← België

Arrest 149173 - - 21/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.173 Rolnummer: A. 130569/XIV-13019 Zaak: Arrest 149173 - - 21/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-29 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-03 00:21 Fiche Arrest nr 149.173 van 21 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.173 van 21 september 2005 in de zaak A. 130.569/XIV-13.019. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat R. PELLENS, kantoor houdende te 3530 HOUTHALEN-HELCHTEREN, Kruisstraat 23 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Turkse nationaliteit, op 5 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 8 november 2002 tot weigering van regularisatie; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 28 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 september 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat R. PELLENS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-13.019-1/12 Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. XXX, van Turkse nationaliteit, heeft op 27 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 4/. 1.2. De nota van het secretariaat van de Commissie voor regularisatie dateert van 14 februari 2001. 1.3. Verzoeker werd bij schrijven van 21 juni 2001 uitgenodigd voor de hoorzitting van de Commissie op 12 juli 2001. Deze oproepingsbrief werd zowel per gewone post aan verzoeker en zijn raadsman verstuurd, als door tussenkomst van de gemeentepolitie aan verzoeker overhandigd. Verzoeker heeft bij de aanbieding ervan door de gemeentepolitie op 13 juli 2001 getekend voor ontvangst. 1.4. Op 12 juli 2001 is verzoeker door de Commissie, bijgestaan door een raadsman, gehoord. De zaak werd uitgesteld naar de zitting van 20 september 2001. 1.5. Verzoeker werd bij schrijven van 5 september 2001 uitgenodigd voor de hoorzitting van de Commissie op 20 september 2001. Deze oproepingsbrief werd zowel per gewone post aan verzoeker en zijn raadsman verstuurd, als door tussenkomst van de gemeentepolitie aan verzoeker overhandigd. Verzoeker heeft bij de aanbieding ervan door de gemeentepolitie op 14 september 2001 getekend voor ontvangst. 1.6. Verzoeker noch zijn raadsman verscheen op 20 september 2001 op de hoorzitting van de Commissie. 1.7. De derde Kamer van de Commissie voor regularisatie heeft op 24 oktober 2001 een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat de volgende overwegingen: XIV-13.019-2/12 “Gezien de beschikking van de Vice-Eerste-Voorzitter van de Commissie van 13 februari 2001 tot toewijzing van het dossier aan de derde Nederlandstalige kamer waarvoor de zaak werd opgeroepen op de zitting van 12 juli 2001 waarop verzoeker is(

  1. n)persoon is verschenen bijgestaan door zijn raadsman mr Stefaan Van der Velpen advocaat te Halen van de balie Hasselt. Zijn schoonbroer Y. Klimopstraat 8 te Beringen vergezelde eveneens de verzoekende partij. Er bleek ook een mogelijke band met dossiers van andere aanvragers T. en XXX zodat de behandeling dan tegensprakelijk in voortzetting moest worden gesteld naar de zitting van 20 september 2001 waarop niemand meer verschenen is. Dit tegensprakelijk in voortzetting stellen van de behandeling van de ingediende aanvraag geldt als een geldige verwittiging voor die fixatie. Maar bijkomend had verzoeker op 14 september 2001 nog getekend voor de zitting van 20 september 2001. Voorzien werden de uitnodigingen voor de behandeling van de ingediende aanvraag door de Commissie zoals vermeld dus tijdig verstuurd in overeenstemming met de bij artikel 10 § 2 van het Koninklijk Besluit van 5 januari 2000 voorziene termijn, en dit aan het door de verzoekende partij laatst opgegeven adres zoals hoger is vermeld. Artikel 10 van de vermelde en ingeroepen Wet van 22 december 1999 legt aan de verzoekende partij de verplichting op om iedere wijziging van adres per aangetekend schrijven te melden aan de Commissie voor Regularisatie. Een spoor van het naleven van dit voorschrift door betrokkene kon in het