← België

Arrest 149026 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 19/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.026 Rolnummer: A. 161368/IX-4840 Zaak: Arrest 149026 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 19/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-04 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 00:11 Fiche Arrest nr 149.026 van 19 september 2005 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.026 van 19 september 2005 in de zaak A. 161.368/IX-

  1. In zake : Martine ROOS, die woonplaats kiest bij advocaat E. FLAMEE, kantoor houdende te SINT-LIEVENS-HOUTEM, Eiland 27 tegen :
  2. de Openbare Vereniging Ronse (OVERO),
  3. de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, die woonplaats kiest bij advocaat T. DE SUTTER, kantoor houdende te GENT, Koning Albertlaan 128,
  4. de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Martine ROOS op 31 maart 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van : “- het besluit van 6 juli 2004 van de raad van beheer van de Openbare Vereniging Ronse (hierna “OVERO” genoemd), waarbij zij bij tuchtmaatregel met ingang van 1 juli 2004 van ambtswege wordt ontslagen, goedgekeurd bij besluit van 12 augustus 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost- Vlaanderen; - het besluit van 3 februari 2005 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, waarbij haar beroep tegen het voormelde goedkeuringsbesluit van de bestendige deputatie ontvankelijk, maar niet gegrond wordt verklaard”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde besluiten; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; IX-4840-1/16 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. THYS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 12 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 september 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. SALLET, die loco advocaat E. FLAMEE verschijnt voor verzoekster, van advocaat K. HERMAN, die loco advocaten H. RIEDER en J. VERDONCK verschijnt voor de eerste verwerende partij, van advocaat P. VAN ASSCHE, die loco advocaat T. DE SUTTER verschijnt voor de tweede verwerende partij en van de adjunct van de directeur C. BEECKMAN, die verschijnt voor de derde verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. THYS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  6. Verzoekster is als vast benoemd gebrevetteerd verpleegkundige in dienst van de Openbare Vereniging Ronse, hierna : OVERO, een vereniging zoals bedoeld in hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn - hierna de OCMW-wet -, opgericht door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Ronse. 1.
  7. Verzoekster werkt halftijds en is tewerkgesteld in het rust- en verzorgingstehuis “De Linde” te Ronse. Aanvankelijk werkt zij op de dienst “RVT-0”. Nadat de hoofdverpleegkundige van deze dienst klachten heeft geuit over de wijze waarop verzoekster haar dienst waarneemt en haar functioneren als “zwak” is geëvalueerd, wordt zij met ingang van 1 januari 2004 overgeplaatst naar de dienst “RVT+1”. IX-4840-2/16 1.
  8. Op 27 maart 2004 stelt de secretaris van OVERO een tuchtverslag op ten laste van verzoekster. Het is gesteund op een nota van 25 maart 2004 van de hoofdverpleegkundige van de dienst “RVT+1” waarin aan verzoekster verscheidene feiten ten laste worden gelegd. Het betreft vooral fouten bij het toedienen van medicatie aan residenten, onzorgvuldigheid, afwezigheid tijdens de diensturen, incorrect doorgeven van belangrijke informatie, gebrekkige verzorging van residenten. Volgens de secretaris moeten een aantal van deze feiten als ernstige tekortkomingen aan de beroepsplichten worden beschouwd. De secretaris stelt voor om verzoekster, gelet op de ernst van deze feiten die voor de residenten een gezondheidsrisico hebben doen ontstaan, bij tuchtmaatregel van ambtswege te ontslaan. 1.
  9. Op 29 maart 2004 besluit de raad van beheer van OVERO ten laste van verzoekster een tuchtprocedure in te leiden wegens verscheidene tekortkomingen in de uitoefening van haar functie, alsook haar bij hoogdringendheid preventief te schorsen, met inhouding van de helft van haar wedde, gedurende een periode van vier maanden, welke ingaat op 30 maart
  10. 1.
  11. Op 20 april 2004 wordt verzoekster, bijgestaan door een vakbondsafgevaardigde, door de raad van beheer gehoord nopens de ingeleide tuchtprocedure. De raad van beheer besluit tijdens dezelfde zitting om op 13 mei 2004 een bijkomende hoorzitting te organiseren teneinde de personeelsleden wier verklaringen aan de basis liggen van de tuchtprocedure ten laste van verzoekster, als getuigen te horen, evenals de hoofdverpleegkundige van de dienst “RVT+1” en de directeur van het rusthuis. 1.
