id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.824 Rolnummer: A. 75475/VII-15803 Zaak: Arrest 148824 - - 13/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-26 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 23:45 Fiche Arrest nr 148.824 van 13 september 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 148.824 van 13 september 2005 in de zaak A. 75.475/VII-15.803. In zake : Greta MERTENS, die woonplaats kiest bij advocaat M. DENYS, kantoor houdende te BRUSSEL, Grote Hertstraat 12 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN ALSENOY, kantoor houdende te BRUSSEL, A. Dansaertstraat 92. tussenkomende partij : Jan VAN DEN BRANDE, die woonplaats kiest bij advocaat F. LAFONTAINE, kantoor houdende te GRIMBERGEN, Kerkstraat 139. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Greta MERTENS op 26 augustus 1997 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 26 juni 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT waarbij haar beroep tegen het besluit van 11 februari 1997 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel houdende het verlenen aan Jan VAN DEN BRANDE van de vergunning voor het veranderen van een veehouderij, met name het verplaatsen van runderen en het herschikken van de mestopslag, te Londerzeel, Linde 46, wordt verworpen en het beroepen besluit bevestigd; Gelet op het arrest nr. 71.941 van 19 februari 1998 waarbij vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; VII-15.803-1/18 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekster; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 12 juni 1998; Gelet op de beschikking van 22 juni 1998 die de tussenkomst van Jan VAN DEN BRANDE toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 4 februari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 31 maart 2005 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 28 april 2005, op welke datum de zaak in verderzetting wordt uitgesteld tot de zitting van 19 mei 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. HULPIAU die, loco advocaat M. DENYS, verschijnt voor de verzoekster, van advocaat K. VAN ALSENOY, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat J. VANSTIPELEN die, loco advocaat F. LAFONTAINE, verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-15.803-2/18 1. Feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Jan VAN DEN BRANDE, tussenkomende partij, exploiteert een landbouwbedrijf te Londerzeel, Linde 46. De inrichting bestaat uit verschillende stallen die gedeeltelijk in woongebied en gedeeltelijk in agrarisch gebied gelegen zijn. De exploitant beschikt tot in 2011 over vergunningen voor het houden van in totaal 245 grote inheemse zoogdieren, de opslag van 1.030 m3 mest en 63 m3 stalmest en de opslag van 800 m3 groenvoeders. 1.2. Op 27 november 1996 dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel een aanvraag in voor de verandering van de bestaande inrichting door het verplaatsen van runderen en het herschikken en uitbreiden van de mestopslag. In concreto wenst de exploitant een verouderd stallencomplex te vervangen door een nieuwe stal bestemd voor het houden van 75 runderen. Na het realiseren van de beoogde verandering zouden op de inrichting in totaal nog slechts 195 runderen gehouden worden, waarvan 110 stuks in stallen die gelegen zijn in het woongebied en 85 stuks in stallen die gelegen zijn in agrarisch gebied. Op het ogenblik dat de milieuvergunningsaanvraag wordt ingediend heeft de tussenkomende partij reeds van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel een bouwvergunning verkregen voor het "afbreken en heropbouwen van een rundveestal". 1.3. Bij besluit van 11 februari 1997 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel eveneens de gevraagde milieuvergunning. Als bijzondere voorwaarde wordt aan de exploitant opgelegd om bij het oprichten van de nieuwe runderstal een afstand van 3 meter t.o.v. de perceelsgrens in acht te nemen. De exploitant wordt tevens verplicht tot de aanleg van een groenscherm. 1.4. Op 25 februari 1997 stelt het echtpaar DE KEYSER-MERTENS, woonachtig te Londerzeel, Linde 40, bij de bestendige deputatie van de provincie- raad van Vlaams-Brabant beroep in tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van Londerzeel waarbij de milieuvergunning tot het VII-15.803-3/18 veranderen van de bestaande inrichting wordt verleend. Dat beroep wordt, na vervollediging op verzoek van de gemachtigde ambtenaar, ontvankelijk verklaard op 26 maart 1997. 1.5. Met een brief van 11 maart 1997 wordt door de verzoekster beroep ingesteld. In het beroepschrift worden onder andere de volgende argumenten tegen het verlenen van de gevraagde milieuvergunning aangevoerd : "1/ Op planologisch-stedenbouwkundig vlak is de aanvraag strijdig met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan, dat op de plaats van de nieuwe stal een woongebied voorziet. De woning van beroepster, en deze van haar ouders en haar zuster die naast haar wonen, liggen in ditzelfde woongebied. De residentiële functie is ook verder naar Steenhuffel en Malderen toe in de straat alom overheersend, derwijze dat men kan stellen dat een nieuwe runderstal pal in dit gebied strijdig is met de bijzondere en concrete kenmerken van het woongebied zoals dit heden bestaat. Bij lezing van de ingediende plannen blijkt dat de nieuwe stal zou uitgebaat worden op 4 meter van de keuken van beroepster en op amper 2 meter van het tuinterras, en dit dus in woongebied. Beroepster meent op ernstige wijze in haar rustig woongenot gestoord te zullen worden indien de nieuwe stal geëxploiteerd zou worden, dit te meer gezien blijkt dat de heer Van den Brande nog over meer dan 30 hectare landbouwgrond blijkt te bezitten, en dus veel beter zijn stal in het dieper gelegen agrarisch gebied zou inplanten. 