← België

Arrest 149014 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 19/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.014 Rolnummer: A. 160879/IX-4833 Zaak: Arrest 149014 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 19/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-30 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-03 00:06 Fiche Arrest nr 149.014 van 19 september 2005 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Verwerping voorlopige maatregelen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.014 van 19 september 2005 in de zaak A. 160.879/IX-

  1. In zake : Sandra DE BRAUWER, wonende te SINT-AMANDSBERG, Oscar Colbrandtstraat 54 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
  2. de minister van Financiën,
  3. de minister van Ambtenarenzaken, die woonplaats kiest bij advocaat E. JACUBOWITZ, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Sandra DE BRAUWER op 16 maart 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van :
  5. “het besluit van een onbekend orgaan - waarschijnlijk de heer Yves RYM - genomen op een onbekende datum - waarschijnlijk 26 juni 2003 - waarbij beslist wordt (haar) stage (...) te verlengen”;
  6. het besluit van 3 december 2003 van de interdepartementale stagecommissie tot verlenging van haar state met vier maanden met ingang van 3 december 2003;
  7. het advies van 9 juni 2004 van de interdepartementale stagecommissie om haar als stagedoend inspecteur bij een fiscaal bestuur af te danken;
  8. het besluit van 26 januari 2005 van de minister van Ambtenarenzaken waarbij zij wordt afgedankt als stagiaire met een opzegging van 3 maanden;
  9. de uit de vier voorgaande beslissingen blijkende impliciete weigering om verzoekster met ingang van 3 juli 2003 vast te benoemen als inspecteur bij een fiscaal bestuur bij de FOD Financiën; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota’s van de verwerende partij; IX-4833-1/12 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 31 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. PEETERS, die verschijnt voor de verzoekende partij, van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij, en van advocaat E. JACUBOWITZ, die verschijnt voor de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  10. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  11. Verzoekster wordt op 1 maart 2002 tot stagiair benoemd en aangewezen voor een betrekking van inspecteur bij een fiscaal bestuur bij het ministerie van Financiën. 1.
  12. Tijdens de stage worden trimestrieel stageverslagen opgemaakt. Vanaf het tweede verslag wordt er als negatief punt vermeld dat zij te diep op de zaken ingaat, hoofdzaak en bijzaak niet goed van elkaar kan onderscheiden en dat dit op haar productiviteit weegt. In het verslag over haar vierde trimester wordt gesteld dat zij haar werk tot een goed einde brengt, behulpzaam is tegenover het publiek, vlot in de IX-4833-2/12 omgang met de collega*s en graag precies wil weten hoe en waarom bepaalde werkzaamheden dienen te gebeuren, maar dat zij moeite heeft om hoofdzaak van bijzaak te onderscheiden en soms een verwarde indruk geeft. De belangrijkste negatieve commentaar betreft evenwel haar eindverhandeling die als titel draagt “Vruchtgebruiksconstructie”. Daarover wordt gezegd dat zij de termijn voor het indienen niet heeft gerespecteerd. Er wordt ook vastgesteld dat het werk inhoudelijk niet voldoet en dat de mondelinge voorstelling van haar werk evenmin voldeed. Uit de kritiek blijkt, onder meer, dat het werk te veel aandacht schenkt aan de burgerrechtelijke kant van het vruchtgebruik en te weinig aan het gevraagde fiscaalrechtelijke aspect. Deze beoordeling is gesteund op het verslag dat de eerste stagemeester op 6 juni 2003 over het eindwerk opstelde. De conclusie van het trimestrieel stageverslag is dan ook dat de stage zou moeten verlengd worden. 1.
  13. Omdat verzoekster aldus niet heeft voldaan aan de verplichting om binnen de termijn een aan de gestelde vereisten beantwoordende eindverhandeling in te dienen legt de directeur-generaal van het Opleidingsinstituut van de Federale Overheid (hierna : OFO) de zaak aan de interdepartementale stagecommissie voor, zoals voorgeschreven door artikel 32, § 1, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel. Te dien einde maakt hij een verslag op. In dat verslag stelt hij voor de stage van verzoekster te verlengen om haar de gelegenheid te geven haar eindverhandeling grondig te herwerken. 1.
