id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.147 Rolnummer: A. 151203/XIV-19435 Zaak: Arrest 149147 - - 21/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-30 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 00:21 Fiche Arrest nr 149.147 van 21 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.147 van 21 september 2005 in de zaak A. 151.203/XIV-19.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. SHAHAM, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Frankrijklei
- tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Armeense nationaliteit, op 28 april 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 maart 2004 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 28 januari 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 5 mei 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 9 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 juni 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-19.435-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat S. SHAHAM, die in opvolging van advocaat A. HUYSMANS verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 18 december 2003 en zich vluchteling verklaart op 22 december 2003; dat op 28 januari 2004 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 24 maart 2004 de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U, een Armeens staatsburger van Armeense origine kende problemen in uw (and omwille van hiernavolgende redenen. Sinds 1995 werd uw familie afgeperst door maffia uit Gumri. Uw vader, die enkele goeddraaiende zaken had, betaalde regelmatig geld aan de betrokkenen. U bent niet op de hoogte van de identiteit van deze personen. Regelmatig werden uw vader en broer door de afpersers geslagen en mishandeld. Hun doelstelling was de winkel van uw vader in handen te krijgen, tezamen met andere onroerende bezittingen. Uw vader werd daarom met de dood bedreigd en beschoten. Ook uw moeder werd tweemaal afgeslagen door deze personen. Uw broer werd door de afpersers tweemaal ontvoerd, en in ruil voor zijn vrijlating diende er geld te worden betaald. Eveneens werden uw vader en uw broer door de politie gearresteerd en gedurende één dag opgesloten. Opnieuw moest er voor hun vrijlating geld op tafel worden gelegd. Nadat uw vader en broer tevergeefs hadden getracht om bescherming te verkrijgen bij de Armeense autoriteiten, verlieten beiden in 2000 het land en trokken ze naar België, waar ze een asielaanvraag indienden. Uw vader hoopte dat de situatie alsnog zou kalmeren indien hij het land een tijdje zou verlaten. Uzelf bleef met uw moeder en zus achter in Armenië. Een tijdje kende u géén problemen, maar na een korte periode begonnen de afpersers jullie opnieuw lastig te vallen. Begin 2001 drongen de afpersers zo uw huis binnen, ontvreemden de hele inboedel en vernielden het huis. Na dit incident trok uw moeder naar haar ouders. Uzelf ging naar uw tante Rosa, tezamen met uw zus. De afpersers kwamen echter achter de verblijfplaats van uw moeder en vielen haar opnieuw aan. Ook uw oom, Kamo, raakte hierbij gewond. Uw moeder begaf zich na dit incident naar tante Rosa, en vertelde u dat ze het land zou verlaten en naar België zou vertrekken. Op 2 oktober 2001 verliet ze Armenië. Na haar vertrek bleef u gedurende enkele weken bij uw tante Rosa, totdat ze teveel schrik kreeg dat haar kinderen ook problemen zou krijgen. Eind 2001 keerde u terug naar het ouderlijke huis. Uw oudere zus Kristina, die getrouwd was met Aram, trok bij jullie in. Gedurende één week bleef het rustig, waarna de afpersers jullie opnieuw lastig begonnen vallen. Drie personen vielen jullie huis binnen. Aram werd door hen afgeslagen. Korte tijd later kwamen ze opnieuw langs. Uw