id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.882 Rolnummer: A. 165958/VII-34581 Zaak: Arrest 148882 - - 14/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-16 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 23:54 Fiche Arrest nr 148.882 van 14 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 148.882 van 14 september 2005 in de zaak A. 165.958/VII-34.581 In zake : XXX, alias XXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, alias XXX, van Ghanese nationaliteit, op 13 september 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 13 september 2005 houdende de weigering tot in overwegingname van een vluchtelingenverklaring; Gelet op de beschikking van 14 september 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 14 september 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 14 september 2005, om 14.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. CALLEWAERT, die, loco advocaat R. JESPERS, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; VII-34.581-1/4 Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 25 december 1991 en verklaarde zich dezelfde dag vluchteling. Op 13 september 2005 verklaarde zij zich voor een tweede maal vluchteling. 1.
- Op 13 september 2005 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing houdende de weigering tot in overwegingname van een vluchtelingenverklaring, met bevel om het grondgebied van het rijk te verlaten. "Overwegende dat de betrokkene op 25/12/1991 een eerste asielanvraag indiende, die op 23/08/1994 met een weigering tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling door het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen werd afgesloten; Overwegende dat de betrokkene op 13/09/2005 een tweede asielaanvraag indiende in het Centrum voor illegalen te Merksplas; Overwegende dat een tweede asielaanvraag pas in overweging kan worden genomen als aan twee voorwaarden wordt voldaan. Ten eerste dient de betrokkene nieuwe gegevens aan te brengen: gegevens, die betrekking hebben op feiten of situaties, die zich hebben voorgedaan na de laatste fase van de vorige asielprocedure, waarin de betrokkene die had kunnen aanbrengen; ten tweede moeten die nieuwe gegevens ernstige aanwijzingen van een gegronde vrees voor vervolging, zoals omschreven door de Conventie van Genève, bevatten; Overwegende dat de betrokkene bij zijn tweede asielaanvraag een andere identiteit en nationaliteit dan degene onder dewelke hij in 1991 asiel vroeg opgaf; Overwegende dat de betrokkene deze identiteit en nationaliteit, waarvan hij verklaart dat het zijn werkelijke identiteit en nationaliteit zijn, had moeten vermelden tijdens de verhoren in het kader van zijn eerste asielaanvraag; Overwegende dat niets de betrokkene verhinderde deze informatie tijdens de verhoren in het kader van zijn eerste asielaanvraag aan te brengen en dat het doordacht vasthouden door de betrokkene aan een valse identiteit gedurende een volledige asielprocedure het opzettelijk misleiden van de asielinstanties impliceert; Overwegende dat de door de betrokkene aangebrachte elementen -nieuwe identiteit en nationaliteit- niet kunnen worden beschouwd als nieuwe elementen vermits de betrokkene ze had kunnen en moeten aanbrengen tijdens de vorige asielprocedure; De bovenvermelde verklaring wordt niet in overweging genomen. In uitvoering van artikel 71/5 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 19 mei 1993 en 11 december 1996 wordt genoemde het bevel gegeven het grondgebied te verlaten. Betrokkene was reeds opgesloten vooraleer hij/zij het statuut van vluchteling aanvroeg.". Dit is de bestreden beslissing. VII-34.581-2/4
- Overwegende dat artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet bepaalt: “De Minister of diens gemachtigde kan beslissen de verklaring niet in aanmerking te nemen wanneer de vreemdeling voorheen reeds dezelfde verklaring heeft afgelegd bij een in het eerste lid bedoelde overheid en hij geen nieuwe gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli
- De nieuwe gegevens moeten betrekking hebben op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen. Een beslissing om de verklaring niet in aanmerking te nemen is alleen vatbaar voor een beroep bij de Raad van State. er kan geen vordering tot schorsing tegen deze beslissing worden ingesteld”; Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van de artikelen 51/8 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de verzoekende partij in wezen stelt dat de verwerende partij ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen nieuwe elementen werden aangebracht en dat niet werd geantwoord op alle gegevens die zij bij haar tweede asielverklaring heeft aangebracht en die niet werden weergegeven in het verhoorverslag; Overwegende dat de “nieuwe gegevens” waarvan sprake in deze bepaling betrekking moeten hebben op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen; dat verzoeker het feit dat hij bij zijn vorige asielaanvraag een valse naam heeft gebruikt en valse verklaringen heeft afgelegd enkel aan zichzelf te wijten heeft; dat zoals in de bestreden beslissing wordt opgemerkt, verzoeker naar aanleiding van zijn voorgaande asielprocedure voldoende kansen heeft gekregen om waarheidsgetrouwe verklaringen af te leggen; dat verzoeker geen reden aanbrengt waarom hij verhinderd werd dit te doen; dat verzoeker niet aantoont dat hij voor de Dienst Vreemdelingenzaken gegevens heeft aangebracht die betrekking hebben op feiten die zich hebben voorgedaan nadat zijn vorige asielprocedure werd afgehandeld; dat verzoeker beweert dat hij omwille van gewelddaden vanwege de autoriteiten bij zijn aankomst in België onder een valse naam asiel heeft aangevraagd; dat dit argument niet kan worden aangenomen; dat immers kan worden verwacht van iemand die de bescherming van de Belgische autoriteiten inroept, dat deze meewerkt aan het onderzoek van de asielaanvraag en dat deze alle gegevens overmaakt teneinde die bescherming te bekomen; dat het enig middel niet ernstig is; dat bijgevolg niet wordt aangetoond dat verzoeker nieuwe gegevens heeft aangebracht in de zin van het arrest nr. 61/94 van 14 juli 1994 van het Arbitragehof, zodat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging, op grond van artikel 51/8, tweede lid van de Vreemdelingenwet niet ontvankelijk is; VII-34.581-3/4
- Overwegende dat deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien september tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-34.581-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.882 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div