  14. Op 3 december 2003 overweegt de interdepartementale stagecommissie na verzoekster te hebben gehoord dat er geen fundamentele negatieve opmerkingen zijn over haar wijze van dienen, dat zij haar tests met positief gevolg heeft afgelegd maar dat zij er niet in geslaagd is tijdig een goede eindverhan- deling af te leveren. IX-4833-3/12 Zij beslist haar stage met vier maanden te verlengen met ingang van 3 december 2003 om haar nog een kans te geven om aan die laatste benoemings- voorwaarde te voldoen. Deze beslissing wordt haar op 11 december 2003 betekend bij aangetekend schrijven. Dit schrijven bevat de vermeldingen voorgeschreven bij artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dit is de tweede bestreden akte. 1.
  15. Verzoekster maakt dan een nieuwe versie van haar eindver- handeling. Met een schrijven van 11 december 2003, door verzoekster naar eigen zeggen pas op 6 januari 2004 ontvangen, wordt haar meegedeeld dat voortaan een andere promotor zal optreden en wordt haar een kalender gegeven voor het indienen van haar eindverhandeling : - indienen bij de promotor voor 12 februari 2004 - indienen bij de Nationale School voor Fiscaliteit (hierna: NSF) voor 12 maart
  16. 1.
  17. Op 22 januari 2004 overhandigt zij aan haar promotor een voorlopige onafgewerkte versie van haar eindwerk. Zij krijgt van hem enige documentatie, onder andere krantenartikels en circulaires, betreffende haar onderwerp. 1.
  18. Op 9 februari 2004 wordt zij door haar promotor uitgenodigd voor een onderhoud op 10 februari
  19. Hij zou haar telefonisch enkele aan- merkingen op haar werk hebben gegeven. Diezelfde dag maakt hij een nota op over verzoekers eind- verhandeling waarin hij naast opmerkingen over de vorm ook fundamentele kritiek geeft op de inhoud van het werk. Verzoekster ontvangt deze nota op 10 februari
  20. 1.
  21. Op 23 februari 2004 maakt verzoekster een derde versie van haar eindwerk over aan haar promotor. Op 9 maart 2004 maakt de promotor een eindbeoordeling over het eindwerk van verzoekster. IX-4833-4/12 Hij besluit, na een uitvoerige commentaar, als volgt : “- Niettegenstaande betrokkene een grote kennis heeft over alle burgerrechtelijke aspecten van de rechtsfiguur ‘vruchtmisbruik’ (lees vrucht- gebruik) slaagt zij er toch niet in deze rechtsfiguur in een fiscale context te duiden m.a.w. kan zij door haar starre houding geen werk schrijven over vruchtgebruikconstructie bekeken vanuit een fiscale invalshoek. - Verder slaagt Mevr. S. DE BRAUWER er evenmin in om op een gestructureerde en ordentelijke wijze haar mening, die ze zeker heeft, weer te geven. Haar werk geeft duidelijk blijk van het feit dat zij niet in staat is de problematiek van een vruchtgebruikconstructie te analyseren naar haar essentie, noch weet hoe de verschillende elementen in een leesbaar geheel dienen samengevoegd te worden”. Hij stuurt ook haar werk samen met zijn commentaar naar de NSF door. Verzoekster stuurt op 11 maart 2004 eveneens twee exemplaren van haar eindwerk, samen met een samenvatting op naar de NSF. 1.
  22. Haar dossier wordt dan voorgelegd aan de directeur Personeel en Organisatie van de FOD Financiën die over de eindbeoordeling over verzoeksters stage (laatste periodieke beoordeling en een voorstel tot benoeming hetzij tot het samenroepen van de interdepartementale stagecommissie) moet beslissen. Blijkbaar wordt er beslist om voor te stellen verzoekster af te danken want de directeur-generaal van het OFO maakt een eindverslag op waarin hij, op grond van een volledig overzicht van het verloop van verzoeksters stage, op grond van de evaluatieverslagen die daarover werden opgemaakt en op grond van een als onvoldoende beoordeelde eindverhandeling besluit dat verzoeksters stage over het geheel niet gunstig is verlopen en dat zij niet beantwoordt aan de aan de functie verbonden vereisten. Hij stelt dan ook voor om het dossier voor te leggen aan de interdepartementale stagecommissie met het oog op verzoeksters afdanking. 1.
