id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.082 Rolnummer: A. 74899/VII-15643 Zaak: Arrest 149082 - - 20/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-03 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-03 00:16 Fiche Arrest nr 149.082 van 20 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.082 van 20 september 2005 in de zaak A. 74.899/VII-15.643. In zake : Patrick GUNS, die woonplaats kiest bij advocaat R. PEETERS, kantoor houdende te OVERIJSE, Brusselsesteenweg 506 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaten M. BOES en W. MERTENS, kantoor houdende te BERINGEN, Scheigoorstraat 5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Patrick GUNS op 4 juli 1997 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 30 april 1997 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling waarbij het beroep ingesteld tegen het besluit van 31 oktober 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende weigering aan de verzoeker van de vergunning voor de uitbreiding van zijn veehouderij, gelegen aan de Bergstraat 61 te Overijse, ongegrond wordt verklaard en het beroepen besluit wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 70.170 van 11 december 1997 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. SOURBRON; VII-15.643-1/18 Gelet op de beschikking van 2 juli 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 31 maart 2005 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 28 april 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. AERTS, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat A. BEELEN die, loco advocaten M. BOES en W. MERTENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoeker exploiteert een gemengd landbouwbedrijf te Overijse, Bergstraat 61. De bedrijfsactiviteiten omvatten veeteelt (runderen en varkens) en akkerbouw (maïs, tarwe en suikerbieten). Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Overijse heeft op 21 december 1977 akte genomen van de exploitatie van een landbouwbedrijf voor 500 varkens en 40 koeien. De bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant heeft op 28 maart 1991 akte genomen, geldend als vergunning, van de opslag van 1.060 m3 dierlijke mest en van 10 ton kunstmest. 1.2. Op 8 december 1995 dient de verzoeker bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant een aanvraag in voor de verandering van zijn inrichting door uitbreiding met 150 runderen, de opslag van 300 m3 dierlijke mest en een opslagplaats voor 950 m3 groenvoeder. Na uitbreiding zou het bedrijf het VII-15.643-2/18 volgende omvatten : 300 runderen, 600 gespeende varkens, een mestopslagplaats van 1.360 m3 en de opslag van 950 m3 groenvoeder. 1.3. Bij besluit van 31 oktober 1996 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de gevraagde vergunning. De inrichting zou namelijk strijden met de verbodsbepaling van artikel 5.9.6.1., § 2, 1/, van Vlarem II en tevens onverenigbaar zijn met de bepalingen van het Meststoffendecreet en zijn uitvoeringsbesluiten. 1.4. Met een op 4 november 1996 gedagtekend schrijven stelt de verzoeker bij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling beroep in tegen de voormelde weigeringsbeslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. In het beroepschrift wordt onder meer aangevoerd dat de in het beroepen besluit aangehaalde verbodsbepaling van Vlarem II in casu niet van toepassing is aangezien de aangevraagde uitbreiding van de veestapel niet meer dan 100 % bedraagt ten opzichte van de reeds vergunde toestand. 1.5. In het kader van de beroepsprocedure worden vervolgens verschillende adviezen uitgebracht. a. Het bestuur Milieuvergunningen verleent op 5 januari 1997 ongunstig advies over de aanvraag omdat die strijdig zou zijn met artikel 5.9.6.1., § 2, 1/, van Vlarem II, waarin gesteld wordt dat een veeteeltinrichting die gelegen is in een waterwinningsgebied en beschermingszone type II niet met meer dan 100 % mag uitbreiden. b. Het advies van 9 januari 1997 van de administratie Gezondheids- zorg is ongunstig wegens de ligging van de inrichting in een waterwingebied. c. Op 28 januari 1997 verleent de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen een principieel gunstig advies over de stedenbouwkundige aspecten van de zaak. d. De Vlaamse Landmaatschappij adviseert op 18 februari 1997 om de gevraagde milieuvergunning te weigeren wegens de niet-verenigbaarheid ervan met artikel 13, 3/, a), van het Vergunningenbesluit van 20 december 1995 en met artikel 34, § 4 en § 6, 2/, van het Meststoffendecreet van 23 januari 1991. VII-15.643-3/18 e. Door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt op 21 februari 1997 voorgesteld om het beroep van de verzoeker ongegrond te verklaren en de beroepen beslissing