  12. Op 13 mei 2004 worden de getuigen in aanwezigheid van verzoekster gehoord. Omdat twee van de opgeroepen getuigen niet aanwezig kunnen zijn, volgt nog een hoorzitting op 8 juni
  13. Van de beide hoorzittingen wordt een proces-verbaal opgesteld. 1.
  14. Met een aangetekende brief van 1 juni 2004 legt verzoekster een “schriftelijke weerlegging” neer van de feiten die haar ten laste worden gelegd . Op 8 juni 2004 legt zij een “weerlegging van het getuigenverhoor” neer. IX-4840-3/16 Met een aangetekende brief van 21 juni 2004 formuleert zij nog opmerkingen bij het getuigenverhoor van 8 juni
  15. 1.
  16. Op 6 juli 2004 besluit de raad van beheer dat de aan verzoekster ten laste gelegde feiten bewezen zijn, met uitzondering van : “- op 5 maart 2004: verkeerd klaarzetten van 3 comprimés Imodium (medicatie tegen diarree) i.p.v. 3 comprimés Motilium (medicatie tegen maagpijn); - op 23 maart 2004 een insulinespuit laten liggen op de verbandkar in de linnenkamer”. De raad neemt vervolgens het besluit om verzoekster op grond van de bewezen bevonden feiten bij tuchtmaatregel van ambtswege te ontslaan met ingang van 1 juli
  17. Dit besluit maakt het eerste voorwerp uit van de voorliggende vordering tot schorsing. 1.
  18. Op 2 augustus 2004 brengt het college van burgemeester en schepenen van de stad Ronse een gunstig advies uit over de aan verzoekster opgelegde tuchtmaatregel. 1.
  19. Op 12 augustus 2004 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen haar goedkeuring aan het tuchtbesluit. 1.
  20. Met een aangetekende brief van 13 augustus 2004 zendt het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen een afschrift van het goedkeuringsbesluit van de bestendige deputatie naar verzoekster, met de vermelding dat tegen dat besluit een beroep tot nietigverklaring, al dan niet vergezeld van een vordering tot schorsing, kan worden ingesteld bij de Raad van State. 1.
  21. Verzoekster vordert bij de Raad van State de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van het tuchtbesluit van 6 juli 2004 van de raad van beheer van OVERO. Dat beroep tot nietigverklaring en de bijbehorende vordering tot schorsing worden echter bij arrest nr. 137.420 van 22 november 2004 verworpen, omdat verzoekster het georganiseerde administratief beroep bij de Vlaamse regering, bedoeld in artikel 53, § 3, van de OCMW-wet, niet heeft uitgeput, zodat de vordering voorbarig en dienvolgens kennelijk niet ontvankelijk is. IX-4840-4/16 1.
  22. Met een aangetekende brief van 29 oktober 2004 dient verzoekster alsnog hoger beroep in bij de Vlaamse regering. 1.
  23. Op 3 februari 2005 besluit de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering dat dit hoger beroep ontvankelijk, maar niet gegrond is. Dit ministerieel besluit maakt het tweede voorwerp uit van de voorliggende vordering tot schorsing.
  24. Overwegende dat ingevolge de devolutieve werking van verzoeksters hoger beroep bij de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, het goedkeuringsbesluit van 12 augustus 2004 van de bestendige deputatie vervangen is door de beslissing over dat beroep van 3 februari 2005 van de voornoemde minister; dat uit het verzoekschrift tot schorsing overigens niet ondubbelzinnig blijkt dat verzoekster met haar vordering ook de schorsing beoogt van de tenuitvoerlegging van het goedkeuringsbesluit van de bestendige deputatie; dat het verweer van de bestendige deputatie met betrekking tot de middelen en het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet bij de debatten betrokken hoeft te worden; 3.1.
  25. Overwegende dat de eerste verwerende partij opwerpt dat de voorliggende vordering tot schorsing om twee redenen niet ontvankelijk is; dat zij vooreerst laat gelden dat de vordering laattijdig is, vermits ze pas op 1 april 2005 werd ingediend, terwijl het bestreden tuchtbesluit reeds dateert van 6 juli 2004; dat zij voorts aanvoert dat de vordering niet gericht is tegen het besluit van 3 februari 2005 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, dat verzoekster weliswaar stelt dat dit wel het geval is, maar dat zij dan het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap als verwerende partij had moeten aanduiden en oproepen, wat zij niet heeft gedaan; 3.1.2.