  23. Op 9 juni 2004 stelt de interdepartementale stagecommissie, na verzoekster te hebben gehoord, met vijf stemmen tegen één voor om haar als stagiair af te danken omdat zij, zelfs na een verlenging van de stage en het verschaffen van duidelijke instructies, niet voldoet aan de vereiste, opgelegd door artikel 31, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijks- personeel, namelijk het ter hand stellen van een eindverhandeling volgens de vastgestelde regels en termijnen. IX-4833-5/12 Dit is de derde door verzoekster bestreden akte. 1.
  24. Op 5 augustus 2004 laat de minister van Ambtenarenzaken aan de minister van Financiën weten dat hij zich aansluit bij het voorstel om verzoekster te ontslaan maar dat hij haar maar effectief kan ontslaan indien ook de minister van Financiën akkoord gaat. Op 14 december 2004 laat deze laatste weten dat hij eveneens akkoord gaat met het ontslag. Bij ministerieel besluit van 26 januari 2005 wordt verzoekster dan door de minister van Ambtenarenzaken afgedankt met een opzegging van drie maanden. Dit is het vierde bestreden besluit;
  25. Over de ontvankelijkheid van de vordering. 2.
  26. Overwegende dat de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij in zijn nota met opmerkingen opwerpt dat er onvoldoende samenhang bestaat tussen de verscheidene bestreden akten opdat ze op ontvankelijke wijze met één enkel verzoekschrift zouden kunnen worden aangevochten; dat hij uiteenzet dat alhoewel verzoekster vijf afzonderlijke “beslissingen” aanduidt er in feite maar drie zijn, met name de beslissing van 3 december 2003 om verzoeksters stage te verlengen met vier maanden, de beslissing van 26 januari 2005 om verzoekster af te danken en de impliciete weigering om haar vast te benoemen; dat alhoewel die drie beslissingen zich in de tijd opvolgen, de eerste en de tweede niet als samenhangend kunnen worden beschouwd omdat zij een verschillend voorwerp hebben: de eerste beslissing verlengt de stage met als doel verzoekster nog een kans te geven aan de benoemingsvoorwaarden te voldoen terwijl de tweede er toe strekt haar af te danken omdat ze niet aan de benoemingsvoorwaarden voldoet; dat die eerste beslissing griefhoudend is en aanvechtbaar voor de Raad van State; dat verzoekster er evenwel geen beroep tegen ingediend heeft en dat die beslissing bijgevolg definitief is geworden; dat gelet op hun verschillend doel, hun verschillend voorwerp, het feit dat ze verschillende grieven teweegbrengen en hun afzonderlijke betekening met vermelding van de beroepsmogelijkheid, de beslissingen van 3 december 2003 en 26 januari 2005 elkaar wel opvolgen in de tijd maar niet samenhangen; dat bijgevolg het verzoekschrift alleen in acht wordt genomen voor wat de eerste door de verzoekende partij aangegeven beslissing betreft die evenwel IX-4833-6/12 reeds definitief is geworden; dat ook de laatst vermelde beslissing, met name de impliciete weigering om verzoekster vast te benoemen geen aanvechtbare handeling is bij gebrek aan enige verplichting voor de verwerende partij om tot een dergelijke benoeming over te gaan; dat volgens de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij de vordering dan ook in zijn geheel onontvankelijk is; 2.
