← België

Arrest 149143 - - 21/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.143 Rolnummer: A. 151622/XIV-19549 Zaak: Arrest 149143 - - 21/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-30 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-03 00:21 Fiche Arrest nr 149.143 van 21 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.143 van 21 september 2005 in de zaak A. 151.622/XIV-19.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat O. GRAVY, kantoor houdende te 5000 NAMEN, rue Pépin
  2. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 6 mei 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 5 april 2004 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 3 maart 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 28 mei 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 9 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 juni 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-19.549-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat V. BECKERS, die loco advocaat O. GRAVY verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 18 februari 2004 en zich vluchteling verklaart op 19 februari 2004; dat op 3 maart 2004 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 5 april 2004 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: "A. Vluchtrelaas U werd gehoord in dringend beroep op 31 maart 2004 op de zetel van het commissariaat- generaal, bijgestaan door een tolk die de Albanese taal machtig is. Volgens uw verklaringen bent u een etnische Albanees afkomstig uit Kosovo, meer bepaald uit Sushicë (gemeente Istog). Toen u 19 à 20 jaar oud was, werd u door de Serviërs twee keer opgeroepen voor de legerdienst. Omdat u geen gevolg gaf aan de oproepingen werd u veroordeeld tot een geldboete en een effectieve gevangenisstraf van zeven maanden. U hebt deze celstraf weliswaar nooit uitgezeten. Uw dienstweigering heeft voorts geen gevolgen meer gehad voor u. Tijdens de oorlog brandde uw woning in Bellopoje (wijk van Sushicë waar u woonde) af. Eveneens tijdens de oorlog, in 1998, verdwenen uw moeder, uw broer Ali en uw zus Dyk. Uw andere zus, Shkurte, verblijft momenteel in Duitsland. Tijdens de oorlog werden op 27 september 1997 negen leden van de familie XXX, die ook in Sushicë woonde, door de Serviërs vermoord omdat zij lid waren vanhet UCK (Kosovaars Bevrijdingsleger). U was toen soldaat bij het UCK in de regio van Drenica en was op het moment van de moorden niet in Sushicë aanwezig. U vernam het nieuws de dag na de moord van een vriend. Toen u nog soldaat was, vernam u tevens van andere soldaten dat de overgebleven familieleden van de familie Salihaj u er - valselijk - van beschuldigden hun vermoorde familieleden bij de Serviërs te hebben verraden. Ze zagen u als zondebok omdat jullie vroeger reeds een slechte relatie hadden. Omdat de familie Salihaj nog leden bij het UCK had, besloot u eind 1998 het UCK te verlaten. U ging inwonen bij uw tante G. in Jablanicë (gemeente Pejë). In 1998 ging u ook uw familie zoeken in Albanië. U huurde een appartement in Tirana en bleef daar gedurende ongeveer een jaar, maar niet op regelmatige basis. U vond uw familie niet terug in Albanië. Sinds februari - maart 2000, woonde u terug permanent bij uw tante in Jablanicë en dit tot uw vertrek naar België in
  4. Na de oorlog keerde u zelf niet meer terug naar Sushicë. U kwam persoonlijk nooit in contact met de overgebleven leden van de familie Salihaj, mar u vernam wel dat zij, waaronder ook enkele familieleden die nu bij het TMK (Kosovo Beschermingskorps) werkten, u zowel in Bellopoje, als in Rakosh bij familie van u gezocht hadden. Omdat de familie Salihaj wraak op u wilde nemen, durfe u nauwelijks buiten te komen. U stuurde echter nooit iemand naar de familie toe om verzoening te verkrijgen en deed nooit een beroep op de autoriteiten om u te helpen. U verliet Kosovo op 12 februari 2004 en kwam naar België, waar u aankwam op 18 februari 2004 en de volgende dag asiel aanvroeg. U bent niet in het bezit van enig identiteitsdocument of andere document ter ondersteuning van uw asielrelaas. B. Motivering Vooreerst dient erop gewezen te worden dat het door u aangehaalde vluchtmotief, namelijk dat u gezocht wordt door de familie Salihaj omdat zij u er - valselijk - van beschuldigd dat u enkele van haar leden tijdens de oorlog verraden heeft bij de Serviërs en dat u zo de moord op die personen veroorzaakt heeft, een probleem betreft met privé-personen dat van algemeen gemeenrechtelijke (strafrechtelijke) en lokale aard is. Bovendien dient opgemerkt te worden XIV-19.549-2/5 dat u pas in 2004 besloot Kosovo te verlaten, terwijl u reeds toen u nog soldaat bij het UCK was, wist dat de overgebleven familieleden van de familie S. u zochten. Een dermate laattijdig vertrek kan niet in overeenstemming gebracht worden met het hebben van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Ten slotte hebt u geen feiten of elementen aangebracht waaruit zou kunnen blijken dat u geen beroep zou kunnen doen op de hulp of bescherming van de in Kosovo aanwezige lokale of hogere (internationale) autoriteiten. U verklaarde hiertoe immers geen enkele poging ondernomen te hebben (CGVS, gehoorverslag p 35, p 37). C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de Vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (koninklijk besluit van 19/05/1993; artikel 17, par. 2, al. 2).”; 2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending opwerpt van de artikelen 52 en 62 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de verzoekende partij aanvoert dat zij duidelijk had aangegeven dat zij etnisch Albanese van Servisch-Montenegrijnse origine was, dat in de oorlog haar huis in Bellopoje (Sushice) werd verwoest door een brand, dat negen familieleden van S. in Sushice vermoord werden door de Serviërs omdat ze leden waren van het UCK, dat zij zelf lid was van het UCK en zich in Drenica bevond op het moment van de moorden, dat zij door de familie S. verdacht werd van medeplichtigheid aan die moorden, dat deze laatste familie invloedrijk was in Sushice en enkele van haar leden steeds werkzaam waren in het UCK en in het TMK, zodat de verzoekende partij geen beroep had durven doen op de ter plaatse aanwezige internationale autoriteiten; 2.
  6. Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent doch betwist dat de gegeven motieven die beslissing kunnen dragen; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke XIV-19.549-3/5 gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de commissaris-generaal tot het besluit komt dat de asielaanvraag van de verzoekende partij kennelijk ongegrond is om verschillende redenen, namelijk dat de problemen van de verzoekende partij met de familie S. in de private sfeer kaderen en van gemeenrechtelijke en lokale aard zijn, dat haar laattijdig vertrek niet in overeenstemming is met het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, en dat zij geen feiten of elementen heeft aangebracht waaruit zou blijken dat zij geen beroep kon doen op de hulp of bescherming van de in Kosovo aanwezige lokale of hogere (internationale) autoriteiten; dat de verzoekende partij slechts haar eigen standpunt bevestigt dat zij wel werd vervolgd en zich verder beperkt tot de blote bewering dat de familie waarmee de vendetta bestond, grote invloed had bij de autoriteiten in Kosovo; dat zij geen enkele moeite neemt om de overige motieven te weerleggen, hoewel deze mee de bestreden beslissing dragen; dat zij derhalve niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het enige middel ongegrond is;
  7. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-19.549-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénentwintig september tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-19.549-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.143 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.