dossier niet worden teruggevonden zodat er mag gesteld worden dat er een rechtsgeldige uitnodiging werd verzonden voor de vermelde zitting. Bij het ondertekenen van de aanvraag tot regularisatie verbond verzoeker er zich uitdrukkelijk toe om elke wijziging van verblijfplaats mede te delen. Indien verzoeker zijn verblijfplaats wijzigde heeft hij die verbintenis ten overstaan van de Belgische overheden misschien ook niet nageleefd. De verzoekende partij moest kennis kunnen nemen van de nota van het secretariaat van 14 februari 2001 waarin gesteld werd dat het bij de aanvraag gevoegde dossier niet kon leiden tot een gunstig advies zodat de aanvraag aanhangig werd gemaakt bij een Kamer van de Commissie (artikel 12 § 3 van de Wet van 22 december 1999). De Commissie kon, zoals mogelijk is ingevolge artikel 14 § 1 van het Koninklijk Besluit van 5 januari 2001 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie, geen kennis nemen van een dossier van betrokkene bij de Dienst Vreemdelingenzaken en de Commissie kreeg evenmin kennis van een nummer van zo'n dossier. De verzoekende partij heeft om regularisatie van zijn verblijf verzocht op grond van het artikel 2,4/ van de wet van 22 december 1999, vreemdeling die humanitaire redenen kan laten gelden en duurzame sociale bindingen heeft ontwikkeld in België. Aangezien de wetgever speciaal voor dit criterium in artikel 9,9/ van de ingeroepen wet de eis stelde van een bewijs van een aanwezigheid in België die teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot vijf jaar voor de gezinnen met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd hebben om naar school te gaan, en/of in voorkomend geval, het bewijs dat ze wettig in België verbleven hebben en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat deze vreemdeling in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen heeft om het grondgebied te verlaten. Een toetsing over gegeven bevelen om het land te verlaten is niet mogelijk geweest voor de Commissie. Betrokkene verklaarde schriftelijk dergelijk bevel nooit te hebben gekregen. Verzoeker verklaart zelf in dit land te zijn binnen gekomen in februari 1997 maar kan geen eerdere aanwezigheid in het land geloofwaardig maken zodat hij nog geen twee jaar in het land vertoefde wanneer hij zijn verzoek tot regularisatie indiende en dus nog niet de helft van de termijn bereikte die de wetgever vereiste voor een continu verblijf voorafgaand aan de aanvraag. Betrokkene verklaart te werken bij bepleistering, chape en vloeren maar toont niet aan dat hij hier tot het officiële arbeidscircuit is willen toetreden sinds dit hem wettelijk mogelijk werd gemaakt in het voorjaar 2000. Verzoeker laat ook niet toe kennis te nemen van een uitgesproken motivatie voor een echte integratie bij een verblijf in België. XIV-13.019-3/12 Het was ook onmogelijk na te gaan welke inspanning hij reeds zou gedaan hebben om de taal te leren van de streek waarin hij voorhoudt gedurende verschillende jaren in dit land te hebben geleefd. Aangezien verzoeker er ook niet in geslaagd is om geloofwaardig te maken dat hij echte duurzame sociale bindingen in dit land zou hebben ontwikkeld of dat hij humanitaire redenen zou kunnen inroepen. Geen enkel element laat toe te besluiten tot een integratie van betrokkene in onze maatschappij. Aangezien de Commissie moet vaststellen dat betrokkene geen gebruik heeft gemaakt van de bij art. 11 § 2 van vermeld K.B. geboden mogelijkheid om binnen de vijf werkdagen, na de dag van de zitting, bij aangetekend schrijven de reden te melden van het niet verschijnen op de gestelde zitting. Gezien deze vaststellingen hebben geleid tot het hiernavolgend advies dat, na beraadslaging, uitgebracht wordt overeenkomstig artikel 17 van het Koninklijk Besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie en houdende de uitvoering van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Belgisch Staatsblad van 10 januari 2000 p. 566-592) en volgens artikel 19 in werking getreden op 10 januari 2000. ...”