  27. Overwegende dat de door verzoekster aangeduide eerste en tweede beslissing, zijnde “het besluit van een onbekend orgaan - waarschijnlijk de heer Yves RYM - genomen op een onbekende datum - waarschijnlijk 26 juni 2003 - waarbij beslist wordt (haar) stage (...) te verlengen” en het besluit van 3 december 2003 van de interdepartementale stagecommissie tot verlenging van haar stage met vier maanden met ingang van 3 december 2003, in feite eenzelfde beslissing is; dat het voornoemde besluit van de interdepartementale stagecommissie van 3 december 2003 aan verzoekster is betekend op 11 december 2003 met de vermeldingen van artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat in de hypothese dat dit besluit een voor vernietiging vatbare akte is, moet worden vastgesteld dat het beroep hiertegen laattijdig is ingediend; dat in het geval dat er geen samenhang bestaat tussen verscheidene bestreden beslissingen, een annulatieberoep en derhalve ook een vordering tot schorsing slechts ontvankelijk is voor zover het strekt tot de vernietiging van de door de verzoeker als de belangrijkste beschouwde rechts- handeling of, als dat niet uit te maken valt, van die van de als eerste in het verzoek- schrift vermelde handeling; dat in deze op het eerste gezicht geen samenhang kan worden ontwaard tussen de beslissing om verzoeksters stage te verlengen en de beslissing om verzoekster af te danken; dat immers een beslissing om een stage te verlengen niet een voorbode is van een afdanking; dat, integendeel, dergelijke beslissing precies tot doel heeft alle kansen van de kandidaat voor een latere vaste benoeming gaaf te houden; dat uit de bespreking van haar nadeel evenwel, als belangrijkste voorwerp van haar vordering, verzoekster het heeft over het besluit van de minister van Ambtenarenzaken van 26 januari 2005 waarbij zij wordt afgedankt als stagiaire met een opzegging van 3 maanden; dat ten slotte ook moet worden vastgesteld dat er geen impliciete weigering voorhanden is om verzoekster te benoemen aangezien het ministerieel besluit van 26 januari 2005 op een expliciete wijze weigert haar te benoemen; 2.
  28. Overwegende, geresumeerd, dat verzoeksters vordering alleen ontvankelijk is in zoverre gericht tegen het besluit van de minister van Ambtenaren- zaken van 26 januari 2005 waarbij zij wordt afgedankt als stagiaire met een IX-4833-7/12 opzegging van 3 maanden, waarbij ook moeten betrokken worden alle daarop voorbereidende beslissingen;
  29. Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
  30. Overwegende dat, wat de tweede voorwaarde betreft, verzoekster, onder verwijzing naar ‘s Raads rechtspraak met betrekking tot de afzetting of het ontslag van vastbenoemde ambtenaren, aanvoert dat een beslissing die de betrokkene definitief de mogelijkheid ontzegt om zijn activiteit als ambtenaar verder te zetten, dermate negatieve financiële implicaties heeft en zijn reputatie dermate schaadt, met als gevolg een mogelijke weerslag op zijn andere werkzaamheden, dat zij uiteindelijk een grote weerslag heeft op haar levensstandaard; dat het bij een dergelijke maatregel aan de verwerende partij toekomt te bewijzen dat zij geen ernstig en moeilijk te herstellen nadeel ondergaat; dat zij haar financiële verplichtingen niet meer zal kunnen voldoen indien zij op de werkloosheidsvergoeding is aangewezen, ten bewijze waarvan zij een inkomsten-uitgavenstaat bijvoegt van de maanden juni/juli 2004; dat ook haar tewerkstellingskansen intussen, zo al niet in het algemeen dan toch minstens op korte termijn, verminderd zijn; dat zij ten slotte ook een ernstig en moeilijk te herstellen moreel nadeel ondergaat omdat haar ontslag aangetast is door grove onregelmatigheden en als zwaar onwettig moet worden beschouwd en dat zij daarbij door haar ontslag gebrandmerkt is als een persoon die ondanks zijn universitaire opleiding niet geschikt is om vast benoemd te worden in een functie op het universitaire niveau bij de federale overheid; 3.