  26. Overwegende dat voor verzoekster de termijn voor het indienen van een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het tuchtbesluit van 6 juli 2004 van de raad van beheer van OVERO slechts begon te lopen zodra haar kennis was gegeven van het besluit van 3 februari 2005 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering houdende de verwerping van haar hoger beroep tegen het IX-4840-5/16 goedkeuringsbesluit van 12 augustus 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen; dat pas ingevolge dat ministerieel besluit het bestreden tuchtbesluit definitief uitvoerbare kracht heeft verkregen; dat aangezien de kennisgeving van het bedoelde ministerieel besluit aan verzoekster is gebeurd met een aangetekende brief van 3 februari 2005, de onderhavige vordering tot schorsing op 31 maart 2005 tijdig is ingediend; 3.1.2.
  27. Overwegende dat het tuchtbesluit van 6 juli 2004 van de raad van beheer van OVERO en het ministerieel besluit van 3 februari 2005 houdende de verwerping van verzoeksters hoger beroep tegen het goedkeuringsbesluit van de bestendige deputatie, elk op zich het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State en een bijbehorende vordering tot schorsing, zodat de omstandigheid dat slechts een van beide zou zijn bestreden, niet kan leiden tot de onontvankelijkheid van de voorliggende vordering; dat overigens moet worden vastgesteld dat de voorliggende vordering ook strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het voornoemde ministerieel besluit van 3 februari 2005; dat de omstandigheid dat verzoekster de Vlaamse Gemeenschap niet als verwerende partij in haar verzoekschrift heeft vermeld, daaraan geen afbreuk kan doen; dat in het kader van de inquisitoriale rechtspleging de auditeur-verslaggever immers vermag ambtshalve de Vlaamse Gemeenschap als verwerende partij in de zaak te betrekken, wat te dezen is gebeurd; dat de exceptie niet gegrond is; 3.2.
  28. Overwegende dat de tweede verwerende partij opwerpt dat de vordering niet ontvankelijk is, omdat uit de omvang van het verzoekschrift, waarin negen middelen worden aangevoerd, waarvan één uit vijftien onderdelen bestaat, blijkt dat de bestreden beslissing niet op het eerste gezicht als onwettig kan worden beschouwd; dat volgens haar de omvang van het verzoekschrift bovendien onverenigbaar is met de eerbiediging van de rechten van verdediging van de verwerende partij wegens de korte termijn die aan deze is toegekend om een nota op te stellen; 3.2.
  29. Overwegende dat artikel 8, tweede lid, 4/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat het verzoekschrift tot schorsing een uiteenzetting dient te bevatten van de feiten en de middelen die de vernietiging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement kunnen rechtvaardigen; dat het geen beperking instelt met betrekking tot het aantal middelen dat de verzoekende partij mag aanvoeren; dat IX-4840-6/16 de omstandigheid dat verzoekster wel negen middelen aanvoert, op zich dan ook niet kan leiden tot de conclusie dat de vordering niet ontvankelijk is, te meer daar de onderscheiden middelen niet onredelijk complex of breedvoerig zijn uiteengezet; dat die middelen bovendien hoofdzakelijk de argumenten hernemen die verzoekster reeds in haar beroepschrift voor de minister heeft laten gelden, zodat de tweede verwerende partij op het tijdstip dat zij door de griffie van de Raad van State in kennis werd gesteld van het verzoekschrift tot schorsing en van de mogelijkheid om een nota met opmerkingen in te dienen, niet onwetend was van de grieven van verzoekster, waardoor een doelmatig verweer niet onmogelijk was; dat ook deze exceptie niet kan worden aangenomen;
  30. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 5.1.
  31. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel aanvoert dat het bestreden tuchtbesluit tot stand is gekomen met schending van de artikelen 299, 301 en 302 van de nieuwe gemeentewet, doordat zij in het kader van de tegen haar ingeleide tuchtprocedure geen oproepingsbrief voor het verhoor heeft ontvangen die beantwoordde aan de vereisten gesteld door de voormelde wetsbepalingen; dat zij laat gelden dat zij door de secretaris enkel mondeling op de hoogte is gebracht van de datum van de hoorzitting, dat zij weliswaar op de hoorzitting van 20 april 2004 is verschenen, maar niet formeel in kennis is gesteld van de beschuldigingen die tegen haar werden geuit, noch van het procedureverloop, de wijze van verdediging en de sanctie die haar boven het hoofd hing; dat verzoekster in het tweede middel aanvoert dat om dezelfde reden haar rechten van verdediging zijn geschonden; dat zij in het derde middel in het ontbreken van een oproepingsbrief ook een schending van de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel ontwaart; 5.1.2.