2/ Zelfs indien vastgesteld zou worden dat de aanvraag conform is met het gewestplan en de verbods- en afstandsregels van het Vlarem II-besluit, is de overheid bevoegd en zelfs verplicht om milieuvergunningen te weigeren zo blijkt dat de exploitatie van de aangevraagde inrichting van aard zal zijn om overdreven hinder voor de mens of het leefmilieu te veroorzaken (zie bv. R.v.St. D’Hooghe, nr. 56361, 17 november 1995). De concrete omstandigheden noodzaken zulks in casu : de nieuwe stal wordt ingeplant in het woongebied, op zeer korte afstand van de woning en de tuin van beroepster". 1.6. Vervolgens worden in het kader van de beroepsprocedure de vereiste adviezen ingewonnen. a. De Vlaamse Landmaatschappij verleent op 7 april 1997 gunstig advies over de aanvraag tot verandering van de inrichting. De aanvraag wordt namelijk verenigbaar geacht met het Meststoffendecreet van 23 januari 1991 en zijn uitvoeringsbesluiten. b. Het advies van 17 april 1997 van het bestuur Milieuvergunningen is ongunstig over de aanvraag. In het verslag van het onderzoek dat tot voormeld advies heeft geleid wordt onder meer het volgende gesteld : VII-15.803-4/18 "Op het ogenblik van het bezoek kon weinig of geen directe hinder (geur of lawaai) worden vastgesteld. De quasi volledige afwezigheid van dieren op dit ogenblik moet evenwel in rekening worden genomen. Vanuit de woning van beroepster, Greta Mertens, buur van de exploitant zijn de aangrenzende vervallen gebouwen een bron van ergernis. Er kan inderdaad niet ontkend worden dat hier in zekere mate visuele hinder bestaat. De zeer slechte hygiënische en vervallen toestand van de gebouwen 4 tot 12 verergert dit probleem in niet geringe mate. Het lijkt daarom bovendien aannemelijk dat de overlast in de zomer heel wat erger is (bvb. vliegen of ander ongedierte). Lawaai en stank zijn voornamelijk bij aanwezigheid van de dieren niet uit te sluiten. Indien de verbouwing of nieuwbouw doorgaat zoals gepland is alle omstandigheden in acht genomen, nauwelijks sprake van een verbetering voor beroepster. Veel hangt uiteraard af van de wil van de exploitant om zijn bedrijf in betere omstandigheden uit te baten. Een zekere sturing van overheidswege lijkt zich hier tevens op te dringen. In de huidige toestand van de exploitatie lijkt het niet aangewezen om de exploitatie verder toe te laten in het woongebied voor wat betreft de rubrieken die betrekken (lees "betrekking") hebben op dieren (stallen) en mestopslag. De huidige stallen en koterij in woongebied kunnen best worden afgebroken. Een degelijke verbouwing is in de praktijk noch bouwtechnisch, noch bedrijfs- economisch een redelijke oplossing. Het is in elk geval uitgesloten dat de huidige onhygiënische toestand van het bedrijf zomaar vergund kan worden. De exploitant dient de nodige maatregelen te nemen om zijn bedrijf op een voldoende hygiënische en ordelijke wijze te exploiteren, zodat de inrichting zowel de algemene en sectorale milieuvoorschriften, maar tevens andere voorschriften die betrekking hebben op ondermeer de elektrische installaties en brandveiligheid, hygiëne, ongedierte, enz.. naleeft". c. Op 23 april 1997 deelt de administratie voor Gezondheidszorg mee dat haar advies niet vereist is. d. Op 5 juni 1997 brengt de afdeling Ruimtelijke Ordening gunstig advies uit over de stedenbouwkundige aspecten van de vergunningsaanvraag. In dat advies wordt vermeld dat het betrokken landbouwbedrijf deels in een agrarisch gebied en deels in een woongebied met landelijk karakter gelegen is. e. Door de Provinciale Milieuvergunningscommissie wordt op 18 juni 1997 voorgesteld om de ingediende beroepen gegrond te verklaren, het beroepen besluit op te heffen en aan Jan VAN DEN BRANDE de gevraagde vergunning te weigeren. Aan dat voorstel gaan de volgende beschouwingen vooraf : "Waar heden beroepster onmiddellijk naast de bedrijfsgebouwen woont, wordt volgens de geplande verbouwingen of nieuwbouw deze grens bepaald op een afstand van 3 meter. Links en rechts van de woning bevindt zich koterij. Achter de woning bevindt zich een gebouw dat verschillende oude stallen omvat met jongvee. Deze gebouwen laten een zeer onverzorgde en vervallen indruk na en zouden verbouwd of herbouwd worden. VII-15.803-5/18 De loods, met stallen omvat eveneens enkele kleinere eenheden. Hoewel het gebouw vrij nieuw lijkt is de toestand hier al even onoverzichtelijk. Materiaal ligt her en der verspreid of gestouwd, overal bevindt zich rommel waarvan de bruikbaarheid ten zeerste in vraag kan worden gesteld. Enkel de nieuwe loopstal laat een iets ordelijker indruk na. Op het ogenblik van het plaatsbezoek door de AMV kon weinig of geen directe hinder (geur of lawaai) worden vastgesteld. Hierbij dient rekening gehouden met het feit dat nagenoeg geen dieren aanwezig waren. Het lijkt echter aannemelijk dat de overlast voor de aanpalende buur (beroepindiener) in de zomer heel wat erger is (bvb. vliegen of ander ongedierte). Lawaai en geurhinder zijn, voornamelijk bij aanwezigheid van de dieren niet uit te sluiten. Naar verluidt zou de nieuwe toestand overeenkomen met het houden van 110 runderen in het woongebied en 85 runderen in het agrarisch gebied. In bovengenoemde omstandigheden, de te geringe afstand tot bewoning en in een omgeving die nagenoeg alleen gebruikt wordt voor bewoning, lijkt het niet aangewezen om de exploitatie verder toe te laten in het woongebied voor wat betreft de rubrieken die betrekking hebben op dieren (stallen) en mestopslag". 