← België

Arrest 149090 - - 20/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.090 Rolnummer: A. 122837/XIV-10528 Zaak: Arrest 149090 - - 20/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-30 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-03 00:18 Fiche Arrest nr 149.090 van 20 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.090 van 20 september 2005 in de zaak A. 122.837/XIV-10.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. MEULEMANS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Koningin Astridlaan 143 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 21 september 1965 en van Iraanse nationaliteit, op 21 juni 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 4 juni 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 19 november 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 27 juni 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-10.528-1/7 Gelet op de beschikking van 14 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 1 juni 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MEULEMANS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 16 juni 2000 en verklaart zich vluchteling op 19 juni
  4. 1.
  5. Op 19 november 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 4 juni 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Verder meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaart voor het Commissariaat-generaal Iraans staatsburger te zijn van Farsi origine, afkomstig uit Bandar-e Anzali. U verliet uw land van herkomst op 20-2-1379 (Perzische tijdsrekening; dit is 10 mei 2000 volgens de Gregoriaanse kalender), en reisde samen met uw echtgenote, A. (O.V. 4.972.354), en uw twee minderjarige kinderen naar België. U arriveerde er op 26-3-1379 (16 juni 2000) en vroeg bij de Belgische autoriteiten asiel aan op 19 juni
  7. U beschikt niet over een geldig internationaal identiteitsdocument. U verklaart voor het Commissariaat-generaal dat uw vader wegens hulp aan een royalist in 1358

(1979)gedurende twee maanden werd gedetineerd. Uw oom werd beschuldigd van XIV-10.528-2/7 communisme en geëxecuteerd in 1366
(1987). Tijdens een -verboden- herdenkingsceremonie voor uw oom in 1366
(1987)werd u gearresteerd en gedurende één week gedetineerd. In 1368
(1989)werd u gearresteerd omdat u toeristen ontving in uw motel, hoewel dit verboden was naar aanleiding van het overlijden van Khomeini. U werd gedetineerd en valselijk beschuldigd drugsverslaafde te zijn, waarop u gedurende twee jaar werd gedetineerd. In 1372
(1993)werd u één week opgepakt omdat enkele toeristen in uw motel zich niet aan de islamitische kledijvoorschriften hadden gehouden en u daarvoor -als eigenaar- werd verantwoordelijk gesteld. In 1373
(1994)werd u door de Komiteh opgepakt en gedurende een viertal dagen vastgehouden. In datzelfde jaar werd u nogmaal(s) door de Komiteh opgepakt, meegevoerd en zwaar geslagen. Een zekere Dr. Ibrahim Khorshand –sociologieprofessor aan de Imam Khomeini Universiteit te Rasht- kreeg van u toestemming om in uw motel studentenbijeenkom- sten te houden. Zij belegden er verschillende vergaderingen en hadden er ook een typemachine staan, waarop zij hun pamfletten drukten. U hielp de studentenbeweging niet alleen materieel, maar ook financieel en u woonde het merendeel van hun vergaderingen bij. In de avond van 19- 2-1379 (9 mei 2000) hield Dr. Khorshand een voorbereidende vergadering voor de manifestatie de volgende dag. ’s Morgens op 20-2-1379 (10 mei 2000) kwam uw neef, Reza Heykali, die ook bij de studentenbeweging was, naar u thuis met de mededeling dat Dr. Khorshand en zijn studenten bij de manifestatie waren gearresteerd. U vermoedt dat zij verraden werden en dat de overheid weet had van de vergadering bij u in het motel. Omdat in uw motel documenten van de studenten aanwezig waren, alsook een typemachine, en omdat u meent dat de autoriteiten u viseerden en slechts een aanleiding nodig hadden om u te arresteren, besloot u te vluchten. Toen u met uw gezin het motel verliet, en langs de ene kant naar buiten ging zag u de wagens van de ‘Komiteh Engehelab-e Islami’ (Islamitische Revolutionaire Comités) aan de andere kant naderen. Na uw vertrek vernam u dat zowel Dr. Khorshand als twee studenten geëxecuteerd werden. Vooreerst dient te worden gewezen op enkele tegenstrijdigheden tussen uw onderlinge verklaringen (interview Dienst Vreemdelingenzaken, interview Commissariaat-generaal) enerzijds, en tussen uw verklarigen en die van uw echtgenote (interview Dienst Vreemdelingen- zaken, interview Commissariaat-generaal) anderzijds. Zo verklaart u dat u in 1368