  32. Overwegende dat blijkens de gegevens van het administratief dossier van de eerste verwerende partij, verzoekster met een ter post aangetekende brief van 29 maart 2004 is opgeroepen voor de hoorzitting op 20 april 2004 door de raad van beheer van OVERO; dat zij die brief op 30 maart 2004 voor ontvangst heeft ondertekend; dat hij alle vermeldingen bevat die zijn voorgeschreven door artikel 301 IX-4840-7/16 van de nieuwe gemeentewet, namelijk: al de ten laste gelegde feiten, het feit dat een tuchtstraf wordt overwogen en dat een tuchtdossier is aangelegd, plaats, dag en uur van de hoorzitting, het recht van verzoekster om zich te laten bijstaan door een verdediger van haar keuze, de plaats waar en de termijn waarbinnen het tuchtdossier kan worden ingezien, het recht van verzoekster om de openbaarheid van de hoorzitting te vragen, het recht om het horen van getuigen te vragen alsmede de openbaarheid van dat verhoor; dat bovendien bij de oproepingsbrief een afschrift was gevoegd van het besluit van 29 maart 2004 van de raad van beheer waarbij de tuchtprocedure ten laste van verzoekster werd ingeleid, zodat zij langs die weg ook kennis heeft gekregen van het strafvoorstel dat door de secretaris was geformuleerd; 5.1.2.
  33. Overwegende dat ook niet tot een schending van de artikelen 299 en 300 van de nieuwe gemeentewet kan worden besloten; dat het eerstgenoemde wetsartikel bepaalt dat geen tuchtstraf mag worden opgelegd dan nadat het personeelslid door de overheid die de straf uitspreekt, in zijn middelen van verdediging is gehoord over alle feiten die hem ten laste worden gelegd; dat volgens het laatstgenoemde wetsartikel de tuchtoverheid voorafgaandelijk aan de hoorzitting een tuchtdossier samenstelt dat alle stukken bevat die betrekking hebben op de ten laste gelegde feiten; dat verzoekster geenszins aannemelijk maakt dat een van beide wetsvoorschriften zou zijn miskend; dat zij integendeel op 20 april 2004 door de tuchtoverheid in haar middelen van verdediging werd gehoord en zij ook de gelegenheid gehad heeft te repliceren op de verklaringen van de getuigen die werden gehoord op 13 mei 2004 en 8 juni 2004; dat er voorts ook een tuchtdossier werd samengesteld dat tot en met de dag voor de hoorzitting van 20 april 2004 ter inzage heeft gelegen van verzoekster en waarvan verzoekster niet aanvoert dat het onvolledig geweest zou zijn; 5.1.2.
  34. Overwegende dat, nu blijkt dat verzoekster wel degelijk voor de hoorzitting van 20 april 2004 een oproepingsbrief heeft ontvangen welke voldoet aan het voorschrift van artikel 301 van de nieuwe gemeentewet, ook geen schending van de zorgvuldigheidsplicht in aanmerking kan worden genomen, evenmin als een schending van “de motiveringsplicht”, die overigens alleen maar kan gelden ten aanzien van administratieve rechtshandelingen, niet ten aanzien van feitelijke handelingen zoals de bedoelde oproepingsbrief; 5.1.2.
  35. Overwegende dat het eerste, tweede en derde middel derhalve niet ernstig zijn, daargelaten de vraag of verzoekster voor de Raad van State ontvankelijk IX-4840-8/16 kan aanvoeren dat haar rechten van verdediging geschonden zijn, zonder zulks eerst voor de tuchtoverheid of de toezichthoudende overheid te hebben opgeworpen; 5.2.