  31. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de gelijkstelling in verband met het nadeel die verzoekster maakt tussen de situatie van een afzetting of ontslag van een vastbenoemde ambtenaar met haar eigen situatie niet evident is en door de Raad van State zelfs reeds uitdrukkelijk werd afgewezen; dat er bijgevolg geen sprake is van een evident nadeel en dat verzoekster bijgevolg wel degelijk precies becijferde gegevens dient voor te leggen die haar moeilijk te IX-4833-8/12 herstellen en ernstig nadeel aantonen; dat verzoekster evenwel in gebreke blijft om dit te doen en dat de redenering die zij ontwikkelt grotendeels speculatief is; dat het door haar voorgebrachte bewijsstuk niet toelaat uit te maken of zij in de toekomst daadwerkelijk al dan niet in haar elementaire levensbehoeften zal kunnen voorzien; dat zij immers naast haar werkloosheidsvergoeding nog zou kunnen genieten van de kinderbijslag en de alimentatiegelden voor haar twee kinderen en een beroep kan doen op de spaargelden die zij in het verleden heeft opgebouwd; dat uit de aange- geven uitgaven niet kan worden opgemaakt of het om noodzakelijke en weerkerende uitgaven gaat en er ook geen berekening gemaakt wordt van de absoluut nood- zakelijke uitgaven; dat, wat het nadeel betreft dat wordt gesitueerd in de ernst van de middelen, geen van de aangevoerde middelen ernstig is en dat verzoekster de ernst van het aangevoerde nadeel zelf reeds relativeert door vijfenveertig dagen te wachten alvorens haar verzoekschrift in te dienen en op die wijze de helft van de opzeggings- periode waarvoor zij nog van een vergoeding geniet laat voorbijgaan, terwijl ze anderzijds beweert dat eens deze vergoeding weggevallen is, zij een enorm financieel nadeel zal ondergaan met repercussies op haar levensstandaard; dat, met betrekking tot het aangevoerde moreel nadeel, de verwerende partij er aan herinnert dat een moreel nadeel in de regel wordt hersteld door de eventuele vernietiging en dat ook hier, naar analogie met de situatie bij het mislopen van een benoeming of een bevordering, het niet geschikt bevonden worden na het hebben doorlopen van een stageperiode, inherent is aan een benoemingsprocedure; dat, in tegenstelling tot wat verzoekster voorhoudt, zij nog steeds kan worden benoemd voor elke andere functie in de overheidsdienst alsook in de privé-sector zodat haar zeker niet de mogelijkheid wordt ontzegd om een ander beroep uit te oefenen en haar kansen op tewerkstelling intact blijven; 3.
  32. Overwegende dat in de regel in het geval van een afzetting van een ambtenaar bij tuchtrechtelijke maatregel het ernstig en moeilijk te herstellen nadeel als een vanzelfsprekendheid kan worden geacht; dat dit eveneens het geval zou kunnen zijn bij het niet-tuchtrechtelijk ontslag van een vast benoemd ambtenaar; dat te dezen verzoekster zich in geen van die beide gevallen bevindt: zij is niet tuchtrechtelijk ontslagen, maar ontslagen als stagedoend ambtenaar omdat zij “zelfs na een verlenging van de stage en het verschaffen van duidelijke instructies, niet voldoet aan de vereiste opgelegd door artikel 31 § 2 van het K.B. van 02 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, nl. het ter hand stellen van een eindverhandeling volgens vastgestelde regels en termijnen”; dat zij ook niet vast benoemd was en bijgevolg niet verkeerde in de positie van iemand die na zijn vaste IX-4833-9/12 benoeming geschikt was bevonden, dat plots niet langer wordt; dat zij derhalve iemand was die door haar stage haar geschiktheid nog moest aantonen en daar niet in geslaagd is; dat de evaluatie die aan de basis ligt van haar ontslag na de stageperio- de, die een proeftijd is, verzoekster niet in zulk een kwalijk daglicht stelt dat zij, alsof zij een tuchtrechtelijk afgezet ambtenaar was, kan gewagen van schade aan haar reputatie ten aanzien van potentiële werkgevers in andere sectoren van de administra- tie of in de privé-sector; dat, als verzoekster niet aan de vereisten gesteld door de verwerende partij beantwoordt, zulks nog niet betekent dat zij in een andere administratie of in de privé-sector door de bestreden beslissing om die reden zal worden geweerd; dat immers het risico van een ongunstige afloop na een stage- periode inherent is aan een proeftijd en dat ontzegd worden voor een welbepaalde betrekking zich niet als een beletsel aandient om in de toekomst, weliswaar geen identieke, maar dan toch een gelijkwaardige beroepsactiviteit uit te oefenen; dat voorts de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing niet inhoudt dat aan het ontslag van verzoekster een dergelijke ruime