5 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien september tweeduizend en vijf, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, A. WIJNANTS. griffier De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-21.251-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.823 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div