  36. Overwegende dat verzoekster in een vierde middel de schending van de rechten van verdediging aanvoert doordat de beslissing tot het instellen van de tuchtsanctie werd genomen door een kleiner aantal personen dan die welke uiteindelijk hebben gestemd over de op te leggen tuchtmaatregel, inzonderheid doordat Patrick VANNESTE, die lid is van de raad van beheer van OVERO, eensdeels niet heeft deelgenomen aan de beslissing van 29 maart 2004 van de raad van beheer om een tuchtprocedure tegen haar in te leiden doch anderdeels wel heeft deelgenomen aan de bestreden beslissing van 6 juli 2004 waarbij haar de tuchtmaatregel van het ontslag van ambtswege is opgelegd; dat zij betoogt dat indien de voornoemde beheerder deel had genomen aan de beslissing om een tuchtprocedure tegen haar in te leiden, het mogelijk was geweest dat er geen tuchtprocedure tegen haar geweest zou zijn; dat volgens haar, door iemand toe te laten mee te beslissen over de uiteindelijke sanctie en het bewijs van de ten laste gelegde feiten, terwijl deze persoon niet heeft meebeslist omtrent het opstarten van de tuchtprocedure en het beslissen welke feiten in aanmerking komen om de tuchtprocedure op te starten en een tuchtsanctie op te leggen, haar rechten van verdediging zijn geschonden; 5.2.2.
  37. Overwegende dat voor de raad van beheer van OVERO geen enkele wettelijke of statutaire verplichting bestaat om voltallig te zijn wanneer een beslissing wordt genomen over het instellen van een tuchtprocedure tegen een personeelslid; dat luidens artikel 25 van de statuten van OVERO, opdat de raad van beheer geldig zou kunnen beraadslagen en beslissen, ten minste drie leden van de raad van beheer aanwezig moeten zijn en volgens artikel 26 van dezelfde statuten de beslissingen van de raad van beheer worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de uitgebrachte stemmen; dat het besluit van 29 maart 2004 van de raad van beheer om ten laste van verzoekster een tuchtprocedure in te leiden, werd genomen in aanwezigheid van vier beheerders die beslissingsrecht hebben en met algemeenheid van stemmen; dat het desbetreffende besluit derhalve, niettegenstaande de afwezigheid van het vijfde lid met beslissingsrecht, Patrick VANNESTE, overeenkomstig de artikelen 25 en 26 van de statuten van de vereniging rechtsgeldig tot stand is gekomen; dat het argument als zou, indien Patrick VANNESTE aan de beraadslaging en stemming over het voormelde besluit had deelgenomen, er mogelijk IX-4840-9/16 geen tuchtprocedure tegen verzoekster zou zijn ingesteld, aan die rechtsgeldigheid geen afbreuk kan doen; 5.2.2.
  38. Overwegende dat voorts geen wets- of statuutsbepaling een beheerder die niet heeft deelgenomen aan de beslissing over het inleiden van een tuchtmaatregel, maar die wel de hoorzittingen heeft bijgewoond, verbiedt om ook deel te nemen aan de beraadslaging en besluitvorming over de op te leggen tuchtmaatregel; dat artikel 305, § 2, van de nieuwe gemeentewet immers enkel bepaalt : “De leden van de gemeenteraad of van het college van burgemeester en schepenen die niet permanent tijdens het geheel van de hoorzittingen aanwezig waren, mogen niet deelnemen aan de beraadslagingen noch aan de stemming over de op te leggen tuchtmaatregel.”; dat te dezen aan die bepaling niet te kort is gedaan; dat niet wordt betwist dat alle leden van de raad van beheer die deel hebben genomen aan de beraadslaging en de stemming over de aan verzoekster op te leggen tuchtmaatregel ook alle hoorzittingen hadden bijgewoond; dat het vierde middel niet ernstig is; 5.3.
  39. Overwegende dat verzoekster in een vijfde middel gebrek aan afdoende bewijs van de feiten, gebrek aan bewijsvoering en schending van de rechten van verdediging aanvoert, doordat het bestreden tuchtbesluit aanneemt dat de haar ten laste gelegde feiten bewezen zijn, niettegenstaande geen afdoende bewijs voorhanden is; dat volgens haar afbreuk wordt gedaan aan een regelmatige en redelijke bewijsvoering, door klakkeloos de verklaringen van de opgevoerde getuigen, welke tevens de vermeende feiten beweren vastgesteld of gemeld te hebben, aan te nemen als het bewijs van deze feiten; dat zij stelt dat ook afbreuk wordt gedaan aan de bewijsvoering en de rechten van de verdediging, doordat geen rekening wordt gehouden met de verdediging en de tegenargumentatie van verzoekster; dat volgens haar ook rekening moet worden gehouden met het feit dat bij al deze feiten voorafgaandelijk nooit enige melding is geweest of tegensprekelijke schriftelijke beoordeling of evaluatie is gebeurd omtrent het functioneren van verzoekster; dat verzoekster concludeert dat de eerste verwerende partij op zijn minst de plicht had op een gedegen en gefundeerde manier bewijzen te verzamelen, maar daaraan niet heeft voldaan; dat verzoekster dan, in vijftien onderdelen, elk van de haar ten laste gelegde feiten poogt te weerleggen; IX-4840-10/16 5.3.2.