. 1.8. Op 4 maart 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken een negatieve beslissing aangaande de aanvraag tot regularisatie genomen. Dit is de bestreden beslissing: “(...) Aansluitend de aanvraag tot regularisatie door U ingediend bij de Burgemeester van BERINGEN, op 27/01/2000 en die het nummer 35802000012700029 draagt, heeft de Kamer van de Commissie voor Regularisatie mij, overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, ingelicht over uw niet gerechtvaardigde afwezigheid op de zitting van 20 september 2001 (advies in bijlage). Overeenkomstig artikel 11 van de hoger vermelde wet leidt deze niet gerechtvaardigde afwezigheid tot een negatieve beslissing. (...).”. 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.1. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “1. art. 6 EVRM: redelijke termijn Cf. art. 18 K.B. van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie en houdende de uitvoering van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, diende de Commissie haar advies binnen de twintig werkdagen vanaf de datum van verschijning, bedoeld in artikel 11 van hetzelfde Koninklijk Besluit ter kennis te brengen aan de minister en diende het advies binnen dezelfde termijn te worden betekend aan de aanvrager met mededeling van kopie. Hoewel verzoeker reeds op 27 januari 2000 zijn verzoek tot regularisatie op basis van humanitaire redenen art. 2,4/ Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen, verblijvend op het grondgebied van het Rijk en dit volgens de voorwaarden van art. 9 van dezelfde wet, met laatste verhoor op 14 september 2001 en met advies van de Commissie op XIV-13.019-4/12 24 oktober 2001, nam de Minister pas op 08/11/02 een beslissing aangaande het verdere verblijf van verzoeker. Uit art. 6 van het EVRM en de fundamentele vrijheden, volgt dat wanneer het geding onder het toepassingsgebied valt van deze bepaling, en in andere gevallen, volgt uit de algemene beginselen die aan de grondslag liggen van de werking van de administratieve rechtscolleges, dat de rechtsonderhorigen het recht hebben dat hun verzoeken binnen een redelijke termijn worden behandeld. Door de Commissie werd op deze wijze op ernstige wijze de bestaande wetgeving miskend, waardoor verzoeker ernstige schade ondervindt. Verzoeker, die reeds geruime tijd voor zijn aanvraag in het land verbleef, heeft inmiddels opnieuw gedurende twee jaar dienen te wachten op de beslissing van de minister, hetgeen terugkeer naar zijn land in geval van negatieve beslissing nogmaals ernstig hypothekeert. Dat het doel van de wetgeving ernstig werd miskend, door niet binnen korte termijn tot een beslissing te komen: dat het juist de bedoeling was om binnen een korte termijn een einde te maken aan de illegale situatie waarbinnen een aantal vreemdelingen op het grondgebied verblijven; dat een bijkomende periode van twee jaar vanaf aanvraag enkel aanleiding geeft tot een verhoogde rechtsonzekerheid; Alleen reeds wegens schending van termijn dient de beslissing te worden vernietigd als onwettig.”; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “2.1 Betreffende een eerste middel van de verzoekende partij. In een eerste middel beroept verzoekende partij zich op een vermeende schending van “art. 6 EVRM.: redelijke termijn”. Ter ondersteuning van het eerste middel voert de verzoekende partij aan dat “het doel van de wetgeving ernstig werd miskend, door niet binnen een korte termijn tot een beslissing te komen” en “een periode van twee jaar vanaf de aanvraag enkel aanleiding heeft tot een verhoogde rechtsonzekerheid”. In antwoord op de door verzoeker ingeroepen vermeende schending van het art. 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, laat de verwerende partij gelden dat de beweerde schending van deze verdragsbepaling door de bestreden beslissing niet kan worden aangenomen, aangezien deze beslissing geen betrekking heeft op de rechten en verplichtingen, en evenmin op de strafvervolging, waarop de betrokken verdragsbepaling toepassing vindt (R.v.St. nr. 78.215, 19.1.1999; R.v.St. nr. 47.178, 4.5.1994, R.A.C.E. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 46.280, 25.2.1994, R.A.C.E. 1994, z.p.). De politieke rechten die een individu geniet in zijn hoedanigheid van burger en waartoe onder meer het recht op verblijf en vestiging van vreemdelingen, met de daarmee verbonden rechten en verplichtingen behoort - rechten en verplichtingen waarop deze zaak betrekking heeft - vallen niet onder de toepassing van het bepaalde artikel 6 van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, dat slechts toepassing vindt bij het vaststellen van de burgerlijke rechten en verplichtingen van eenieder, of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging. Daar waar verzoeker bovendien voorhoudt dat “een periode van twee jaar vanaf de aanvraag enkel aanleiding heeft tot een verhoogde rechtsonzekerheid” laat de verwerende partij gelden dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij wil doen laten aannemen, betrokkene geenszins twee jaar diende te wachten alvorens een beslissing aangaande zijn regularisatieaanvraag te mogen ontvangen. Inderdaad blijkt genoegzaam uit de stukken van het administratief dossier dat verzoeker op 27.01.2000 een regularisatieaanvraag indiende en: - het onderzoekssecretariaat van de Commissie voor regularisatie in zijn nota dd. 14.02.2001 vaststelde dat “het bij de aanvraag gevoegde dossier volledig is, maar dat prima facie blijkt dat de aanvraag toch niet kan leiden tot een gunstig advies”, - de derde kamer van de Commissie voor regularisatie reeds in haar advies dd. 24.10.2001 uitdrukkelijk te kennen gaf dat geen gunstig gevolg kon worden verleend aan verzoekers regularisatieaanvraag, - de Federale Minister van Binnenlandse Zaken op 04.03.2002 (en niet 08.11.2002) besliste verzoekers regularisatieaanvraag te verwerpen conform art. 11 van de XIV-13.019-5/12 Regularisatiewet dd. 22.12.1999, beslissing die reeds bij schrijven dd. 04.03.2002 aan verzoeker ter kennis werd gebracht. Gelet op hetgeen hierboven werd uiteengezet, kan verzoeker bovendien bezwaarlijk voorhouden dat hij twee jaar diende te wachten alvorens een beslissing te mogen, ontvangen en er in casu aanleiding werd gegeven tot een “verhoogde rechtsonzekerheid”, nu reeds zowel de nota dd. 14.02.2001 van het onderzoekssecretariaat van de Commissie voor regularisatie, als het advies dd. 24.10.2001 van de derde kamer van de Commissie voor regularisatie en de in casu bestreden beslissing van de Federale Minister aan verzoeker ter kennis gaven dat zijn regularisatieaanvraag niet kon worden ingewilligd. De verwerende partij is de mening toegedaan dat gelet op het nodige onderzoek dat ter zake diende te gebeuren, de in casu bestreden beslissing wel degelijk binnen een redelijke termijn werd genomen en geen aanleiding gaf tot een “verhoogde rechtsonzekerheid”. Betreffende verzoekers verwijzing naar het art. 18 van het KB betreffende de samenstelling en de werking van de commissie voor regularisatie en houdende uitvoering van de wet van 22 december 1999 laat de verwerende (partij) het volgende gelden. De verwerende partij erkent dat in casu het advies van de Commissie inderdaad niet binnen de twintig werkdagen vanaf de datum van de verschijning ter kennis werd gebracht. Echter, er dient op te worden gewezen dat blijkens de vaste rechtspraak van de Raad van State, eventuele gebreken in de kennisgeving niet van aard kunnen zijn om aanleiding te kunnen geven tot nietigverklaring (zie o.a. R.v.St. nr. 48.781, 24.08.1994, en R.v.St. nr. 45.694, 19.01.1994, R.A.C.E. 1994, z.p.). In het door verzoeker vermelde vormvoorschrift is overigens nergens sprake van gelding op straffe van nietigheid. Het zou aldus, o.a. gelet op de hoeveelheid aanvragen die dienden te worden verwerkt, van overdreven formalisme getuigen om de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken, houdende de verwerping van verzoekers regularisatieaanvraag, op de in dit onderdeel van het eerste