te bevestigen. Aan dat voorstel gaan de volgende beschouwingen vooraf : "5. RISICO'S VOOR DE EXTERNE VEILIGHEID, HINDER, EFFECTEN OP HET LEEFMILIEU, OP DE WATEREN, OP DE NATUUR EN OP DE MENS : (...); Overwegende dat de inrichting gelegen is in de bij ministerieel besluit van 3 december 1991 afgebakende beschermingszone type II bij de grondwaterwinning stallen te exploiteren die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in een waterwin- ningsgebied en/of een beschermingszone type I, II of III ongeacht het aantal dieren; dat deze inplantingsregel volgens hoofdstuk 3.2 van titel II van het Vlarem niet van toepassing is op bestaande inrichtingen noch op niet-aanzienlijke uitbreidingen (dit wil zeggen uitbreidingen van maximaal 100 % wat het aantal dieren betreft); Overwegende dat in het beroepen besluit wordt uitgegaan van een vergunde toestand van 150 runderen en 600 varkens, zodat de uitbreiding van het aantal runderen exact 100 % bedraagt; dat echter wat de vergunde toestand betreft, enkel vergunningen bij het aanvraagdossier zijn gevoegd voor in totaal 40 koeien en 500 varkens; dat aanvrager een copie van een schrijven van gedeputeerde Anthoons van 24 januari 1994 bijvoegt waarin wordt gesteld dat het bedrijf zou vergund zijn voor 150 grote zoogdieren, 600 gespeende varkens en 300 biggen; dat dit schrijven echter geen waarde heeft, en zeker niet als vergunning geldt; Overwegende dat aanvrager in 1990 aangifte heeft gedaan van 150 runderen en 600 varkens; dat hiervan echter terecht geen akte werd genomen; dat de inrichting immers volgens de vroegere ARAB-indelingsrubrieken ook reeds vergunningsplichtig was gelet op de ligging in een waterwinningsgebied volgens het op 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan; dat op basis van de bij het aanvraagdossier gevoegde vergunningen dient te worden vastgesteld dat de uitbreiding tot 150 runderen en 600 varkens dan ook gebeurde zonder de vereiste vergunning; Overwegende dat de gevraagde uitbreiding van 40 vergunde grote zoogdieren tot 300 stuks derhalve meer dan 100 % bedraagt zodat hogervermelde verbodsbepaling van toepassing is; dat de aanvraag strijdig is met de verbodsbe- paling uit artikel 5.9.6.1.§ 2.1/ van titel II van het Vlarem Overwegende dat deze strijdigheid reeds een voldoende reden is om de gevraagde vergunning te weigeren; dat derhalve de discussie inzake de datum van ontvankelijk- en volledigklaring van ondergeschikt belang is; Overwegende dat de bestaande vergunning loopt tot 21 december 2007 en de hernieuwing van vergunning slechts kan aangevraagd worden tussen de 18de en de 12de maand voor het verstrijken van de bestaande vergunning; dat er geen enkele reden is om de aanvraag tot hernieuwing van de vergunning voortijdig in te willigen; 6. (...); 7. EVALUATIE VAN DE AANSPRAKEN EN BEZWAREN Overwegende dat de aanspraken en bezwaren aangehaald door de beroepin- diener als volgt kunnen worden geëvalueerd : - de aanvraag is strijdig met de verbodsbepaling uit titel II van het Vlarem dat een inrichting voor rundvee gelegen in een beschermingszone type II bij een drinkwaterwinning uit grondwater, niet mag uitbreiden met meer dan 100 %". VII-15.643-4/18 1.6. Met een besluit van 30 april 1997 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling wordt het beroep dat de verzoeker had ingesteld tegen het besluit van 31 oktober 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant ongegrond verklaard en wordt het beroepen besluit tot weigering van de gevraagde vergunning bevestigd. Dit is het bestreden besluit. De motivering ervan stemt overeen met de motivering van de voormelde beslissing van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie van 21 februari 1997; 2. Ten gronde 2.1. Eerste middel 2.1.1. Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen volgende argumenten doen gelden : 2.1.1.1. De verzoeker voert als eerste middel aan : "Overwegende dat verzoeker in zijn milieuvergunningsaanvraag een uitbreiding heeft gevraagd van het aantal reeds vergunde runderen, zijnde 150 stuks, naar 300 stuks. Dat deze uitbreiding gebeurde conform aan de overgangsbepalingen van Vlarem II, meer bepaald artikel 3.2.2.2., § 2. Dat in de bestreden beslissing wordt gesteld : Dat hieruit volgt dat de Administratie niet de moeite heeft genomen om na te gaan voor welk aantal runderen verzoeker momenteel over een vergunning beschikt. Dat de Administratie er zich toe beperkt vast te stellen dat verzoeker de vergunning met betrekking tot 150 runderen niet voorlegt. Dat verzoeker op de hoorzitting heeft uitgelegd dat hij, na veel zoekwerk, er niet in geslaagd is deze vergunning die hem werd betekend terug te vinden. Dat verzoeker evenwel dokumenten heeft voorgelegd waaruit ontegensprekelijk