1.7. Met een besluit van 26 juni 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant wordt het beroep dat de verzoekster heeft ingesteld tegen het besluit van 11 februari 1997 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel niet ingewilligd en wordt het beroepen besluit integraal bevestigd. Dit is het bestreden besluit. Het luidt als volgt : "(...) Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, zoals gewijzigd; Gelet op het besluit van 06 februari 1991 van de Vlaamse Executieve houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, zoals gewijzigd; Gelet op het besluit d.d. 1 juni 1995 van de Vlaamse Regering houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne; Gelet op het feit dat de beroepsschriften door de gemachtigde ambtenaar op 26.2. en 13.3.1997 werden ontvangen; Gelet op het feit dat op datum van 26.3.1997 de beroepen ontvankelijk werden verklaard; Gelet op het advies d.d. 17.4.1997 (beslissing C.B.S. opheffen; vergunning weigeren) van de Afdeling Milieuvergunningen (AMV) van de Administratie Milieu, Natuur, Land- en Waterbeheer van het Departement van Leefmilieu en Infrastructuur; Gelet op het stilzwijgend gunstige advies van de Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen (ASV) van de Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen van het Departement Leefmilieu en Infrastructuur; Gelet op het gunstige advies d.d. 23.4.1997 van de Afdeling Preventieve en Sociale Geneeskunde van de Administratie Gezondheidszorg van het Departement van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (APSG); VII-15.803-6/18 Gelet op het gunstige advies d.d. 11.4.1997 van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM); Gelet op het advies d.d. 18.6.1997 van de provinciale milieuvergunningscommissie (PMVC) luidende als volgt : 1) het beroep ingediend door Mw. G. Mertens, Linde 44 te 1840 Londerzeel, vertegenwoordigd door Mr. Martin Denys advocaat, Grote Hertstraat 12 te 1000 Brussel en Dhr. en Mw. De Keyser-Mertens, Linde 40 te 1840 Londerzeel tegen de beslissing d.d. 11 februari 1997 van het College van burgemeester en schepenen van en te Londerzeel houdende vergunning aan dhr. J. Van den Brande, Linde 46 te 1840 Londerzeel voor het veranderen van een veehouderij met name het verplaatsen van de runderen en het herschikken van de mestopslag gelegen op het voornoemde adres, in te willigen;
- b)de bestreden beslissing van het C.B.S. van Londerzeel d.d. 11/02/1997 op te heffen;
- c)aan de heer Jan Van den Brande, Linde 46 te 1840 Londerzeel vergunning te weigeren voor de verandering (omvorming) van de veehouderij omvattende : - lozen van huishoudelijk afvalwater in de riolering - het houden van 110 runderen in woongebied - het houden van 85 runderen in agrarisch gebied - het stallen van 5 tractors en 5 aanhangwagens - opslag mazout 5.500 l - opslag 80 m³ mest in woongebied - opslag 995 m³ mest in agrarisch gebied, gelegen op het bovengenoemde adres; Gestelde afspraken in het beroepsschrift : 1) Op planologisch-stedenbouwkundig vlak is de aanvraag strijdig met de bestemmingsvoorwaarden van het gewestplan, dat op de plaats van de nieuwe stal een woongebied voorziet. Dit behelst verder : - dat de nieuwe runderstal strijdig is met de kenmerken van wat dit concrete woongebied omhelst; - volgens de plannen de nieuwe stal zou uitgebaat worden op slechts 4 meter van de keuken en amper 2 meter van het tuinterras; - er een ernstige verstoring van het woongenot van beroepster is, temeer daar de exploitant nog over 30 ha landbouwgrond beschikt waarin hij zijn stal zou kunnen plaatsen. 2) De overheid is bevoegd en verplicht om bepaalde milieuvergunningen te weigeren indien blijkt dat de exploitatie van de inrichting van die aard is dat er overdreven hinder is voor de mens of het leefmilieu (zie bv. R.v.St. D' Hooghe, 17 nov. 1995). De concrete omstandigheden van het dossier vereisen dit hier. 3) De gemeentelijke overheid heeft nagelaten na te gaan of de aanvraag in overeenstemming is met de bepalingen van het gewijzigde meststoffendecreet en uitvoeringsbesluiten. Er is enkel een gunstig advies van de Vlaamse Landmaatschappij, niet in de beslissing opgenomen, noch hieraan gehecht. Evenmin wordt in de vergunning melding gemaakt van vroegere vergunningsbesluiten. In het bijzonder dienen de bepalingen van het zogenaamde Er wordt ook opgemerkt dat de betwiste stal, maar ook andere oude constructies zich in bouwvallige staat bevinden. Het milieuvergunningsdecreet bepaalt dat de vergunning vervalt indien de inrichting gedurende 2 opeenvolgende jaren niet geëxploiteerd werd. Volgens hetzelfde decreet kan de vergunning tevens gedeeltelijk vervallen, voor die delen van het bedrijf, die voor de gestelde termijn ongebruikt bleven, wat het geval is voor de oude VII-15.803-7/18 stallen naast de woning van beroepster. Dit moet men tevens kunnen afleiden uit de gegevens omtrent vroegere exploitatie- en aangiften bij de Mestbank, wat bovendien repercussies heeft naar wat begrepen moet worden onder De exploitant beoogt dus in feite deels vervallen vergunningen terug De vraag is verder of de exploitant voldoet aan de bepalingen van het mestdecreet voor wat de mestafzet betreft. 