  40. Overwegende dat, zoals de tweede verwerende partij overigens terecht opmerkt, de Raad van State in dezen slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid beschikt; dat het niet zijn taak is om in de plaats van de tuchtoverheid het onderzoek van de aan verzoekster ten laste gelegde feiten over te doen en te oordelen over het bewezen zijn van deze feiten; dat hij enkel vermag na te gaan of de tuchtoverheid op grond van het voorliggende dossier in recht en redelijkheid tot het bewezen zijn van de feiten kon besluiten; 5.3.2.
  41. Overwegende dat in het ministerieel besluit van 3 mei 2005 houdende de verwerping van verzoeksters beroep tegen het goedkeuringsbesluit van 12 augustus 2004 van de bestendige deputatie met betrekking tot het middel wordt overwogen : “Overwegende dat het vreemd lijkt dat zeven verklaringen die in dezelfde richting wijzen, zouden moeten worden beschouwd als zijnde absurde onjuiste verklaringen; dat de getuigenissen daarentegen zeer concreet zijn; dat er door mevrouw Roos geen getuigen werden opgeroepen die haar verklaringen konden staven en de tenlasteleggingen weerleggen, verzachten of een ander licht op de zaak werpen; dat zij evenmin concrete tegenargumenten opwerpt waaruit zou blijken dat de getuigenissen onbetrouwbaar of onjuist zouden zijn. Overwegende dat er geen aanwijzingen zijn in de verslagen van de hoorzittingen om te besluiten dat lichtzinnig werd omgesprongen met de verklaringen van de collega’s van Martine Roos; dat uit niets kan worden afgeleid dat al die verklaringen onjuist zouden zijn, noch dat Overo niet zorgvuldig de zaken heeft onderzocht of zonder voldoende ernst tot haar besluit is gekomen; dat Overo met andere woorden niet manifest onzorgvuldig is te werk gegaan, noch kennelijk onredelijk tot een besluit gekomen op basis van de getuigenverklaringen; dat deze getuigenverklaringen redelijkerwijze als bewijs konden worden aanvaard”; 5.3.2.
  42. Overwegende dat verzoekster deze overwegingen niet bekritiseert; dat zij in haar verzoekschrift tot schorsing zich ertoe beperkt letterlijk de argumentatie te herhalen die zij met betrekking tot het middel in haar beroepschrift bij de minister heeft ontwikkeld, maar die door de minister op grond van de bovenstaande overwegingen werd verworpen; dat die overwegingen van de minister kunnen worden bijgevallen; dat in de huidige stand van de rechtspleging, na een prima facie-onderzoek dat aan het administratief kort geding eigen is, aan deze overwegingen niets wezenlijks toegevoegd kan worden; dat het vijfde middel evenmin ernstig is; 5.4.
  43. Overwegende dat verzoekster in een zesde middel schending van het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging, schending van de uitdrukkelijke motiveringsplicht aanvoert; dat zij stelt dat de uitdrukkelijke IX-4840-11/16 motiveringsplicht, opgelegd door artikel 305, § 3, en 307 van de nieuwe gemeentewet en door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen werd geschonden, doordat zij ervan beschuldigd werd een strip Xanax te hebben ontvreemd, maar de raad van beheer in het bestreden tuchtbesluit over deze beschuldiging geen uitspraak doet, laat staan daaraan enige motivering wijdt; dat zij meent dat om dezelfde reden ook de rechten van verdediging en het vermoeden van onschuld zijn geschonden; 5.4.