blijkt dat deze vergunning bestaat. Dat deze vergunning van 150 runderen blijkt uit de volgende dokumenten : - schrijven vanwege de Gedeputeerde Jan ANTOONS d.d. 24 januari 1994 (zie bijlage 3) - verslag betreffende een vergunningsaangifte d.d. 29 november 1990 vanwege de Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu waarop duidelijk vermeld staat : - 300 biggen'. (zie stuk 4). Dat uit deze stukken onbetwistbaar blijkt dat er een vergunning bestaat voor 150 runderen in hoofde van verzoeker. Dat hij deze niet kan terug vinden en dat blijkbaar deze vergunning bij de Administratie, eventueel ten gevolge van de verhuizingen die recent zijn gebeurd, evenmin kan terug gevonden worden. Dat verzoeker immers verschillende démarches heeft ondernomen bij de Administratie teneinde een kopie te krijgen van de vergunning met betrekking tot 150 runderen. Dat, indien de Administratie nu zal oordelen dat er geen uitbreiding van de reeds bestaande toestand van 150 runderen kan toegekend worden, enkel op basis van het feit dat verzoeker geen kopie van dergelijke vergunning heeft voorgelegd, dit in strijd is met beginselen van fair play, zorgvuldigheid en de beginselen van de rechtszekerheid en gewekte verwachtingen. Dat de Administratie niet kan ontkennen dat in een dokument uitdrukkelijk verwezen wordt naar het bestaan van een vergunning van 150 runderen. Dat men deze vergunning dan ook niet zo maar ter zijde kan schuiven. Dat verzoeker niet het slachtoffer kan worden van de onzorgvuldigheid van de Administratie, indien deze er niet in slaagt deze vergunning terug te vinden. Dat de Administratie er zich niet toe kan beperken om enkel vast te stellen dat verzoeker deze vergunning niet voorlegt, doch zelf de nodige inspanningen dient te leveren om deze vergunning terug te vinden. Dat dit in casu niet gebeurd is. Dat, conform het zorgvuldigheidsbeginsel, het bestuur zijn beslissing op een zorgvuldige wijze dient voor te bereiden. Dat de beslissing dient te stoelen op een correcte feitenvinding. Het bestuur dient zich zo nodig voldoende te informeren om met kennis van zaken een beslissing te nemen. Dat dit in casu niet het geval is. Dat zelfs in de bestreden beslissing dient toegegeven te worden dat : Dat hieruit blijkt dat ook de Bestendige Deputatie ervan uitging dat er een vergunde toestand was voor wat betreft 150 runderen. Overwegende dat in de bestreden beslissing ook wordt uitgegaan van verkeerde feiten. Zo stelt de bestreden beslissing : Dat hiervan echter terecht geen akte werd genomen; ...' Dat deze voorstelling van de feiten verkeerd is, aangezien er geen akte werd van genomen, omdat er reeds een vergunning bestond voor 150 runderen. Dat dit duidelijk blijkt uit het verslag betreffende de vergunningsaangifte, dat opgesteld werd naar aanleiding van de aangifte die op 29 september 1990 werd gedaan door verzoeker (zie stuk 4). Overwegende dat de bestreden beslissing dan ook ten onrechte stelt dat de gevraagde uitbreiding meer dan 100 % zou bedragen dan de bestaande vergunde toestand. Dat het Bestuur ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een bestaande vergunde toestand van 150 runderen”. 2.1.1.2. In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat de betwisting nopens het al dan niet voorhanden zijn van een vergunning voor 150 runderen met aan "zekerheid grenzende waarschijnlijkheid" zijn oorsprong vindt VII-15.643-6/18 in het feit dat de verzoeker op een gegeven ogenblik in de mogelijkheid is geweest om gebruik te maken van een vereenvoudigde procedure die voorzien was in de toentertijd geldende ARAB-reglementering maar dat die procedure niet met goed gevolg werd volbracht, minstens dat het betrokken gemeentebestuur nooit een dergelijke vergunning heeft uitgereikt, dat er daarom in het bestreden besluit terecht van kon worden uitgegaan dat de verzoeker niet over een vergunning voor het houden van 150 runderen beschikte, dat op het bestuur niet de verplichting berust om zelf na te gaan wat precies de vergunde toestand is daar in de eerste plaats van de aanvrager van de vergunning zelf verwacht kan worden dat hij de nodige gegevens bijbrengt voor het beoordelen van zijn aanvraag en dat, zelfs al zou het bestuur pogingen hebben ondernomen om te achterhalen of er ooit een vergunning voor 150 runderen is geweest, die pogingen tot mislukking zouden zijn gedoemd geweest aangezien dergelijke vergunning nooit werd aangevraagd, laat staan verleend. 2.1.1.3. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker, onder verwijzing naar verschillende bijkomend neergelegde stukken, dat hem wel degelijk een vergunning voor het houden van 150 runderen is verleend, dat het betrokken aanvraagdossier, daterend van vóór 1991, echter niet bij de diensten van het gemeentebestuur van Overijse kan worden teruggevonden ondanks herhaald schriftelijk aandringen van zijn raadsman, dat die stukken evenmin bij de administratie van de provincie Vlaams-Brabant kunnen worden teruggevonden, dat uit de stukken die zijn raadsman door eigen onderzoek in de archieven van de dienst Milieuvergunningen en de Provinciale Milieuvergunningscommissie heeft weten terug te vinden, inzonderheid een schrijven van 10 december 1996 van de afdeling Milieu- inspectie en het daaropvolgende antwoord van de dienst Leefmilieu van de provincie Vlaams-Brabant, blijkt dat de verwerende partij in elk geval op flagrante wijze het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden doordat zijzelf geen moeite heeft gedaan om zich behoorlijk te informeren en dat zij de bestreden beslissing derhalve nam zonder kennis te hebben van de voormelde stukken. 2.1.1.4. In zijn laatste memorie brengt de verzoeker nog twee nieuwe stukken bij en voegt hij toe : "Dat het stuk 21 een brief is vanwege de raadsman van verzoeker van 2 februari 2004, gericht aan de Bestendige Deputatie van de Provincie Vlaams-Brabant, waarin deze vraagt om toelichting te verschaffen waarom, ofschoon verzoeker op 29 september 1990 een vergunningsaangifte had ingediend, waarbij hij vroeg om akte te nemen van 150 grote zoogdieren, er uiteindelijk in de beslissing van de Bestendige Deputatie op 28 maart 1991 hiervan geen akte werd genomen. VII-15.643-7/18 Dat, volgens de eerder ontwikkelde thesis vanwege verzoeker, er door de Bestendige Deputatie geen akte werd genomen van deze 150 grote zoogdieren omdat deze op dat ogenblik reeds waren vergund. Dat uit het verslag van de Auditeur blijkt dat deze meent dat hiervan geen akte werd genomen daar dit onmogelijk was omdat het landbouwbedrijf van verzoeker zich zou bevinden in de afgebakende beschermingszone type II met een grondwaterwinning Dat verzoeker reeds voorafgaandelijk heeft uiteengezet dat deze argumentatie echter niet opgaat aangezien de door hem ingediende vergunningsaangifte dateerde van 29 september 1990, terwijl het Ministerieel Besluit waarbij de grondwaterwinning Dat dan aan deze discussie nu een einde is gekomen aangezien de Bestendige Deputatie van de Provincie Vlaams-Brabant per brief van 9 april 2004 (zie stuk 22) duidelijk bevestigt dat de enige reden waarom er toen geen akte werd genomen erin bestaat dat het bedrijf van verzoeker reeds vergund was voor wat betreft 150 grote runderen en 600 gespeende varkens. Dat de Bestendige Deputatie letterlijk in deze brief stelt : De Bestendige Deputatie nam dan ook op 28 maart 1991 terecht enkel akte van de 1.060 m³ dierlijke mest en 10 ton kunstmest'. Dat, ten overvloede, in het advies dd. 22 maart 2004 vanwege de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL staat vermeld (zie stuk 22) : ... Uit deze brief is het duidelijk dat er wel degelijk een vergunning voorhanden is'. 3. Overwegende dat er (
- op)basis van deze twee bijkomende stukken onomstotelijk blijkt dat verzoeker wel degelijk beschikt over een milieuvergunning voor 150 grote runderen. Dat de brief vanwege de Bestendige Deputatie van de Provincie Vlaams-Brabant van 9 april 2004, alsmede het advies vanwege de Afdeling Milieuvergunningen van AMINAL dd. 22 maart 2004 dat in bijlage aan deze brief werd gevoegd, kunnen beschouwd worden als een ondubbelzinnige bevestiging van een bevoegde overheid dat (zij een) uitdrukkelijke beslissing heeft genomen of handeling heeft gesteld die rechten heeft doen ontstaan. Dat uit de boven aangehaalde documenten onomstotelijk blijkt dat de verwerende partij is uitgegaan van een onjuiste vergunningstoestand van de inrichting, door er namelijk vanuit te gaan dat verzoeker slechts een milieuvergunning zou hebben voor wat betreft 40 runderen terwijl hij over een vergunning beschikte voor 150 runderen". 2.1.1.5. In haar laatste memorie betoogt de verwerende partij over deze bijkomende stukken : VII-15.643-8/18 "Stuk 21 is een brief d.d. 02.02.2004 van de raadsman van verzoekende partij waarin hij t.a.v. de Bestendige Deputatie van de Provincie Vlaams-Brabant een standpunt uiteenzet dat volledig past in het kraam van wat verzoekende partij wenst te bewijzen. Dit is vanuit het standpunt van verzoekende partij logisch doch bewijst hoegenaamd niets over het al dan niet bestaan van een vergunning voor 150 grote zoogdieren. Stuk 22 is dan het antwoord met bijlagen d.d. 09.04.2004 dat de raadsman van verzoekende partij van de Bestendige Deputatie heeft gekregen. Uit lezing van dit stuk blijkt dat de Bestendige Deputatie met haar brief eigenlijk alleen zichzelf wil goed praten m.b.t. haar aktename van 28.03.1991; de brief in kwestie bewijst dan ook hoegenaamd niet het bestaan van een