middel vermelde basis te vernietigen, temeer nu: - de kritiek die verzoeker uit op het tijdsverloop tussen de verschijning ter zitting en het ter kennis brengen van het advies volstrekt onpertinent is, daar deze kritiek zelfs niet eens de bestreden beslissing betreft, - verzoeker niet aanvoert dat de wijze waarop de kennisgeving van het advies zou zijn gebeurd hem enig nadeel heeft berokkend, hetgeen betrokkene ook niet redelijk kan voorhouden, - het feit dat het betrokken advies niet, conform het art. 18 van het K.B., binnen de twintig werkdagen ter kennis werd gebracht geen afbreuk kan doen aan de vaststellingen vervat in de in casu bestreden beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken. De verwerende partij is dan ook de mening toegedaan dat verzoeker(
  2. s)eerste middel, in zoverre het al ontvankelijk is, de nietigverklaring van de in casu bestreden beslissing niet kan verantwoorden, en het derhalve niet kan worden aangenomen.”; 2.1.3.1. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van artikel 6 van het E.V.R.M., alsook van de redelijke termijn; dat verzoeker in dit verband ook nog verwijst naar artikel 18 van het koninklijk besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor regularisatie en houdende de uitvoering van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën voor vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet); dat volgens verzoeker de voormelde bepalingen werden geschonden doordat hij “gedurende twee jaar (diende) te wachten op de beslissing van de minister”; XIV-13.019-6/12 2.1.3.2. Overwegende dat vooreerst dient opgemerkt dat de termijn bepaald in artikel 18 van het voormeld koninklijk besluit een termijn van orde is; dat het niet-naleven van deze termijn op zich de bestreden beslissing niet onwettig maakt; dat dient opgemerkt dat een schending van artikel 6 van het E.V.R.M. niet dienstig kan worden aangevoerd; dat administratieve beslissingen genomen in het kader van de Regularisatiewet niet onder de toepassing daarvan vallen; dat artikel 6 van het E.V.R.M. betrekking heeft op burgerlijke en strafrechtelijke zaken, terwijl betwistingen in verband met de toegang, het verblijf en de verwijdering van vreemdelingen een publiekrechtelijk karakter hebben; dat verzoeker niet in concreto aantoont in hoeverre door het verloop van de termijn benadeeld te zijn; dat overeenkomstig artikel 14 van de Regularisatiewet immers feitelijk niet zal worden overgegaan tot verwijdering tussen de dag van de indiening van de aanvraag en de dag waarop een negatieve beslissing wordt genomen; dat dient aangenomen dat het verstrijken van de termijn aan verzoeker geen nadeel heeft toegebracht; dat het eerste middel in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “2. Motivatie Dat de beslissing tekort komt aan elke juridische en feitelijke motivering, zoals omschreven in art. 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Dat de minister volstaat met te verwijzen naar het advies van de Commissie; dat de Minister amper opgave doet van enige wettige basis waarop zijn beslissing is gemotiveerd; dat aldus aan verzoeker de mogelijkheid wordt ontzegd om zich in rechte te verdedigen; dat een loutere verwijzing naar het advies van de commissie niet kan worden beschouwd als een voldoende motivering in feite; dat aldus een substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven wetgeving ernstig werd geschonden; dat minstens om deze reden de beslissing dient nietig te worden verklaard;”; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “2.2. Betreffende een tweede middel van de verzoekende partij. In een summier omschreven tweede middel beroept de verzoekende partij zich op een vermeende schending van art. 3 van de Wet dd. 29.07.1991 en poneert hij dat “een loutere verwijzing naar het advies van de commissie niet kan worden beschouwd als een voldoende motivering in feite”. Betreffende de vermeende schending van art. 3 van de Wet dd. 29.07.1991 dient er op te worden gewezen dat de door verzoeker bedoelde wetsbepaling verband houdt met de verplichting om bestuurshandelingen formeel te motiveren, en als zodanig tot doel heeft om de bestuurde toe te laten te achterhalen waarom een voor hem ongunstige beslissing is genomen, derwijze dat hij zich, met de ter beschikking staande rechtsmiddelen, kan verweren tegen die beslissing door aan te tonen dat de in de motivering tot uitdrukking gebrachte motieven juridisch niet opgaan (R.v.St. nr. 45.899, 31.1.