zus werd door hen neergeslagen. U werd door hen verkracht. U diende gedurende twee á drie dagen in het ziekenhuis te worden opgenomen ter verzorging. Ook toen u in het ziekenhuis lag poogden de aanvallers u nog te bereiken, doch tevergeefs. Nadat u uit het ziekenhuis was ontslagen, besloten Aram en Kristina naar de Russische Federatie te trekken, om verder vervolging te ontlopen. Uzelf trok in bij een tante van uw moeder in het dorp Quettie. In april 2002 overleed uw moeder in België aan de gevolgen van een hersentumor. U schreef in 2003 een brief aan President Kotcharian om te klagen over de afpersing die u en uw familieleden hadden ondergaan. In augustus 2003 overleed de tante bij wie u in Quettie verbleef. U keerde hierop terug naar Jerevan waar u bij uw tante Silva Tsoghik introk. Uw tante was reeds acht jaar getuige van Jehova. U ging één keer mee naar een bijeenkomst van de Jehova getuigen. De leider van de groep, Davit, diende een klacht in bij de politie en het parket met betrekking tot de problemen die u had meegemaakt in Armenië met XIV-19.435-2/8 de afpersers. In september of oktober 2003 werd u in het huis van uw tante door politieagenten opgepakt en naar het politiebureau in de wijk Davitashan gebracht. U diende hen te vertellen waar Davit zich bevond. U vertelde hen niets. U werd dan opnieuw vrijgelaten. Enkele dagen later werd u opnieuw thuis door deze agenten opgezocht en meegenomen. Uw tante vergezelde u. U werd geslagen door de agenten en brutaal behandeld. Tevens dreigden ze ermee uw tante om te brengen. U werd in een cel gegooid. U vertelde hen hierop waar de bijeenkomstzaal van de getuigen van Jehova zich bevond. Vervolgens werd David opgepakt, tezamen met een aantal andere Getuigen van Jehova. Toen u terug thuis bij uw tante was, werd u geslagen door een schoonbroer omdat u uw mond had voorbijgepraat. U zocht in de kelder onder het huis uw toevlucht. U bleef hier enkele dagen. Nadat u werd verteld dat u de kelder diende te verlaten trok u naar de Franse ambassade en regelde een visum. Dit werd uitgereikt op 19 november
- U vertrok uit Armenië op 23 november
- U bereikte België op dezelfde dag. U diende op 22 december 2003 uw asielaanvraag in voor de bevoegde Belgische instanties. U bent in het bezit van uw internationaal paspoort met een visum voor de Schengen landen (periode 23-11-2003 tot 16-12-2003), en een geboorteakte B. Motivering Allereerst dient te worden vermeld dat in het kader van de asielaanvraag van uw vader (A, OV: 4.978.790) en uw broer (M, OV - 4.974.393) door de Commissaris Generaal werd overgegaan tot het nemen van een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf, omwille van het feit dat de motieven aan de basis van hun beider asielaanvraag vreemd zijn aan de Vluchtelingenconventie, en bijgevolg in hun hoofde géén vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bepaald in artikel 1 A
(2)van de Conventie van Genève, doen ontstaan. Met betrekking tot de door u in uw respectievelijke verhoren aangehaalde elementen, dient in de eerste plaats te worden vastgesteld dat u zich voor uw asielaanvraag in hoofdorde baseert op die feiten die reeds eerder door uw vader Arsalus en uw broer Musjek werden aangedragen. U stelde Armenië in de eerste plaats te hebben verlaten omwille van de problemen die werden veroorzaakt door de maffia-afpersers die u en uw familie lastig bleven vallen, ook na het vertrek van uw broer en vader in het jaar 2000. Evenwel, draagt in uw respectievelijke verklaringen géén enkel element aan dat afbreuk doet aan de conclusie die werd genomen in het dossier van uw vader en broer, met name dat het hier in essentie een privaat en gemeenrechterlijk conflict betreft tussen uw