4) Het zou milieukundig meer verantwoord zijn indien alle runderen en de mestopslag in agrarisch gebied en niet in woongebied zouden worden geplaatst. De vroegere gebouwen, heden eigenlijk krotten werden zonder bouwvergunning opgetrokken. 5) Vroegere naast wonende eigenaars hebben om verschillende reden nagelaten klacht tegen de exploitant in te dienen. 6) De gemeente speelt en speelde in dit dossier een bedenkelijke rol. Wij kunnen hier toch niet het slachtoffer van zijn. 7) Vijf andere gezinnen (waarvan de namen en adressen worden vermeld) hebben ook klachten; Evaluatie van de aanspraken : 1) Volgens het gewestplan zijn woongebieden bestemd voor wonen en voor ambacht en kleinbedrijf alsook voor agrarische bedrijven op voorwaarde dat de bedrijven verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. Hierbij geldt de dubbele voorwaarde dat zij niet wegens de taken van bedrijf die zij uitvoeren, om redenen van goede ruimtelijke ordening, in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, dat zij m.a.w. bestaanbaar moeten zijn met de bestemming woongebied en dat zij verenigbaar moeten zijn met de onmiddellijke omgeving. Aangezien de huidige exploitatie nog vergund is tot 2011 en de aanvraag gaat over het afbreken en heropbouwen van stallen op dezelfde site en het verplaatsen van dieren, dient de planologische verenigbaarheid van de inrichting voorlopig niet opnieuw ter discussie gesteld te worden. 2) De overheid dient 3) Het College heeft wel degelijk de aanvraag getoetst op haar verenigbaarheid met het Mestdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten. Het advies van de VLM (bevoegd voor deze materie) werd ingewonnen. Dit advies was gunstig. Uit de beschikbare gegevens is niet op eenvoudige wijze af te leiden dat de Volgens de aangiften bij de Mestbank (zie ook gunstig advies van de VLM in de beroepsprocedure) zijn de bestaande milieuvergunningen nog voor 100 % geldig. Volgende vergunningen zijn gekend bij de Mestbank : - akte CBS d.d. 03/01/78 : 90 runderen en 10 varkens (tot 03/01/2008), - akte CBS d.d. 10/06/91: 45 runderen, 50 melkkoeien, 33 mestkalveren (tot 10/06/2011), - beslissing CBS d.d. 11/01/93 : uitbreiding tot 245 runderen, 1030 m3 mengmest, 63 m3 vaste mest (in feite terug te brengen tot 11/06/2011). Mestproductie en dieren werden in de voorbije jaren steeds correct aangegeven bij de Mestbank. 4) Dit is inderdaad het geval hoewel Vlarem II de uitbating van rundveestallen voor minder dan 200 dieren in woongebied niet verbiedt. 5) Tegen de laatste vergunning verleend door het College in 1993 werd geen beroep aangetekend. 6) Valt buiten het beoordelingskader van een milieuaanvraag. VII-15.803-8/18 7) Klachten kunnen bij proces-verbaal geregistreerd worden. Tegen een Vlaremvergunning kan beroep aangetekend worden; De beroepindiener werd gehoord door de Provinciale Milieuvergunningscom- missie : De aanspraken van het beroepschrift worden herhaald : 1) beroepindiener woont naast de aanvrager. 2) de aanvraag betreft een inkrimping van de veestapel en gaat gepaard met de verplaatsing naar woongebied. Dit is in strijd met het gewestplan. 3) De stallen komen op 3 tot 4 m van het terras van beroepindiener. 4) Er is nog plaats genoeg om de nieuwe stallen achteraan in het agrarisch gebied in te planten. 5) Beroeper heeft verzoek tot nietigverklaring ingediend bij de Raad van State tegen de bouwvergunning. 6) Er worden 2 stukken aan het dossier toegevoegd : - arrest van de Raad van State nr. 56.361 inzake D’Hooghe m.b.t. de apprecia- tiebevoegdheid van de vergunningverlenende overheid. - brief van de ombudsman van de Vlaamse Gemeenschap waarin gesteld wordt dat hoewel de uitbating planologisch verenigbaar is met de omgeving ( Evaluatie : 1), 3) Dit klopt. 2) Het gaat hier niet om een verplaatsing naar woongebied. Het woongebied betreft de eerste 50 m langs de staat daarachter begint het agrarisch gebied. Het bedrijf beschikt tot op heden nog over een vergunning voor het houden van runderen in woongebied en agrarisch gebied. De aanvraag betreft het herschikken van de runderen en vermindering van het aantal evenals de uitbreiding van mestopslagcapaciteit. De bouwvergunning werd verleend voor het afbreken en heropbouwen van een rundveestal. 4) Dit is niet het voorwerp van de aanvraag. 