ruchtbaarheid wordt gegeven, dat haar tewerkstellingskansen in de administratie en in de privé-sector er door in het gedrang zouden komen; dat indien verzoekster haar ontslag als een “morele kaakslag” ervaart, zij impliciet er van uitgaat dat zij bekwaam was om het geambieerde ambt uit te oefenen; dat zij er bijgevolg ten onrechte geen rekening mee houdt dat precies de stage moet uitmaken of zij hiertoe wel over de nodige capaciteiten beschikt; dat zij ook een universitaire opleiding lijkt gelijk te stellen met geschiktheid om vast benoemd te worden in een functie van universitair niveau bij de federale overheid; dat het echter de stage is die moet aantonen of de universitair opgeleide over de nodige capaciteiten beschikt om de welbepaalde functie uit te oefenen; dat voorts de gegevens die verzoekster aanbrengt om aan te tonen dat zij financiële moeilijkheden zal hebben, wel aantonen hoe de situatie is voor twee maanden waarvan niet zeker is dat ze representatief zijn voor een heel jaar, maar dat zij geen enkele aanduiding geven over haar financiële draagkracht met een vervanginkomen waarop zij onmiddellijk een beroep zal kunnen doen; dat een stageperiode uit zichzelf een precaire toestand is en dat het inkomen eraan verbonden niet als vaststaand kan worden beschouwd zodat verzoekster ook kon en moest incalculeren dat de levensstandaard die zij daardoor verwierf eveneens precair was; dat ernstige middelen en een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel twee afzonderlijke voorwaarden zijn en dat het niet mogelijk is de ene voorwaarde vervuld te achten omdat de andere vervuld is; dat immers een verzoeker die het nadeel vervuld acht wegens de ernst van zijn aangevoerde middelen, de twee voorwaarden verwart en dat het ernstig karakter van de middelen in de regel niet betrokken mag worden bij de beoordeling van het IX-4833-10/12 bestaan van het moeilijk te herstellen en ernstig nadeel; dat derhalve niet is aangetoond dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor verzoekster een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat aldus niet is voldaan aan een van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat die vaststelling volstaat om verzoeksters vordering af te wijzen; Overwegende dat verzoekster bij afzonderlijk verzoekschrift eveneens voorlopige maatregelen vraagt; dat zij die als volgt formuleert : 1/ dat de daartoe bevoegde overheid schriftelijk een nieuwe promotor zou aanduiden binnen een termijn van 30 dagen na de betekening van het arrest aan de verwerende partij en die schriftelijke aanduiding zou betekenen aan die promotor en aan verzoekster hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot of bij ter post aangetekend schrijven, hetzij aan die promotor en aan verzoekster de schriftelijke aanduiding zou overhandigen tegen ontvangstbewijs; 2/ dat de promotor binnen een termijn van 30 dagen volgend op de aan hem of haar gedane betekening of overhandiging van de schriftelijke aanduiding verzoekster in kennis zou stellen van duidelijke, op schrift gestelde instructies over de wijze waarop zij het eindwerk dient op te vatten, hetzij bij gerechtsdeurwaarders- exploot, hetzij bij ter post aangetekend schrijven, hetzij door afgifte van een geschrift tegen ontvangstbewijs; 3/ dat de leden van de interdepartementale stagecommissie zoals nominatief aangeduid in het ministerieel besluit van 3 november 2003 of aangewezen krachtens datzelfde ministerieel besluit het verbod wordt opgelegd enige beslissing tot verlenging van de stage van verzoekster te treffen of enig nieuw voorstel tot afdanking van verzoekster te formuleren, zolang de door de Raad van State met kracht van gewijsde vastgestelde onwettigheden die verband houden met de samenstelling van de interdepartementale stagecommissie blijven bestaan op verbeurte van een dwangsom van 10.000 Euro voor elk individueel lid van die commissie per overtreding van dat verbod; Overwegende dat geen voorlopige maatregelen kunnen worden opgelegd indien niet voldaan is aan de voorwaarden om een schorsing van tenuitvoerlegging te bevelen; dat dit te dezen het geval is, IX-4833-11/12 BESLUIT: Artikel
  33. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  34. De vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen wordt verworpen. Artikel
  35. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien september 2000 en vijf, door : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-4833-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.014 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.445 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.