vergunning voor 150 grote zoogdieren. De Bestendige Deputatie baseert zich om tot haar antwoord te komen enkel op een advies van de toenmalige Administratie Gezondheidszorg van 19.02.1991 om te besluiten dat zij 19.02.1991. Dit advies van de Administratie Gezondheidszorg d.d. 19.02.1991 heeft verzoekende partij reeds voordien in de procedure bijgebracht om zijn stelling - er is een vergunning voor 150 grote zoogdieren - te bewijzen en hierop hebben zowel verzoekende partij als de auditeur reeds geantwoord dat en nummering 19 (stallen voor grote zoogdieren) (..) het gemelde bedrijf echter niet in aanmerking (komt) voor toepassing van art. 25 van het R.B. dd. 1946, titel I (ARAB (pagina 20 auditoraatsverslag) Dat de Bestendige Deputatie er trouwens altijd van uit is gegaan dat de inrichting vergund was voor 150 grote zoogdieren, is precies de fout die verwerende partij in de bestreden beslissing heeft recht gezet; in dit opzicht voegt de brief van de Bestendige Deputatie d.d. 09.04.2004 dan ook helemaal niets toe aan het debat. De conclusie van de heren Deberdt en Huau in hun brief d.d. 22.03.2004 aan de Provincie Vlaams-Brabant dat uit het advies van de Administratie Gezondheidszorg d.d. 19.02.1991 blijkt dat Benadrukt dient trouwens te worden dat de heren Deberdt en Huau in hun brief d.d. 22.03.2004 zelf toegeven Ook deze dienst heeft dus geen vergunning terug gevonden. De reden hiervoor is eenvoudig deze vergunning bestaat niet !!! Dit alles geldt dés te meer daar in de bestreden beslissing ook uitdrukkelijk wordt gemotiveerd waarom het überhaupt onmogelijk is dat er in 1987/1990 akte zou zijn genomen van 150 grote zoogdieren en dit omdat dit wettelijk onmogelijk was gelet op het feit dat VII-15.643-9/18 in een waterwinningsgebied volgens het op 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan ...' (pagina 5 bestreden beslissing) Tot slot kan hieraan nog worden toegevoegd dat verzoekende partij van de instantie die toentertijd zogezegd de vergunning/de aktemelding heeft afgeleverd blijkbaar geen officiële bevestiging heeft vast gekregen van de afgifte van de vergunning/aktemelding. De stukken waarnaar verzoekende partij verwijst, gaan allemaal uit van instanties die toentertijd de vergunning/aktemelding niet hebben afgeleverd ... is dit geen teken aan de wand?"; 2.1.2. Bespreking Overwegende dat de desbetreffende argumenten als volgt worden beoordeeld : Artikel 3.2.2.2. van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II) luidt als volgt : "Art. 3.2.2.2. § 1. Voor onderdelen van de bestaande inrichtingen die na 1 januari 1993 aanzienlijk werden of worden veranderd (gewijzigd, uitgebreid of toegevoegd), gelden integraal de voorschriften van dit besluit voor nieuwe inrichtingen, met inbegrip van de inplantingsregels. § 2. Voor onderdelen van de bestaande inrichtingen die na 1 januari 1993 werden of worden veranderd (gewijzigd, uitgebreid of toegevoegd), zonder dat de vergroting meer dan 100% bedraagt, gelden eveneens de voorschriften van dit besluit voor nieuwe inrichtingen, met uitzondering evenwel van de inplantingsregels". Artikel 5.9.1.6., §2, 1/, van Vlarem II luidt als volgt : "§ 2. Onverminderd de bijzondere voorwaarden die in de milieuvergunning kunnen worden opgelegd, gelden voor de stallen andere dan varkens- en pluimveestallen de volgende verbodsregels : 1/ het is verboden inrichtingen omvattende één of meer stallen, andere dan varkens- en pluimveestallen, ongeacht het aantal dieren dat in de inrichting wordt gehouden, te exploiteren die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in een waterwingebied en/of een beschermingszone type I, II of III"; Luidens artikel 5, § 2, 19/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I) bevat het milieuvergunningsaanvraagformulier ten minste, o.m., een afschrift van eerdere beslissingen over vergunningsaanvragen. Het komt dus in eerste instantie aan degene die een vergunningsaanvraag indient zelf toe om zijn aanvraag te documenteren met een afschrift van de bestaande vergunningen. Waar de verzoeker gewag maakt van de "zorgvuldigheidsplicht" in hoofde van het bestuur, kan hem zelf des te meer onzorgvuldigheid worden VII-15.643-10/18 verweten aangezien van een exploitant minstens kan worden verwacht dat hij zijn vergunningen goed bewaart. De verzoeker roept geen overmacht in waardoor de vergunning zou zijn verloren gegaan en brengt zelfs geen begin van bewijs aan, ook niet via de verschillende stukken waarnaar hij verwijst, dat daadwerkelijk de beweerde vergunning voor 150 grote zoogdieren werd verleend. De onrechtstreekse bewijsvoering waarmee hij zulks toch meent te kunnen aantonen, overtuigt niet. De overheid zelf is, voor het nemen van haar beslissing, aan termijnen gebonden, zodat