5) Bouw- en milieuvergunning worden verleend volgens afzonderlijke procedures. Enkel de uitvoerbaarheid van beide is gekoppeld in art. 56 van Vlarem I. 6) Het is inderdaad zo dat zelfs al is er geen enkele wettelijke bepaling die de uitbating verbiedt, de vergunningverlenende overheid de feitelijke toestand ter plaatse in rekening dient te brengen. De ombudsman van de Vlaamse Gemeenschap is niet bevoegd in het kader van de Vlaremprocedure; Overwegende dat de inrichting volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde- Asse (K.B. d.d. 07/03/1977) gedeeltelijk is gelegen in woongebied (eerste 50 m langs de straat) en gedeeltelijk in agrarisch gebied; dat de exploitatie in een matig bebouwde omgeving ligt; dat in een straal van 50m rond de bedrijfsge- bouwen zich een 10-tal vreemde woningen bevinden; dat de woning en de tuin van beroepster, Greta Mertens over een afstand van ca. 100 m rechtstreeks aan de bedrijfsgebouwen van de exploitant grenzen; Overwegende dat de aanvraag betrekking heeft op de verandering van een vergunde veehouderij waarvoor nog rechtsgeldige vergunningen beschikbaar zijn voor het houden van 245 runderen (vergunde mestproductie 5646 kg P205); dat het verplaatsen en verminderen van het aantal runderen tot 195 en het herschikken van de mestopslag zou resulteren in een vergunde mestproductie van 4558 kg P205; dat aangezien de verandering resulteert in een vermindering van de mestproductie, de aanvraag verenigbaar is met art. 13, 3/ van het Vergunningenbesluit; Overwegende dat op 15/03/1993 voor het aanslagjaar 1993 aangifte van de dieren werd gedaan bij de Mestbank; dat de inrichting volgens art. 2, 7/ van het Mestdecreet derhalve kan beschouwd worden als een bestaande veeteeltinrich- VII-15.803-9/18 ting; dat de inrichting zowel voor als na de verandering kan beschouwd worden als een gezinsveeteeltbedrijf aangezien de totale grondgebonden afzet meer dan 25% bedraagt (45, 9 ha grond in eigen gebruik waarop 7575 kg P205 kan afgezet worden terwijl er slechts 5646 kg P205 nodig is); dat de diersoorten en de mestafzet de voorbije 3 jaar correct werden aangegeven bij de Mestbank; Overwegende dat de aanvraag eveneens de afbouw met 18 m3 mengmest betreft, het buiten gebruik stellen van een gierkelder van 150 m³ en het uitbreiden van de opslagcapaciteit voor vaste mest tot 195 m³; dat de nieuwe ingestrooide lig- en loopstallen als potstallen functioneren zodat deze stallen kunnen beschouwd worden als opslagplaats voor dierlijke mest die niet afzonderlijk vergunningsplichtig is; dat op de inrichting dus na de verandering 1012 m3 mengmestopslag zal vergund zijn; dat deze opslagcapaciteit 9 maanden bedraagt hetgeen voldoende is om het uitrijverbod voorzien in Vlarem II (art. 5.9.23.1 en bijlage 5.9) te overbruggen; dat de gevraagde uitbating in haar geheel verenigbaar is met de bepalingen van het Mestdecreet en zijn uitvoe- ringsbesluiten; Overwegende dat waar heden beroepster onmiddellijk naast de bedrijfsge- bouwen woont, volgens de geplande verbouwingen of nieuwbouw deze grens wordt bepaald op een afstand van 3 meter; dat links en rechts van de woning zich koterij bevindt; dat achter de woning zich een gebouw bevindt dat verschillende oude stallen omvat met jongvee; dat deze gebouwen een zeer onverzorgde en vervallen indruk nalaten en zouden verbouwd of herbouwd worden; dat de loods, met stallen eveneens enkele kleinere eenheden omvat; dat hoewel het gebouw vrij nieuw lijkt de toestand hier al even onoverzichtelijk is; dat materiaal her en der verspreid of gestouwd ligt; dat overal rommel ligt waarvan de bruikbaarheid ten zeerste in vraag kan worden gesteld; dat enkel de nieuwe loopstal een iets ordelijker indruk nalaat; Overwegende dat op het ogenblik van het plaatsbezoek door de Afdeling Milieuvergunningen weinig of geen directe hinder (geur of lawaai) kon worden vastgesteld; dat hierbij rekening dient gehouden met het feit dat nagenoeg geen dieren aanwezig waren; dat het echter aannemelijk lijkt dat de overlast voor de aanpalende buur (beroepindiener) in de zomer heel wat erger is (bvb. vliegen of ander ongedierte); dat lawaai en geurhinder, voornamelijk bij aanwezigheid van de dieren niet zijn uit te sluiten; dat de nieuwe toestand zou overeenkomen met het houden van 110 runderen in het woongebied en 85 runderen in het agrarisch gebied; dat het aspect geurhinder echter dient gerelativeerd te worden gezien het runderen betreft en geen varkens of pluimvee; Overwegende dat de vergunning voor het veebedrijf geldig is tot 10.6.2011; dat door de verplaatsing van de dieren en de mest de hinder t.o.v. de buren wordt verminderd; dat een groter aantal dieren en een groter volume dierlijk mest in het agrarisch gebied zal worden opgeslagen; dat de nieuwe stallen op 3 meter van de perceelgrenzen worden opgetrokken en dat een groenscherm moet worden aangeplant; Overwegende dat de VLM en de APSG zich aansluiten bij het unanieme advies van de PMVC; dat de toestand na de verandering van het bedrijf echter minder hinder voor de mens en het milieu zal veroorzaken dan de exploitatie onder haar huidige vorm; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de bestreden beslissing van het C.B.S. van Londerzeel te bevestigen; BESLUIT: ARTIKEL 1 §1. Het beroep ingediend door Mw. G. Mertens., Linde 44 te 1840 Londerzeel, vertegenwoordigd door Mr. Martin Denys advocaat, Grote Hertstraat 12 te 1000 Brussel en Dhr. en Mw. De Keyser-Mertens, Linde 40 te 1840 Londerzeel tegen de beslissing d.d. 11 februari 1997 van het College van burgemeester en schepenen van en te Londerzeel houdende vergunning aan dhr. J. Van den VII-15.803-10/18 Brande, Linde 46 te 1840 Londerzeel voor het veranderen van een veehouderij met name het verplaatsen van de runderen en het herschikken van de mestop- slag gelegen op het bovengenoemde adres, wordt niet ingewilligd; §2. De bestreden beslissing van het C.B.S. van Londerzeel d.d. 11 februari 1997 wordt bevestigd". 