(1989)niet wist dat uw motel omwille van het overlijden van Khomeini moest sluiten (zie CGVS p.12), terwijl u eerder stelde dat u wel degelijk op de hoogte was. U verklaart ‘dat alle strandmotels van overheidswege verplicht waren om hun deuren te sluiten’, maar dat u ‘al enkele klanten in het motel [had] en deze niet wou verliezen’. U stelt : ‘Daarom liet ik hen blijven, maar [het motel] was officieel gesloten’ (zie DVZ 42). Voorts stelt u voor het Commissariaat-generaal dat u in 1372
(1993)werd gearresteerd en één week werd vastgehouden omdat enkele toeristen de islamitische kledingsvoorschriften hadden overtreden (zie CGVS p.13). Voor de Dienst Vreemdelingenzaken rept u echter met geen woord over deze arrestatie (zie DVZ 42). Ook uw arrestaties in 1373
(1994)door de Komiteh vermeldt u niet voor de Dienst Vreemdelingenzaken (zie CGVS p.14). Verder verklaart u dat er in 1376
(1997)tijdens het feest voor de verkiezingsoverwinning van president Khatami niets gebeurd is (zie CGVS p.15). Eerder haalde u deze viering echter zelf aan en vertelde u dat tijdens dit feest een 20-tal rechtse extremisten in terreinwagens arriveerden die de aanwezigen sloegen (zie DVZ 42). Verder meldt u dat de studentenvergaderingen in één van de suites van uw motel plaatsvonden (zie CGVS p.3), terwijl uw echtgenote verklaart dat deze in de villa naast het motel plaatsvonden (zie CGVS echtgenote p.6). Voorts stelt u dat de studentenvergaderingen twee à drie maal per week plaatsvonden in jullie motel (zie CGVS p.3), daar waar u(
  1. w)echtgenote weergeeft dat deze aldaar éénmaal per week georganiseerd werd(
  2. en)(zie CGVS echtgenote p.6). Gezien de ernst van de feiten is het ongeloofwaardig dat u deze foutief meldt of vergeet te vermelden in uw relaas. Bovendien duurde uw interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken drie dagen en beschikte u dus ruim over de tijd om over uw wedervaren te vertellen. Er dient te worden vastgesteld dat bovenvermelde tegenstrijdige verklaringen de geloofwaardigheid van uw asielrelaas grondig ondermijnen. Vervolgens kan wat betreft uw betrokkenheid bij de studentenbeweging opgemerkt worden dat u ook na het stellen van specifieke vragen zeer vaag blijft omtrent uw engagement. Bovendien stelt u dat de mogelijkheid om kranten te sluiten al lang bestond en dat er op het moment van de manifestatie van Dr. Khorshand geen specifieke gebeurtenissen waren (zie CGVS pp. 9-10). Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, blijkt echter dat de studentenbetogingen in die periode plaatsvonden omwille van de specifieke repressieve perswet die net was uitgevaardigd (zie bron ‘Situatie in Iran’, Ministerie van Buitenlandse Zaken, Nederland, 2000, p. 13, pp. 20-21). Gezien de ernst en het belang van de studentenbetogingen in de periode in het hele land, en gezien u stelt direct bij de studentenvergaderingen te zijn betrokken geweest, is het zeer onwaarschijnlijk dat u hier geen info over kunt verschaffen. Van iemand met een dergelijke betrokkenheid wordt preciezer en uitgebreider informatie verwacht. XIV-10.528-3/7 Bovendien nam u nooit deel aan manifestaties, noch aan andere activiteiten waaruit uw sympathie voor de studentenbeweging kon blijken (zie CGVS p.5), waardoor uw vrees voor vervolging niet zwaarwichtig is. Tenslotte dient wat betreft de gebeurtenissen met uw vader en oom te worden opgemerkt dat deze feiten zich te lang geleden hebben voorgedaan (i.e. respectievelijk 1979 en 1987) om nog in aanmerking te kunnen komen als valabel argument voor uw asielaanvraag. Bovendien blijkt uit de informatie van het Commissariaat-generaal (zie bron ‘Situatie in Iran’, Ministerie van Buitenlandse Zaken, Nederland, 2000, p.39) dat ‘Sippenhaft’ (het intimideren, arresteren en vervolgen van familieleden van een verdacht of beschuldigd persoon) niet meer van toepassing is in de Iraanse maatschappij. Bijgevolg lijkt het onwaarschijnlijk dat u gedurende de afgelopen 20 jaar geviseerd werd door de autoriteiten, enkel en alleen omwille van uw verwantschap (CGVS, pp. 16-17). Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De documenten die u voorlegt in het kader van uw asielrelaas (kopie dagvaarding, kopie boekje burgerlijke staat, kopie boekje burgerlijke staat vader, kopie boekje burgerlijke staat kinderen, kopie foto executie oom, kopie document bedrijf [4], kopie document motel, 2 zeilbewijzen, kopie vaccinatie) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. Enerzijds bewijzen zij uw identiteit, waaraan niet getwijfeld wordt. De documenten die uw problemen onderstrepen kunnen echter niet in aanmerking worden genomen, gezien de bedrieglijkheid van uw relaas. (...).”. 2.1. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 4, 6, 9 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, aangenomen te New York op 20 november 1989 en goedgekeurd bij wet van 25 november 1991; dat verzoeker stelt dat ouders en kinderen niet tegen hun wil van elkaar kunnen worden gescheiden en dat zijn twee kinderen in België geïntegreerd zijn en goede schoolresultaten behalen; Overwegende dat de bestreden beslissing niet tot gevolg heeft dat verzoeker van zijn kinderen wordt gescheiden; dat de bestreden beslissing een uitspraak doet over de asielaanvraag van verzoeker; dat wanneer de asielaanvraag kennelijk ongegrond wordt verklaard, zoals in casu, de minderjarige kinderen hun ouders volgen; dat voornoemde bepalingen niet werden geschonden; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht; dat verzoeker aanvoert dat zijn betrokkenheid bij de studentenor- ganisatie zich situeert op het vlak van het ter beschikking stellen van infrastructuur en dat hij dit heeft verklaard op de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal; dat verzoeker uiteenzet dat hij niet de mogelijkheid had om bewijsmateriaal te verzamelen omwille van zijn plots vertrek en omdat dit problemen zou geven mocht hij tijdens zijn vlucht op Iraans grondgebied gecontroleerd worden; dat verzoeker aanvoert dat er geen tegenstrijdigheid is tussen zijn verklaringen en die van zijn echtgenote omdat er een logische uitleg voor is, met name dat er aan het motel van verzoeker een villa was verbonden waarin zich de suites van het motel bevonden; dat verzoeker betoogt dat hij tijdens het interview op het Commissariaat-generaal duidelijk heeft vermeld dat de problemen van de studentenorga- nisatie te maken hebben met de persvrijheid en de mogelijkheid van de overheid om “kranten te sluiten”; dat verzoeker besluit dat in de bestreden beslissing twee documenten worden vermeld waarover hij niet werd ondervraagd en waarover geen tegenspraak werd gevoerd; XIV-10.528-4/7 Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op de volgende motieven: - er zijn tegenstrijdigheden in de opeenvolgende verklaringen van verzoeker en tussen zijn verklaringen en die van zijn echtgenote; - verzoeker blijft vaag omtrent zijn engagement bij de studentenbeweging, zelfs na het stellen van specifieke vragen; hij verklaarde tevens dat de mogelijkheid om kranten te sluiten al lang bestond, en dat er op het moment van de manifestatie van dr. KHORSHAND geen specifieke gebeurtenissen waren, terwijl dit in strijd is met informatie waarover het Commissariaat- generaal beschikt, en waaruit blijkt dat in die periode studentenbetogingen plaatsvonden omwille van de specifieke repressieve perswet die net was uitgevaardigd; gezien de ernst en het belang van de studentenbetogingen in die periode, en gezien verzoeker stelt direct bij zulke betogingen betrokken te zijn geweest, is het zeer onwaarschijnlijk dat hij daarover niet meer informatie kon verschaffen; verzoeker nam geen deel aan manifestaties of andere activiteiten, waardoor zijn vrees voor vervolging niet zwaarwichtig is; - met betrekking tot de gebeurtenissen met zijn vader en oom wordt opgemerkt dat deze feiten zich te lang geleden hebben voorgedaan om in aanmerking te komen als argument voor zijn asielaanvraag; uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt dat de techniek van ‘Sippenhaft’ niet meer