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.). In casu is aan deze vereiste terdege voldaan, nu in de in casu bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt gesteld dat verzoeker niet gerechtvaardigd afwezig was ter zitting dd. 20.09.2001 en, overeenkomstig art. 11 van de Regularisatiewet dd. 22.12.1999, deze niet gerechtvaardigde afwezigheid tot een negatieve beslissing leidt. De door verzoeker als gebrekkig gemotiveerd bestempelde overwegingen die, (tezamen met de vermelding van de toepasselijke wetsbepaling) de motivering van de bestreden beslissing uitmaken, volstaan derhalve om de bestreden beslissing ten genoege van recht met motieven te onderbouwen. XIV-13.019-7/12 De overwegingen laten verzoeker immers toe om te achterhalen om welke redenen de Federale Minister van Binnenlandse Zaken besliste verzoekers regularisatieaanvraag te verwerpen, zodat het doel is bereikt dat met het bestaan van de betrokken formele motiveringsverplichting wordt beoogd. Dat verzoeker aldus ten onrechte beweert dat de aangevochten beslissing niet voldoende gemotiveerd is, temeer nu bij lezing van verzoekers inleidend verzoekschrift dient te worden vastgesteld dat verzoeker daarin blijk geeft kennis te hebben van de motieven vervat in de bestreden beslissing, waardoor verzoeker alle belang bij de door hem naar voor gebrachte kritiek ontbeert. De verwerende partij is derhalve de mening toegedaan dat verzoekers tweede middel niet kan worden aangenomen.”; 2.2.3.1. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van de motiveringsplicht, zoals omschreven in artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; 2.2.3.2. Overwegende dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker stelt, uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de Minister van Binnenlandse Zaken zich ertoe beperkt heeft te verwijzen naar het advies van de Commissie voor regularisatie; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Minister vermeldt door de Commissie op de hoogte te zijn gesteld van verzoekers niet gerechtvaardigde afwezigheid op de zitting van 20 september 2001 en dergelijke afwezigheid, overeenkomstig artikel 11 van de wet van 22 december 1999, leidt tot een negatieve beslissing; dat verzoeker niet duidelijk maakt op welk punt deze motivering hem niet in staat stelt te begrijpen op grond van welke juridische en feitelijke overwegingen de door hem bestreden beslissing is genomen derwijze dat hierdoor niet zou zijn voldaan aan het doel van de formele motiveringsplicht; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.1. Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert: “3. Onwettige beslissing Art. 11 Wet van 22 december 1999 In deze werd verzoeker volgens de bepalingen van art. 10 van voormelde wet opgeroepen tegen zitting van 12/07/01 om 15.00 uur waar verzoeker ook effectief aanwezig was. Verwerende partij legt geen oproeping voor, die voldoet aan de bepalingen van art. 10 voor de door haar ingeroepen zitting. Dat verzoeker samen met zijn raadsman en persoonlijke tolk op zitting van 12 juli 2001 is verschenen; dat alsdan verzoeker werd verhoord, zodat de Commissie in de gelegenheid werd gesteld om tot een besluit te komen; dat de uitgestelde zitting van 20 september 2001 wettelijk niet was voorzien; dat het niet verschijnen op een dergelijke zitting, enkel bedoeld op het bijkomend inwinnen van gegevens vanwege het ministerie van vreemdelingenzaken aangaande een eventueel bevel om het grondgebied te verlaten (dat nota bene onbestaande