1.8. De met de milieuvergunning overeenstemmende bouwvergunning, die werd verleend bij besluit van 9 september 1996 van het college van burgemees- ter en schepenen te Londerzeel, werd door de verzoekster aangevochten bij de Raad van State. Bij arrest nr. 69.683, van 19 november 1997, is de schorsing van de tenuitvoerlegging van het voormelde besluit bevolen. Aangezien het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel vervolgens op 1 december 1997 is overgegaan tot de intrekking van de aangevochten bouwvergunning, bestond er uiteindelijk geen grond meer om uitspraak te doen over het annulatieberoep (arrest nr. 79.370 van 22 maart 1999). Na de intrekking van het besluit van 9 september 1996 heeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel op 22 december 1997 aan Jan VAN DEN BRANDE opnieuw de bouwvergunning verleend voor de afbraak en het heropbouwen van een rundveestal. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid die de verzoekster bij de Raad van State heeft ingesteld tegen het voormelde besluit werd verworpen bij arrest nr. 71.001, van 21 januari 1998; 2. Ten gronde 2.1. Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen volgende argumenten doen gelden : 2.1.1. De verzoekster voert als tweede middel aan : "Tweede middel, genomen uit de schending van artikel 17 van het milieuvergunningsdecreet, uit de schending van de artikelen 50, 3/ en 30 § 1, 4/ en 5/ van het Vlarem I-besluit, en uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht der bestuurshandelingen. Doordat het bestreden besluit de milieuvergunning verleent voor een rundveestal, die zou ingeplant worden op korte afstand van de woning en eigendom van beroepster. En doordat de Bestendige Deputatie zich qua motivering van het besluit beperkt tot de overwegingen dat de verenigbaarheid van de inrichting met de bestemming volgens het gewestplan als woongebied van beroepster te garanderen, en dat Terwijl beroepster in een uitgebreid gemotiveerd beroepschrift omtrent elk van deze punten haar bezwaren had kenbaar gemaakt tegen het afleveren van de milieuvergunning. En terwijl de argumentatie van beroepster blijkens het bestreden besluit werd bijgetreden door de Afdeling Milieuvergunningen van AMINAL, de Vlaamse Landmaatschappij, de Administratie Gezondheidszorg en de Provinciale Milieuvergunningscommissie, deze laatste unaniem beslissend. En terwijl de nietszeggende en summiere motivering van het bestreden besluit niet opweegt tegen de vaststelling dat de adviserende instanties, waaronder niet in het minst de Provinciale Milieuvergunningscommissie, voorgesteld hebben het beroep van beroepster in te willigen en de milieuver- gunning te weigeren". 2.1.2. In de memorie van antwoord wijst de verwerende partij er op dat zij wel degelijk rekening heeft gehouden met de argumenten die de verzoekster in haar beroepschrift heeft doen gelden. Het bestreden besluit zou daarenboven gestoeld zijn op de verschillende tijdens de beroepsprocedure uitgebrachte adviezen, inzonderheid op het advies van 7 april 1997 van de Vlaamse Landmaatschappij die "met een uitvoerig gemotiveerd schriftelijk advies tot de conclusie kwam dat er een gunstig advies verleend moest worden voor de gevraagde verandering van exploitatie". 2.1.3. In haar memorie van wederantwoord repliceert de verzoekster als volgt : "In zijn poging tot weerlegging van dit middel stelt de Bestendige Deputatie van de Provincie Vlaams-Brabant dat in het bestreden besluit wél afdoende zou zijn geantwoord op de bezwaren van beroepster, en dat de negatieve adviezen van de adviesverlenende organen op afdoende wijze werd behandeld. In geen geval wordt echter in de bestreden vergunning op enige wijze ingegaan op de resem negatieve adviezen ter zake. Het unanieme ongunstige advies van de PMVC wordt van de hand gedaan met de nietszeggende zin dat veroorzaken dan de exploitatie onder haar huidige vorm', en dit blijkbaar op basis van de simpele vaststelling dat uit de beschikbare gegeven(
- s)niet op eenvoudige wijze zou af te leiden zijn dat de desbetreffende stal die aan de woning van beroepster paalt reeds meer dan twee jaar buiten gebruik zou zijn. De vaststelling dat iets niet In het verzoek tot tussenkomst wordt met betrekking tot het tweede middel geargumenteerd dat de verwerping van de argumenten van beroepster niet samenvalt met een motiveringsgebrek. Uiteraard is dit wel het geval als blijkt dat de vergunningverlenende overheid heeft geweigerd deze argumenten ter VII-15.803-12/18 dege te onderzoeken, nu zulk onderzoek niet eenvoudig genoeg zou zijn, en dan maar verkiest het middel af te wimpelen zonder verdere motivering". 2.1.4. De tussenkomende partij beklemtoont in haar memorie dat door het bestreden besluit vergunning wordt verleend voor een verandering van het bedrijf die voor de verzoekster enkel voordelen meebrengt in vergelijking met de voorheen bestaande toestand, doordat het aantal runderen wordt gereduceerd en een nieuwe stal wordt opgericht die verder van de perceelsgrens gelegen is. Met betrekking tot de in het middel aangevoerde grieven verwijst zij naar de motivering van het bestreden besluit waaruit zou blijken dat de aanspraken van de verzoekster werden geëvalueerd en beantwoord. 