zij de gebrekkige aanvraag van de vergunning niet in de plaats van de verzoeker dient aan te vullen, zeker niet wanneer zulks - getuige het feit dat de verzoeker zelf niet in zijn zoektocht is geslaagd - tijdrovende opzoekingen vergt. Het bestreden besluit steunt dus terecht op de vaststelling dat de verzoeker niet over een vergunning beschikt voor het houden van 150 grote zoogdieren. Ten aanzien van diens inrichting kan derhalve geen toepassing gemaakt kan worden van de bepaling van artikel 3.2.2.2., §2, van Vlarem II, die toelaat een uitzondering te maken op het verbod om rundveehouderijen te exploiteren die geheel of gedeeltelijke gelegen zijn in een waterwingebied en/of beschermingszone type I, II of III (artikel 5.9.6.1., § 2, 1/, van Vlarem II). Het middel is niet gegrond; 2.2. Tweede middel 2.2.1. Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen volgende argumenten doen gelden : 2.2.1.1. De verzoeker voert als tweede middel aan : "Overwegende dat verzoeker in zijn milieuvergunningsaanvraag een uitbreiding heeft gevraagd van de bestaande opslagcapaciteit van 1.060 m³ dierlijke mest naar 1.360 m³. Dat de bestaande vergunde opslagcapaciteit betrekking heeft op de hoeveelheid vloeibare mest onder de varkensstallen. Dat verzoeker een uitbreiding vraagt van 300 m³ dierlijke mest en dit voor wat betreft de vaste mest (stallenmest met stro) afkomstig van de stallen van de runderen. Dat de gevraagde opslag van vaste dierlijke mest van 300 m³ tot doel heeft de dierlijke mest afkomstig van de runderstallen, tijdens de periode dat deze niet kan opgebracht worden, op een verantwoorde manier te stockeren. Dat immers gedurende de periode van 21 september tot en met 21 januari de opbrenging van dierlijke mest op cultuurgronden verboden is voor de gewasgroepen grasland, gewassen met lage stikstofbehoefte, maïs en andere gewassen. VII-15.643-11/18 Dat aangezien 80 % van de bewerkte gronden door verzoeker uit weiland bestaan, heeft hij tijdens de periode van 21 september tot en met 21 januari een grote hoeveelheid dierlijke mest, die niet kan opgebracht worden op de cultuurgronden. Dat bovendien, overeenkomstig artikel 17, § 6 van het decreet van 23 januari 1991, de op cultuurgrond opgebrachte dierlijke en andere meststoffen binnen de 24 uur na het uitspreiden, dienen ondergewerkt te worden. Dat dit afhankelijk van de weersomstandigheden niet steeds mogelijk is. Dat uit de hierboven aangehaalde overwegingen volgt dat de mogelijkheid bestaat dat tijdens een welbepaalde periode, verzoeker te maken heeft met een hoeveelheid dierlijke mest die dient gestockeerd te worden. Dat, ten behoeve hiervan, verzoeker in zijn milieuaanvraag gevraagd heeft hem een uitbreiding toe te staan van de mestopslagcapaciteit ten belope van 300 m³. Dat aldus verzoeker een aangepaste opslagplaats kan bouwen met een betonnen vloer, zodanig dat elke mogelijke hinder voor het milieu uitgesloten wordt. Dat het bouwen van een dergelijke opslagplaats er dan ook op gericht is om elke mogelijke milieuhinder uit te sluiten. Dat verzoeker vaststelt dat in het bestreden besluit op geen enkele manier wordt gemotiveerd waarom een dergelijke uitbreiding van de mestopslagcapaciteit niet kan toegestaan worden. Dat de uitbreiding van de mestopslagcapaciteit geen rechtstreeks verband houdt met de uitbreiding van de veestapel. Dat, aangaande de mestopslagcapaciteit, er geen verbodsbepalingen zijn opgenomen in de Vlarem-wetgeving. Dat verzoeker nogmaals onderstreept dat het uitbreiden van de opslagcapaciteit geen rechtstreeks verband houdt met een verhoging van de productie van dierlijke mest, doch met de wijze waarop deze gestockeerd zal worden. Dat, op het punt van de weigering voor de uitbreiding van de opslag van dierlijke mest, het bestreden besluit geen enkele motivering bevat". 2.2.1.2. De verwerende partij antwoordt in haar memorie van antwoord dat zij terecht tot de opvatting kon komen dat de uitbreiding van de mestopslagcapaciteit ondergeschikt was aan de uitbreiding van het aantal runderen van 150 naar 300 stuks en dat de weigering van de vergunning voor het hoofdbestanddeel van de aanvraag dan ook meebracht dat de aangevraagde verhoging van de mestopslagcapaciteit geen zin had. 2.2.1.3. In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoeker de uiteenzetting uit het inleidend verzoekschrift. 