  44. Overwegende dat het verdwijnen van een strip Xanax, waarvan sprake in de nota van 25 maart 2004 van de hoofdverpleegkundige, door de raad van beheer niet aan verzoekster ten laste werd gelegd; dat aan verzoekster ook nooit werd medegedeeld dat zij zich voor dat feit zou moeten verantwoorden; dat de raad van beheer in het kader van de tuchtprocedure die tegen verzoekster op grond van andere feiten werd ingeleid, daarover niet diende te beraadslagen, noch te stemmen, laat staan dat hij in het tuchtbesluit uitdrukkelijk zou moeten motiveren waarom verzoekster voor dat feit niet tuchtrechtelijk werd vervolgd; dat het zesde middel niet ernstig is; 5.5.
  45. Overwegende dat verzoekster in een zevende middel gebrek aan objectiviteit en schending van de onpartijdigheid aanvoert, doordat één van de leden van de raad van beheer met beslissende stem, Marin DEN HAERINCK, familie is van één van de getuigen, op wier verklaringen de bestreden tuchtmaatregel mede is gesteund; dat zij laat gelden dat de voornoemde beheerder om puur menselijke redenen niet meer objectief kan oordelen wanneer een van zijn familieleden komt getuigen tegen de persoon tegen wie een tuchtonderzoek lopende is en dat aldus het beginsel “Justice should not only be done, but should also be seen to be done” in het gedrang komt; 5.5.2.
  46. Overwegende dat artikel 37, eerste lid, van de OCMW-wet, dat de onpartijdige samenstelling van de raad van beheer beoogt te waarborgen, luidt als volgt : “Het is de leden van de raad en de personen, die krachtens de wet de vergaderingen van de raad mogen bijwonen, verboden:
  47. Tegenwoordig te zijn bij beraadslaging of besluit over zaken waarbij zij, hetzij persoonlijk, hetzij als zaakgelastigde, rechtstreeks belang hebben of waarbij hun bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad persoonlijk en rechtstreeks belang hebben. Inzake benoemingen tot ambten en tuchtmaat- regelen geldt dit verbod slechts ten aanzien van bloed- of aanverwanten tot en IX-4840-12/16 met de tweede graad ...”; 5.5.2.
  48. Overwegende dat, daargelaten of deze wetsbepaling eraan in de weg kan staan dat een lid van de raad van beheer deelneemt aan de beraadslaging en besluitvorming over een tuchtzaak waarin een bloed- of aanverwant als getuige optreedt, in de onderhavige zaak vastgesteld dient te worden dat de verwantschap tussen beheerder Marin DEN HAERINCK en getuige Martine VAN MEERHAEGHE volgens de eerste verwerende partij slechts van de zesde graad is, zodat de aangehaalde wetsbepaling te dezen alleszins niet van toepassing kan zijn; dat verzoekster evenmin aantoont en uit de stukken van het dossier ook niet blijkt dat de voornoemde beheerder op enigerlei wijze blijk heeft gegeven van partijdigheid ten aanzien van verzoekster en de leden van de raad negatief jegens verzoekster heeft willen beïnvloeden; dat het zevende middel niet ernstig is; 5.6.
  49. Overwegende dat verzoekster in haar achtste middel de schending van het evenredigheidsbeginsel aanvoert, stellende dat voor zover de Raad van State de haar ten laste gelegde feiten bewezen zou achten, de opgelegde tuchtmaatregel niet met die feiten evenredig is; dat zij ter adstructie daarvan aanvoert dat zij pas drie maanden op de dienst “RVT+1” was tewerkgesteld in een part time-betrekking, zodat zij nog diende te wennen aan de nieuwe situatie, collega’s, werkritme, taken, enz.; dat zij in die periode nooit is gewezen op fouten, zodat zij niet het nodige kon doen om die recht te zetten; dat zij plotsklaps preventief werd geschorst en kort daarna van ambtswege werd ontslagen, wat de op één na hoogste tuchtstraf is; 5.6.2.
  50. Overwegende dat de tuchtoverheid over de verhouding tussen de tuchtfeiten en de tuchtstraf discretionair oordeelt; dat het redelijkheidsbeginsel in tuchtzaken inhoudt dat een straf niet kennelijk in wanverhouding mag staan tot de tuchtfeiten; dat ook bij het beoordelen van de evenredigheid van een tuchtmaatregel de Raad van State zich niet in de plaats mag plaats stellen van de tuchtoverheid; dat hij enkel een straf die volkomen in wanverhouding staat tot de bewezen feiten, als onwettig kan kwalificeren, dat wil zeggen een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die feiten zou opleggen; 5.6.2.