familie en derden, met geld en onroerende bezittingen als inzet, zonder dat er enig aanwijsbaar verband is dat politieke, etnische, religieuze of nationale motieven aan de grondslag hiervan liggen. Evenmin is het zo dat dit probleem ontstond omdat u en uw familieleden tot een specifieke sociale groep behoren. Met andere woorden, het betreft hier in zijn essentie een probleem dat totaal vreemd is aan de Conventie van Genève, waardoor er in uw hoofde evenmin een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, kan worden weerhouden. Bovendien draagt u evenmin enig element aan dat erop zou wijzen dat u in Armenië géén bescherming heeft gekregen omwille van één van de motieven opgesomd in de Vluchtelingenconventie. Daarnaast dient evenwel te worden opgemerkt dat een deel van uw subjectieve vrees voor vervolging wordt veroorzaakt door het feit dat u zich, éénmaal in België aangekomen, ontpopte tot vervolg een overtuigd aanhanger van het 'Getuige van Jehova' geloof, waardoor u in Armenië vervolging vreest vanwege de kant van de autoriteiten. Deze vrees wordt, volgens uw verklaringen, gestaafd door de feiten die u in Armenië meemaakte in de periode voor uw vertrek en waarbij u persoonlijk getuige was van de vervolging van andere Jehova getuigen. De geloofwaardigheid van deze door u aangehaalde vervolgingsfeiten, en bijgevolg ook uw persoonlijke vrees op vervolging, wordt echter ondergraven nadat werd vastgesteld dat uw verklaringen hieromtrent voor de dienst Vreemdelingenzaken en het commissariaat generaal in tegenstrijd slaan met elkaar. Zo stelde u voor de dienst Vreemdelingenzaken dat de agenten u beloofden alles te doen om uw problemen met de afpersers in Gumri op te (ossen, indien u maar een verklaring tegen Davit zou ondertekenen (verslag DVZ, pt. 42), Dit staat evenwel in tegenstrijd met uw verklaringen voor het Commissariaat Generaal waarin u uitdrukkelijk stelt dat de agenten zich niet wilden bezighouden met het oplossen van uw zaak (verslag CG, p.21, vraag 210) en dat dit in hun ogen iets voor de politie in Gumri was (verslag CG, p21, vraag 209). Voorts blijkt uit uw verklaringen voor de dienst Vreemdelingenzaken dat u slechts éénmaal werd meegenomen naar het politiebureau om te getuigen tegen Davit en dat u, na onder druk te zijn gezet, een verklaring zou hebben ondertekend tegen Davit. U maakte nergens gewag van enige geweldplegingen vanwege de politieagenten (verslag DVZ, pt. 42). Dit staat evenwel in tegenstrijd met uw verklaringen voor het commissariaat generaal waaruit duidelijk blijkt dat u tweemaal werd meegenomen door de politie, dat u de eerste keer helemaal géén informatie prijsgaf over Davit en dat u slechts de tweede maal dat u werd meegenomen een verklaring ondertekende met betrekking tot zijn verblijfplaats, nadat u daar door de agenten zwaar werd mishandeld (verslag CG, p. 18-19, vraag 183 t/m 198). Eveneens stelde u voor de dienst Vreemdelingenzaken dat u géén weet had over een eventuele aanhouding van Davit (verslag DVZ, pt. 42). Dit staat evenwel in tegenstrijd met uw verklaringen voor het Commissariaat Generaal waaruit naar voren komt dat Davit wel degelijk XIV-19.435-3/8 werd aangehouden door de politie, met name de dag na uw eigen vrijlating (verslag CG, p.21, vraag 214). Voor het commissariaat generaal stelde u verder dat u werd mishandeld door een Getuige van Jehova, omdat u zo loslippig was geweest ten aanzien van de politie. Hierna zou u vier dagen in de kelder van het huis van uw tante hebben verbleven (verslag CG, p.21, vraag 216- 218). Over deze feiten maakt u evenwel helemaal géén melding voor de dienst Vreemdelingenzaken, hetgeen de geloofwaardigheid ervan ondermijnd, aangezien de feiten toch ernstig zijn van aard. (verslag DVZ, pt 42). Bovenstaande vaststellingen maken dat er géén geloofwaardigheid meer kan worden gehecht aan die elementen die door u werden opgeworpen om uw vrees voor vervolging op basis van uw religieuze overtuiging te staven. Er kan in uw hoofde dan ook geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bepaald in artikel 1 A