2.1.5. In haar laatste memorie betoogt de verwerende partij : "Vooreerst dient opgemerkt te worden dat het trouwens correct is dat in het beroepschrift van verzoekster voor de Bestendige Deputatie zij dezelfde argumentatie reeds had ingeroepen, argumentatie waarmee dan ook rekening gehouden werd (zie hoger), terwijl de bestreden beslissing uiteraard gestoeld is op de verschillende adviezen die haar werden overgemaakt, en in casu niet in het minst het uitvoerig advies van de Vlaamse Landmaatschappij dd. 07.04.1997 (zie advies 11.04.1997, bijlage 6, dossier PVMC), die met een uitvoerig gemotiveerd schriftelijk advies tot de conclusie kwam dat er een gunstig advies verleend moest worden voor de gevraagde verandering van exploitatie (eveneens beperkt tot de datum van de lopende vergunning, zijnde 10.06.2011). Het auditoraat is echter van oordeel dat deze verwijzing Het auditoraat gaat alzo echter wel voorbij aan de inhoud van dit verslag en gunstig advies dat, in een uiteenzetting van 8 bladzijden uitvoerig aantoont waarom er een sprekende toetsing aan de meststoffenreglementering ook de nadruk gelegd wordt op de afbouw van de uitbating (met 50 eenheden inheemse grote zoogdieren en met een vermindering van de capaciteit mengmest 18 m³) en enkel een verhoging van de opslag van vaste mest met 132 m³. Wat dit laatste aspect betreft (blijkt) ook uit de gegevens van het dossier (...) dat dit niets te maken heeft met de hinder waarover verzoekende partij zich beklaagt en integendeel reeds uit de oorspronkelijke aanvraag duidelijk blijkt dat de bestaande mestopslag in de bouwzone verplaatst zou worden naar de landbouwzone. Trouwens uit de gegevens van het dossier bleek eveneens dat de runderen die voorheen nog gestald werden in de bouwzone ook verplaatst werden, terwijl tenslotte de nieuwe stallen niet meer op de perceelgrens maar 3 meter verder geplaatst worden, met een groenscherm ertussen; Overwegende dat alzo de verwijzing naar dit gunstig advies en de gegevens van de zaak om tot de volgende conclusie te komen : 10.6.2011; dat door de verplaatsing van de dieren en de mest de hinder t.o.v. de buren wordt verminderd; dat een groter aantal dieren en een groter volume dierlijk mest in het agrarisch gebied zal worden opgesla- VII-15.803-13/18 gen; dat de nieuwe stallen op 3 meter van de perceelsgrens worden opgetrokken en dat een groenscherm wordt aangeplant wel degelijk relevant en pertinent is, en een afdoende motivering inhoudt; Dat ook de herhaling van dit standpunt van verwerende partij, bij de weerlegging van het ongunstig advies van de PMVC Overwegende dat alzo, zoals in het auditoraatsverslag correct naar de rechtsspraak van Uw Raad verwezen wordt (p. 18) echter wel degelijk voldaan is aan de motiveringsplicht, nu de bestuurde alzo inderdaad in de bestreden beslissing duidelijk de redenen doet kennen die haar verantwoorden en waaruit kan afgeleid worden bepaalde ... adviezen in andersluidende zin niet werden gevolgd'. Overwegende dat dit weliswaar summier, doch op afdoende wijze het geval is voor, en toepasselijk is op de bestreden beslissing"; 2.2. Bespreking Overwegende dat de desbetreffende argumenten als volgt worden beoordeeld : 2.2.1. Artikel 17, eerste lid, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning bepaalt dat de beslissing over de milieuvergunningsaanvraag met redenen omkleed is. Artikel 50, 3/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I) bepaalt dat de uitspraak van de bestendige deputatie over het beroep tegen een door het college van burgemeester en schepenen in eerste aanleg genomen beslissing over een ingediende milieuvergunningsaanvraag een "gemotiveerde beslissing" dient te omvatten over "de aanspraken of bezwaren die door de indiener(
- s)van het beroep werd(
- en)gesteld". Luidens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moeten alle bestuurshandelingen met individuele strekking uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Artikel 3 van diezelfde wet bepaalt dat de motivering de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat de motivering afdoende moet zijn. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht opgelegd door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de VII-15.803-14/18 bestuurshandelingen, is gelegen in de beschouwing dat de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf, de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, onder meer opdat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Om aan die verplichting tegemoet te komen, is evenwel niet vereist dat de beslissing een antwoord geeft op alle argumenten die de betrokken bestuurde in de voorafgaande procedure heeft aangevoerd. Het is noodzakelijk doch voldoende dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen die haar verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom bepaalde door de bestuurde verdedigde stellingen niet worden gevolgd of waarom de adviezen in andersluidende zin niet worden gevolgd. 