van toepassing is in Iran; - de documenten die verzoeker heeft ingediend, wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet; Overwegende dat, wat betreft de betrokkenheid van verzoeker bij de activiteiten van de studentenorganisatie, in de bestreden beslissing wordt overwogen dat het onwaarschijnlijk is dat verzoeker niet meer informatie kon geven, omdat in die periode belangrijke studentenbetogingen plaatsvonden; dat de uitleg van verzoeker dat hij enkel steun verleende op het vlak van infrastructuur en daarom niets méér weet, niet opgaat omdat hij tijdens het interview op het Commissariaat-generaal heeft verklaard dat hij de studentenvergaderingen bijwoonde (verhoorverslag CGVS, p. 4); dat de vaststelling van de Commissaris-generaal steunt op de gegevens van het dossier; Overwegende dat verzoeker één van de tegenstrijdigheden poogt te verklaren; dat hij de overige tegenstrijdigheden niet betwist of probeert te weerleggen; dat deze tegenstrijdigheden betrekking hebben op essentiële elementen van zijn asielrelaas, met name het al dan niet moeten sluiten van het hotel omwille van het overlijden van Khomeini; het oorspronkelijk onvermeld laten van een arrestatie en vasthouding in 1993 en van arrestaties in 1994; de gebeurtenissen tijdens het feest voor de verkiezingsoverwinning van president Khatami in 1997 en het aantal keren per week dat de studentenvergaderingen plaatsvonden in het motel van verzoeker; dat verzoeker in het middel niets zegt over deze tegenstrijdigheden, die steunen op de gegevens van het dossier; dat de Commissaris-generaal op goede gronden heeft vastgesteld dat deze tegenstrijdigheden de geloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas grondig ondermijnen; XIV-10.528-5/7 Overwegende dat in de bestreden beslissing niet wordt betwist dat de problemen van de studentenorganisatie te maken hadden met persvrijheid en de mogelijkheid om “kranten te sluiten”, maar dat de Commissaris-generaal opmerkt dat de mogelijkheid om kranten te sluiten al lang bestond en dat net op dat moment een repressieve perswet werd uitgevaardigd die aanleiding gaf tot verschillende studentenbetogingen, en dat verzoeker hieromtrent geen informatie kon verschaffen; Overwegende dat de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing tweemaal verwijst naar informatie afkomstig van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland; dat de procedure voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vooralsnog een administratieve procedure en geen jurisdictionele procedure is en dat de rechten van verdediging niet onverminderd van toepassing zijn; dat op het moment dat het verhoor plaatsvond, de Commissaris-generaal niet verplicht was om verzoeker te confronteren met tegenstrijdigheden tussen zijn verklaringen en andersluidende informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt; dat de door de Commissaris-generaal gebruikte informatie afkomstig is van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken, die een officiële instantie is; dat verzoeker de juistheid van deze informatie niet betwist in zijn verzoekschriften; Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op deugdelijke, terzake dienende, afdoende en pertinente motieven; dat het tweede middel ongegrond is; 2.3. Overwegende dat verzoeker in een derde middel uitlegt dat hij en zijn gezin zeer welstellend waren in Iran waar zij over veel inkomsten uit onroerend goed beschikten, en dat zij hun land en hun goederen niet zouden achterlaten mocht hun leven niet werkelijk in gevaar zijn; Overwegende dat verzoeker niet aangeeft welke rechtsregel of rechtsbeginsel werd geschonden; dat hij zich beperkt tot een feitelijke uiteenzetting die niet beantwoordt aan een ontvankelijk middel zoals vereist door artikel 20, 2/ van het koninklijk besluit houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen van 9 juli 2000; dat het derde middel onontvankelijk is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-10.528-6/7 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig september tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-10.528-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.090 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.