(2)van de Conventie van Genève worden weerhouden. De door u ingediende documenten (internationaal paspoort, geboorteakte) vermogen hieraan géén afbreuk te doen, aangezien ze betrekkingen hebben op niet betwiste persoonsgegevens. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is, Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing an de minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en) ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”; 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste en tweede middel aanvoert die als volgt luiden: “Eerste middel Schending van de wettelijke opdracht van verweerders Aangezien de commissaris-generaal het vluchtelingenverhaal van verzoekster afdoet als onontvankelijk en zich uitslooft om een aantal tegenstrijdigheden aan te halen ; Dat dit diepteonderzoek niet hoort tot de opdracht van de CGVS in de fase van de ontvankelijkheid ; Dat overeenkomstig de geldende regels van het belgisch administratief recht DVZ en in geval van dringend beroep de CGVS, moeten bewijzen dat er een grond voor niet ontvankelijkheid bestaat ; (zie : M.Bossuyt, 'Uiteenzetting over de voorgestelde wijzigingen in de Vreemdelingenwet voor de Senaatscommissie voor de Binnenlandse Aangelegenheden', Parl. St. 92-93, nr. 555/2,
(54)55, nr. 4); Dat in de fase van de ontvankelijkheid de autoriteiten genoegen moeten nemen met een aannemelijk, d.w.z. samenhangend, niet tegenstrijdig en waarschijnlijk vluchtverhaal, hetwelk verzoekster gegeven heeft ; (zie D. Vanheule, 'Vluchtelingen : een overzicht', Mys en Breesch, Gent, 20uitgave, 1998, nr. 349 e.v.) ; Dat evenwel de CGVS meent een beslissing te moeten nemen louter op grond van : 1.een vergelijking van de verklaringen van verzoekster en 2.de door hun gegeven beslissing aan de vader en broer van verzoekster ; Dat in plaats van de verklaringen van verzoekster in het dossier te toetsen aan objectieve gegevens die de CGVS kent en desgevallend verzoekster er opnieuw mee te confronteren, de CGVS louter sensu stricto het asielverzoek afwijst en stelt dat de problemen van verzoekster, nl. vervolging omwille van afpersing en geloofsovertuiging, niet ressorteren onder de Conventie van Genève en hij alzo tracht de geloofwaardigheid van verzoeksters' asielaanvraag aan te tasten ; Dat nochtans zichtbaar het CGVS vergeet dat het door haar opgestelde pv niet ondertekend werd door verzoekster, het haar niet voorgelezen werd ter controle, ... ; dat dit pv dan ook geen juridisch geldige akte daarstelt en geen enkele bewijswaarde heeft ; dat hetzelfde geldt voor de motivering aangehaald in dit pv en meer in het algemeen de volledige inhoud, gezien deze door verzoekster betwist wordt ;(RvSt.,arrest nr. 109.702 dd. 8.8.02, na conform advies van de auditeur); XIV-19.435-4/8 Dat vergelijking van verklaringen met deze aangehaald in dit pv van het CGVS dan ook van elke legaliteit ontbloot zijn ; Dat daarenboven bepaalde vergetelheden mogelijk en menselijk zijn, dewelke echter door verzoekster op het CGVS onmiddellijk rechtgezet werden ; Dat daarenboven onjuiste verklaringen niet leiden tot ongegrondheidll (HCR, Guide des procédures, HCR, Genève, 1992, nr. 199, p. 52), temeer daar het in casu slechts gaat over details; Dat bovendien de Conventie van Genève dd. 28.6.1951 en het Protocol van New York van 31.1.1967, een internationaal instrument