  51. Overwegende dat in het tuchtbesluit van 6 juli 2004 van de raad van beheer wordt overwogen : IX-4840-13/16 “Door vermelde feiten heeft mevrouw Martine ROOS : / een aanzienlijk en niet te verantwoorden gezondheidsrisico geschapen ten aanzien van diverse residenten. Mogelijks was hierbij in bepaalde gevallen zelfs sprake van het veroorzaken van lichamelijke schade. / deontologisch en op vakkundig gebied blijk gegeven van een onverantwoordelijk gedrag strijdig met elementaire ethische normen eigen aan een verzorgende/verplegende dienstverlening. / laten blijken elementaire basiskennis, eigen aan het beroep, niet te kunnen aanwenden in de werksituatie.”; dat inzonderheid het gegeven dat verzoekster door haar laakbaar gedrag een gezondheidsrisico creëert voor de residenten van het rusthuis, tot het besluit noopt dat de opgelegde tuchtmaatregel niet kennelijk onevenredig is met de haar ten laste gelegde tuchtfeiten; 5.6.2.
  52. Overwegende dat in zoverre verzoekster aanvoert dat zij nog maar pas op de dienst werkzaam was en zich nog diende aan te passen en dat zij nooit op haar tekortkomingen is gewezen, de eerste verwerende partij er terecht op wijst dat verzoekster eerder al tewerkgesteld was op de dienst “RVT-0” en dat ook daar de hoofdverpleegkundige reeds klachten had geuit aangaande de wijze waarop zij er haar dienst waarnam en fouten maakte bij het klaarzetten van medicatie, waarna haar functioneren als “zwak” werd geëvalueerd; dat de moeilijkheden die zij op die dienst berokkende overigens aanleiding hadden gegeven tot haar overplaatsing naar de dienst “RVT+1; dat blijkens de verklaring van de hoofdverpleegkundige van de laatstgenoemde dienst tijdens het verhoor door de raad van beheer op 13 mei 2004, ook zij verzoekster telkens ter verantwoording heeft geroepen voor vastgestelde tekortkomingen; dat het achtste middel evenmin ernstig is; 5.7.
  53. Overwegende dat verzoekster in een negende middel schending van de procedureregels, zijnde artikel 53 van de OCMW-wet aanvoert, doordat het tuchtbesluit van de raad van beheer niet voor advies aan het college van burgemeester en schepenen van de stad Ronse werd voorgelegd en, minstens, de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen het tuchtbesluit heeft goedgekeurd vooraleer het college van burgemeester en schepenen advies kon geven; 5.7.2.
  54. Overwegende dat artikel 53, § 1, van de OCMW-wet bepaalt : “De beslissingen waarbij, bij wijze van tuchtmaatregel, een schorsing voor drie maanden, een terugzetting in graad, het ontslag van ambtswege of de afzetting worden uitgesproken, worden onderworpen aan het advies van het college van burgemeester en schepen alsmede aan de goedkeuring van de IX-4840-14/16 bestendige deputatie. Zij worden bij voorraad ten uitvoer gelegd, tenzij de raad anders beslist.”; 5.7.2.
  55. Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat de eerste verwerende partij het bestreden tuchtbesluit van 6 juli 2004 met brieven van 8 juli 2004 voor advies heeft voorgelegd aan het college van burgemeester en schepenen van Ronse en voor goedkeuring aan de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen; dat het college van burgemeester en schepenen op 2 augustus 2004 een gunstig advies heeft verleend en met een faxbericht van 6 augustus 2004 daarvan kennis heeft gegeven aan het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen; dat in een nota, eveneens van 6 augustus 2004, van de administratie van het provinciebestuur aan de bestendige deputatie, melding wordt gemaakt van dit gunstig advies; dat op 12 augustus 2004 de bestendige deputatie het tuchtbesluit heeft goedgekeurd; dat het negende middel derhalve feitelijke grondslag mist en evenmin ernstig is;
  56. Overwegende dat geen van de door verzoekster aangevoerde middelen ernstig is; dat bijgevolg één van de twee in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bedoelde voorwaarden voor het bevelen van de schorsing niet vervuld is, BESLUIT: Artikel
  57. De bestendige deputatie wordt buiten de zaak gesteld. Artikel
  58. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  59. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. IX-4840-15/16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien september 2000 en vijf, door : de H. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-4840-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.026 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.356 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.