2.2.2. Benevens de hoger geciteerde overwegingen waarin de tijdens de beroepsprocedure naar voor gebrachte aanspraken worden geëvalueerd, bevat het bestreden besluit de volgende motieven : "Overwegende dat waar heden beroepster onmiddellijk naast de bedrijfsgebouwen woont, volgens de geplande verbouwingen of nieuwbouw deze grens wordt bepaald op een afstand van 3 meter; (...); Overwegende dat op het ogenblik van het plaatsbezoek door de Afdeling Milieuvergunningen weinig of geen directe hinder (geur of lawaai) kon worden vastgesteld; dat hierbij rekening dient gehouden met het feit dat nagenoeg geen dieren aanwezig waren; dat het echter aannemelijk lijkt dat de overlast voor de aanpalende buur (beroepsindiener) in de zomer heel wat erger is (bvb. vliegen of ander ongedierte); dat lawaai en geurhinder, voornamelijk bij aanwezigheid van de dieren niet zijn uit te sluiten; dat de nieuwe toestand zou overeenkomen met het houden van 110 runderen in het woongebied en 85 runderen in het agrarisch gebied; dat het aspect geurhinder echter dient gerelativeerd te worden gezien het runderen betreft en geen varkens of pluimvee; Overwegende dat de vergunning voor het veebedrijf geldig is tot 10.6.2011; dat door de verplaatsing van de dieren en de mest de hinder t.o.v. de buren wordt verminderd; dat een groter aantal dieren en een groter volume dierlijk mest in het agrarisch gebied zal worden opgeslagen; dat de nieuwe stallen op 3 meter van de perceelgrenzen worden opgetrokken en dat een groenscherm moet worden aangeplant; Overwegende dat de VLM en de APSG zich aansluiten bij het unanieme advies van de PMVC; dat de toestand na de verandering van het bedrijf echter minder hinder voor de mens en het milieu zal veroorzaken dan de exploitatie onder haar huidige vorm". 2.2.3. Opdat een beslissing omtrent het verlenen van een milieuvergunning afdoende gemotiveerd zou zijn, is vereist dat uit de opgegeven motieven blijkt dat de vergunningverlenende overheid tot haar beslissing is gekomen op grond van een concrete evaluatie van de specifieke kenmerken van de inrichting en de gevolgen ervan op de onmiddellijke omgeving. Meer bepaald dient uit de motivering van het vergunningsbesluit afdoende te blijken dat de VII-15.803-15/18 vergunningverlenende overheid van oordeel is dat de te verwachten hinder van de inrichting tot een voor de omgeving aanvaardbaar niveau kan worden beperkt. Dit geldt ook wanneer vergunning wordt verleend voor de verandering van een bestaand, vergund bedrijf. Te dezen dient te worden vastgesteld dat het cruciale motief om de gevraagde vergunning te verlenen bestaat uit de overweging dat de "toestand na verandering van het bedrijf (...) minder hinder voor de mens en het leefmilieu zal veroorzaken dan de exploitatie onder haar huidige vorm". Daargelaten de vraag of de concrete omstandigheden van de zaak en de feitelijke gegevens van het aanvraagdossier zulke conclusie effectief kunnen wettigen, impliceert de loutere vaststelling dat de inrichting na verandering minder hinder zal veroorzaken nog niet dat die verminderde hinder ook beperkt blijft tot voor de omgeving aanvaardbare proporties. Het bestreden besluit bevat geen concrete elementen die de in algemene bewoordingen gestelde conclusie staven. Dit klemt des te meer nu in de adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en van de Provinciale Milieuvergunningscommissie, die beide ongunstig zijn, wordt gesteld dat de aan de exploitatie verbonden ongemakken (lawaai- en geurhinder en overlast door insecten en ongedierte) niet uit te sluiten zijn. Met de overweging in het bestreden besluit dat de geurhinder "gerelativeerd" dient te worden omdat de aanvraag handelt over het houden van runderen en niet van varkens of pluimvee, wordt evenmin voldoende aangetoond dat die hinder binnen aanvaardbare perken kan worden gehouden. Bovendien had de verzoekster in haar beroepschrift precies aangevoerd dat haar vrees voor overdreven hinder gestoeld was op de concrete omstandigheden, inzonderheid op de ligging van de inrichting vlak naast haar leefruimte. Het in de laatste memorie van de verwerende partij aangevoerde feit dat de Vlaamse Landmaatschappij op omstandige wijze een gunstig advies heeft uitgebracht is te dezen niet relevant, aangezien dat advies wordt geformuleerd vanuit het oogpunt van de verenigbaarheid van de aanvraag met de geldende meststoffenreglementering. Dat de aanleg van een groenscherm als verplichting aan de exploitant wordt opgelegd is evenmin relevant aangezien de realisatie ervan enkel van invloed kan zijn op de visuele hinder van de stal en in redelijkheid niet kan worden aangenomen dat een groenscherm tevens dienstig kan zijn om de ongemakken waarvan gewag wordt gemaakt in de ongunstige adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en van de Provinciale Milieuvergunningscommissie te bestrijden. VII-15.803-16/18 Het middel is in de aangegeven mate gegrond, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 26 juni 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij het beroep tegen het besluit van 11 februari 1997 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel houdende het verlenen aan Jan VAN DEN BRANDE van de vergunning voor het veranderen van een veehouderij, met name het verplaatsen van runderen en het herschikken van de mestopslag, te Londerzeel, Linde 46, wordt verworpen en het beroepen besluit bevestigd. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst in het administratief kort geding, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. De kosten van de tussenkomst in het annulatieberoep, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-15.803-17/18 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien september tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-15.803-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.824 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.71.941 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div