met humanitaire doelstellingen is, hetgeen een soepele interpretatie en evenwichtige verdeling van bewijslast vergt (M. Bossuyt,’De vluchtelingendefinitie uit het Verdrag van Genève’ in Binnen en Buiten, Vluchtelingen op zoek naar recht, Tegenspraak Cahiers, nr. 7, Kluwer, Antwerpen, 1988, p. 29); Dat derhalve het CGVS de volledige bewijslast o.a. van de actualiteit van de vrees in hoofde van verzoekster niet ten laste van verzoekster kan leggen; Dat het bovendien behoort alle elementen van een zaak in consecratie te nemen en het aldus niet behoort bepaalde elementen niet te bekijken, zoals de grond van de problematiek in casu, nl. persecutie van verzoekster omwille van het behoren tot een religieuze minderheid, dewelke niet bekeken werd; Dat in casu verzoekster jaren gewacht heeft om naar Belgie te komen waar zij hoopte dat de situatie in haar eigen land zou uitklaren en beteren; Dat om tot een rechtmatig besluit te komen de betrokken administratie volledig op de hoogte moet zijn van de feiten die haar besluitvorming kunnen beïnvloeden en zonodig zich moet laten bijstaan door deskundigen; Dat uit het dossier duidelijk blijkt dat de CGVS in het dossier slechts op zoek is gegaan naar een reden (bijvoorbeeld door de verwijzing naar de beweerde tegenstrijdigheden) om verzoeksters verzoek af te wijzen in plaats van een duidelijke en niet voor interpretatie vatbare en met reden omklede beslissing te nemen ; Dat de CGVS hier in dezelfde zin haar opdracht is te buiten gegaan zodat de beslissing aangetast is door machtsafwending, waarover eveneens infra meer Dat de Raad van State dan ook niet zal aarzelen de materiële juistheid van de feiten te verifiëren en daarvoor haar toevlucht zal nemen tot alle middelen die zij nodig acht ; (zie De Wijngaert, M.; ‘De feitencontrole door de belgische en franse Raad van State’, T.B.P., 1955, 199-211, 287-295) ; Dat de bestreden beslissing dan ook werd getroffen in strijd met de wettelijke opdracht van verweerders en op basis van een bizonder mank samengesteld en onvolkomen dossier, zodat de beslissing ten gronde moet worden vernietigd Tweede middel : Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur Aangezien het tweede ernstig middel van verzoekster de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur betreft, meer bepaald de verplichting tot zorgvuldigheid en het redelijkheids en gelijkheidsbeginsel ; Dat de CGVS een bestuurlijke overheid is gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur; (zie : I., Opdebeek, ‘Het recht op verdediging en het recht om zijn standpunt naar voor te brengen’ in Opdebeek (E.D.) Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1993, 51) ; Dat de commissaris generaal meent een reden gevonden te hebben om verzoekster van haar asielaanvraag af te wijzen nl. de verklaringen van verzoekster in de procedure ondanks het feit dat deze niet door hem zelf werden getoetst of gecontroleerd (de CGVS vraagt ze niet te verduidelijken, daar verzoekster niet geherconvoceerd wordt : hij gebruikt de verklaringen lastens verzoekster); Dat juist door het niet peilen naar de achterliggende reden van het asielrelaas en de verklaringen van verzoekster, het niet nagaan van het asielrelaas , de CGVS een inbreuk heeft gemaakt op de zorgvuldigheidsplicht en alle hoger aangehaalde beginselen en wetsartikels en de rechten heeft geschonden van verzoekster; Dat de vaste rechtspraak van de Raad van State deze schending van de verplichting tot zorgvuldigheid sanctionneert door de administratieve beslissing te vernietigen; (zie R.V.St. nr. 56.580, 4.12.1995, T.Vreemd. 1996,35 ; R.v.St. nr. 58.090, 9.2.1996, T. Vreemd. 1996,68 ; R.v.St. nr. 60.972, 12.7.1996, RiV. 1996, afl. 4,57).”; 2.1.