2.2.1.4. In de laatste memories komen de partijen niet meer terug op dit middel; 2.2.2. Bespreking VII-15.643-12/18 Overwegende dat de desbetreffende argumenten als volgt worden beoordeeld : In het middel klaagt de verzoeker aan dat het bestreden besluit geen aparte motieven bevat voor de weigering van de gevraagde verhoging van de mestopslag. Hij wijst erop dat die uitbreiding nochtans volledig losstaat van de gevraagde uitbreiding van de veestapel en dus ook nog zinvol is wanneer het hoofdbestanddeel van zijn aanvraag op een weigeringsbeslissing stuit. De motiveringsverplichting vereist in beginsel niet dat de vergunningverlenende overheid ten aanzien van elke toepasselijke indelingsrubriek of elk onderdeel van de aanvraag afzonderlijk motiveert waarom de vergunning al dan niet kan worden verleend. In de regel kan de vergunningverlenende overheid er immers mee volstaan te motiveren waarom het hoofdbestanddeel van de aanvraag wordt geweigerd en hoeft ze geen specifieke motivering te wijden aan de met dat hoofdbestanddeel samenhangende bijhorigheden omdat ze er op goede gronden kan van uitgaan dat de aanvraag één geheel vormt en de bijhorigheden op zich geen enkele bestaansreden hebben. De zaak zou enkel anders liggen wanneer de exploitant in zijn vergunningsaanvraag uitdrukkelijk op het tegendeel zou wijzen. Daarenboven zou wanneer de vergunningsaanvraag in eerste aanleg integraal wordt geweigerd, de exploitant er in zijn beroepschrift uitdrukkelijk melding van kunnen maken dat de verschillende onderdelen van zijn aanvraag losstaan van elkaar en dat één of meer van die onderdelen voor zijn exploitatie ook nog zinvol zijn indien zou besloten worden tot de weigering van één of meer andere onderdelen van zijn aanvraag. De exploitant zou ten slotte hetzelfde kunnen aanvoeren wanneer hij op zijn verzoek door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt gehoord. Te dezen had de ingediende vergunningsaanvraag de uitbreiding van een bestaande veeteeltinrichting tot voorwerp. De uitbreiding had niet alleen betrekking op het aantal vergunde dieren maar ook op de opslag van mest. Bij een vergunningsaanvraag met zulk voorwerp kon de vergunningverlenende overheid er bij stilzwijgen van de exploitant terecht van uitgaan dat de gevraagde uitbreiding van de mestopslagcapaciteit een aanhorigheid is van de gevraagde uitbreiding van de veestapel en dat de weigering van de vergunning voor de uitbreiding van het aantal vergunde dieren meebrengt dat de bijhorende uitbreiding van de mestopslag zonder voorwerp wordt. Er moet namelijk vastgesteld worden dat de vergunningsaanvraag die tot de bestreden beslissing heeft geleid in eerste aanleg ook reeds integraal werd geweigerd door de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. VII-15.643-13/18 In zijn beroepschrift tegen laatstvermeld besluit heeft de verzoeker er geenszins op gewezen dat hij belang had bij de uitbreiding van de mestopslag zelfs indien de vergunning voor de uitbreiding van zijn veestapel zou worden geweigerd. Met betrekking tot de mestopslag wordt in het beroepschrift enkel vermeld dat de aanvraag "de opslag van de vaste mest en van de gier in opslagplaatsen (omvat), die aan de gestelde Vlarem II voorwaarden beantwoorden" en dat "de gierput in beton zal gegoten worden, zoals dit trouwens ook reeds gedaan is op advies van de VMW voor de mestkelder onder de vleesvarkensstal, die in 1987 is gebouwd". In het beroepschrift kan niets ontwaard worden met betrekking tot de specifieke noodwendigheden voor de verhoging van de mestopslagcapaciteit zoals die uitvoerig worden uiteengezet en toegelicht in het verzoekschrift tot nietigverklaring. Blijkens de samenvatting van de hoorzitting in het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, heeft de exploitant die gelegenheid evenmin te baat genomen om bijkomende toelichting te verschaffen over de aangevraagde uitbreiding van de mestopslagcapaciteit. Rekening houdende met de gegevens die de verwerende partij bekend waren op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, kon zij er terecht van uitgaan dat de gevraagde uitbreiding van de mestopslagcapaciteit rechtstreeks verband hield met de gevraagde uitbreiding van de rundveestapel. Om die reden kon de vergunningverlenende overheid er mee volstaan in de bestreden beslissing uitdrukkelijk de motieven op te geven voor de weigering van de vergunning voor het aangevraagde aantal runderen. De noodzaak om specifiek op de vergroting van de mestopslagcapaciteit in te gaan, drong zich overigens in voorliggend geval nog minder op omdat in het bestreden besluit wordt vastgesteld dat de inrichting slechts vergund was voor 40 runderen in plaats van de 150 runderen waarop de door de exploitant geformuleerde vraag tot uitbreiding was gebaseerd. Het middel is niet gegrond; 2.3. Derde middel 2.3.1. Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen volgende argumenten doen gelden : 2.3.1.1. De verzoeker voert als derde middel, met verwijzing naar het tweede middel, aan : “Overwegende dat mutatis mutandis, hetzelfde gesteld kan worden voor wat betreft de aangevraagde opslag van groenvoer ten belope van 950 m³". VII-15.643-14/18 Hij betoogt daarbij dat de motiveringsverplichting en de beginselen van behoorlijk bestuur geschonden zijn doordat in het bestreden besluit niet wordt gemotiveerd waarom de aangevraagde opslagplaats voor 950 m3 groenvoeder dient te worden geweigerd. Het zou meer bepaald gaan over de verplaatsing naar een meer geschikte locatie van een bestaande opslagplaats waaromtrent omwonenden klachten hebben geuit. 2.3.1.2. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat de aangevraagde opslag van groenvoeder als ondergeschikt aan de verhoging van de rundveestapel moet worden beschouwd en dat omwille van de "samenhang van de verschillende aangevraagde rubrieken" de weigering van de vergunning voor de hoofdrubriek alleszins moet leiden tot de weigering van de andere samenhangende rubrieken. Zij voegt eraan toe dat de verzoeker niet aannemelijk maakt dat het betrokken onderdeel van zijn aanvraag ingegeven was door de bedoeling om een bestaande opslagplaats van groenvoeder te verplaatsen naar een beter geschikte locatie. 2.3.1.3. In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoeker de uiteenzetting uit het inleidend verzoekschrift. 2.3.1.4. In de laatste memories komen de partijen niet meer terug op dit middel; 2.3.2. Bespreking Overwegende dat de desbetreffende argumenten als volgt worden beoordeeld : Het middel is ongegrond om de redenen hierboven uiteengezet bij de bespreking van het tweede middel, meer in het bijzonder doordat het middel er ten onrechte van uitgaat dat de gevraagde opslagcapaciteit voor groenvoeder geen rechtstreeks verband hield met de gevraagde uitbreiding van de rundveestapel. Ook hier kon de vergunningverlenende overheid ermee volstaan in de bestreden beslissing de motieven te vermelden voor de weigering van de vergunning voor het aangevraagde aantal runderen; 2.4. Vierde middel VII-15.643-15/18 2.4.1. Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen volgende argumenten doen gelden : 2.4.1.1. De verzoeker voert, in ondergeschikte orde, als vierde middel aan dat de verwerende partij in ieder geval verplicht was de aanvraag maximaal te honoreren door vergunning te verlenen voor de uitbreiding van het bedrijf tot 80 runderen (i.e. een uitbreiding van 100 % ten opzichte van de 40 runderen waarvan het bestuur aanneemt dat ze vergund zijn) en dat, door zulks niet te doen en door evenmin te motiveren waarom “er geen uitbreiding van 100 % zou kunnen toegekend worden”, de motiveringsplicht en de “beginselen van behoorlijk bestuur” zouden geschonden zijn. 2.4.1.2. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat er geen subjectief recht op het inwilligen van een vergunning bestaat, dat de beoogde verdubbeling van het aantal runderen een mogelijkheid is die zij “geval per geval” dient te appreciëren, dat de vraag rijst welk belang de verzoeker bij zijn middel kan laten gelden aangezien een eventuele vergunning voor 80 runderen onvoldoende is om de bestaande feitelijke toestand waarbij 150 runderen worden gehouden te regulariseren, en, ten slotte, dat het niet aan de vergunningverlenende overheid toekomt om het voorwerp van de ingediende vergunningsaanvraag eenzijdig te wijzigen. 2.4.1.3. In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoeker dat de verwerende partij in ieder geval vergunning had dienen te verlenen voor de uitbreiding van de inrichting tot 80 runderen. 2.4.1.4. In de laatste memories komen de partijen niet meer terug op dit middel; VII-15.643-16/18 2.4.2. Bespreking Overwegende dat de desbetreffende argumenten als volgt worden beoordeeld : Op de vergunningverlenende overheid rust niet de rechtsplicht om een vergunningsaanvraag tot uitbreiding van een bestaande inrichting die geweigerd dient te worden op grond van een dwingende verbodsbepaling van Vlarem II, gedeeltelijk toe te staan tot hetgeen in het licht van die verbodsbepaling maximaal toegelaten of aanvaardbaar is. Zulks is nog minder het geval wanneer, zoals te dezen, de exploitant met het indienen van de aanvraag louter de betrachting had om het aantal runderen te verhogen van 150 tot 300 stuks en de vergunningverlenende overheid strikt genomen dus niet gevat was door een aanvraag die ertoe strekte om de bestaande toestand, waarop de vraag tot uitbreiding geënt was, geheel of gedeeltelijk te regulariseren. Het vierde middel is niet gegrond, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. VII-15.643-17/18 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig september tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-15.643-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.082 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1997:ARR.70.170 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div