- Overwegende dat uit de lezing van de beide middelen blijkt dat de verzoekende partij mede de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat het bij de beoordeling daarvan niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk XIV-19.435-5/8 toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) de commissaris-generaal de mogelijkheid bieden om een bevestigende beslissing te nemen inzake de onontvankelijkheid van een asielaanvraag op basis van de bedrieglijkheid of de kennelijke ongegrondheid ervan; dat een onderzoek in de ontvankelijkheidsfase door de commissaris- generaal, waarbij wordt besloten tot de bedrieglijkheid en/of de kennelijke ongegrondheid van een asielaanvraag ondermeer een vergelijking inhoudt tussen de opeenvolgende verklaringen van de betrokkene en tussen de verklaringen van de betrokkene en zijn familieleden; dat daarbij dient te worden onderzocht of er redelijkerwijze van uit mag worden gegaan dat de feiten die de asielaanvrager naar voren brengt tijdens zijn asielaanvraag, waarachtig zijn en beantwoorden aan de criteria van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat indien uit dit onderzoek blijkt dat de verstrekte gegevens niet waarachtig zijn of niet redelijkerwijze onder de criteria van de Vluchtelingenconventie zijn te brengen, kan worden besloten tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag; Overwegende dat de bestreden beslissing op verschillende motieven is gesteund, namelijk dat de opeenvolgende verklaringen van de verzoekende partij tegenstrijdig zijn, dat haar problemen kaderen in de private en gemeenrechtelijke sfeer, en dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in Armenië geen bescherming kon krijgen omwille van één van de motieven opgesomd in de Vluchtelingenconventie; dat de verzoekende partij voormelde motieven niet concreet weerlegt; dat het betoog van de verzoekende partij dat het verhoorverslag van het commissariaat-generaal geen juridische bewijskracht heeft, niet relevant is, nu de procedure voor het commissariaat-generaal geen jurisdictionele procedure is en de verzoekende partij niet verduidelijkt hoe zij voor het commissariaat-generaal niet voor haar belangen is kunnen opkomen; dat, ten overvloede, uit geen enkel stuk in het administratief dossier blijkt dat zich problemen zouden hebben voorgedaan tijdens het verhoor van de verzoekende partij; Overwegende verder dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 6 mei 1993, die artikel 52 van de Vreemdelingenwet heeft gewijzigd, blijkt dat de asielaanvrager zijn aanvraag moet kunnen staven met een coherent en geloofwaardig verhaal, dus dat hij in zijn land van herkomst verdrukt wordt en bloot staat aan vervolging of foltering (Parl. St., Kamer, 1992-93, nr. 903/5,8); dat de asielaanvrager derhalve altijd moet aantonen dat hij vervolgd wordt; dat dit geen omkering van de bewijslast betekent, maar een afwijzing als de aanvrager geen gegeven aanbrengt dat er, wat hem betreft, XIV-19.435-6/8 ernstige aanwijzingen zijn voor een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève (Parl. St.,Senaat, 1992-93, nr. 555-2, 83); Overwegende dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat de beide middelen ongegrond zijn; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert dat als volgt luidt: “Derde middel: Afwending van macht: Miskenning van feitelijkheden: Aangezien verzoekster wil laten gelden dat verweerders steeds in dezelfde zin de feitelijkheden miskennen en hierdoor hun macht afwenden. Dat de minister van Binnenlandse Zaken en de CGVS perfect op de hoogte zijn (of zouden moeten zijn) van de toestand in Armenië; Dat verzoekster zich dan ook niet onder de bescherming kan stellen van welke overheid dan ook en diende de vlucht te nemen; Dat dit ten volle mag worden afgeleid uit de ettelijke keren dat verzoekster zich heeft getracht onder bescherming te stellen en klacht neer te leggen, steevast zonder succes wat blijkt uit haar eigen coherente verklaringen, dewelke door het CGVS in essentie , op enkele détails na niet tegengesproken worden; Dat de vrees van verzoekster zelf nog te worden onderworpen aan verdere schendingen concreet is en het verzoek strekkende tot erkenning zowel ontvankelijk is als gegrond ; Dat het manifest miskennen van deze feiten die overigens van algemene bekendheid zijn een afwending van macht inhouden zodat eveneens op deze grond de vernietiging van de bestreden beslissing zich opdringt; Dat verzoekster dan ook het verder verblijf in België niet mag worden ontzegd; 2.2.
- Overwegende dat er slechts sprake kan zijn van machtsafwending wanneer een bestuursoverheid de bevoegdheid welke haar door de wet is verleend met het oog op het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang, gebruikt om een ander doel na te streven en wanneer dit ongeoorloofde oogmerk het enige doel is van de betrokken bestuurshandeling; dat de verzoekende partij niet verder komt dan de bevestiging van haar eigen standpunt dat zij “zich dan ook niet onder bescherming kan stellen van welke overheid dan ook en diende te vluchten”, of te verwijzen naar “feiten die overigens van algemene bekendheid zijn”; dat de verzoekende partij hiermede niet aantoont dat er sprake zou zijn van machtsafwending; dat het derde middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-19.435-7/8 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénentwintig september tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-19.435-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.147 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div