  3. is)niet kan worden gesanctioneerd onder de bepalingen van art. 11, gekoppeld aan art. 10 met specifiek omschreven wijze van oproeping; Dat om deze reden alleen reeds de betreffende beslissing dient afgewezen te worden wegens verkeerde motivatie; Dat de beslissing van de minister enkel op deze motivatie van art. 11 is gesteund, zodat de enige motivatie van de minister Art 2 Wet van 22 december 1999 Verzoekers zijn van oordeel dat zij niet in de mogelijkheid verkeren om terug te keren naar hun land van herkomst, dit om redenen onafhankelijk van hun wil. Het gebied XIV-13.019-8/12 waar verzoeker voorheen met zijn gezin woonachtig was, is door een aardbeving ernstig vernield en verzoeker heeft in Turkije geen enkele woongelegenheid meer. Bovendien volgen de kinderen van verzoeker in België regelmatig onderwijs en zijn zij volledig geïntegreerd in de Belgische samenleving, wat blijkt uit de diverse stukken. Dat de Commissie oordeelde dat verzoeker geen enkel bewijs kon bijbrengen van ononderbroken verblijf in het Rijk gedurende een periode van zes jaar of van enige duurzame sociale binding; dat de Commissie elk bijgebracht document door verzoeker miskent; Dat verzoeker, voor zover hij enkel onder toepassing van art. 2.4 zou kunnen vallen van de toepasselijke wet van 22/12/1999 slechts een verblijf van 5 jaar zou dienen te bewijzen; dat deze periode juist is vastgelegd vanuit de veronderstelling dat het niet redelijk is om een aanvrager na meer dan vijf jaar nog terug naar zijn land van herkomst te wijzen; dat door het lang aanslepen van de procedure en de eindbeslissing van de minister inmiddels verzoeker reeds meer dan zes jaar met zijn gezin in België verblijft, zodat het humanitair niet meer verantwoord is verzoeker en zijn familie terug te zenden; Dat verzoeker op de oproepingszitting van 12 juli 2001 diverse medische attesten heeft bijgebracht, waaruit blijkt dat hij reeds in het verleden bij herhaling op controle is geweest bij de familiedokter te België; dat verzoeker eveneens een aantal rekeninguittreksels heeft bijgebracht, waaruit mag blijken dat verzoeker wel degelijk in België belangen had, dat verzoeker de schoolresultaten van de kinderen bijbrengt; Dat de commissie de gelegenheid heeft gehad tot verhoor en tot onderzoek van het dossier; dat de motivatie aangaande de integratie van verzoeker totaal verkeerd werd genomen, nu verzoeker wel degelijk bewijs bijbrengt dat hij was opgenomen in het arbeidscircuit en dat hij hiertoe zijn sociale bijdragen afdroeg Dat het leveren van bewijs niet mag worden doorgetrokken tot bewijs van het onmogelijke; dat immers de wetgeving juist tot doel had een aantal onregelmatig op het grondgebied verblijvende vreemdelingen te regulariseren; dat door de eis van de Commissie tot een overdreven ver doorgedreven bewijslast, tot het onmogelijke toe, deze doelstelling wordt miskend; dat het immers juist is wegens gebrek aan inschrijving bij de bevolkingsdiensten, dat verzoeker een dergelijke aanvraag tot regularisatie heeft ingediend; Dat verzoeker alleszins bewijs heeft geleverd dat hij in België als zelfstandige is ingeschreven met afdraging van bijdragen als zelfstandige en dat hij in België werk heeft gezocht; dat het feit dat verzoeker zich ter zitting liet bijstaan door een tolk, niet mag worden geïnterpreteerd als een gebrek aan wil tot integratie; dat deze bijstand enkel kadert in de wil tot een optimale verdediging voor de Commissie: dat de commissie hieruit een totaal verkeerde conclusie heeft getrokken; dat een dergelijke foutieve motivering gelijkstaat aan afwezigheid van motivering; dat om deze redenen de beslissing van de minister eveneens onwettig is”; 2.3.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “2.3 Betreffende een derde middel van de verzoekende partij. In een derde en laatste middel verwijst verzoeker naar het art. 11 van de Regularisatiewet dd. 22.12.1999, en poneert hij dat er sprake zou zijn van een "onwettige beslissing". Ter ondersteuning van het derde middel voert de verzoekende partij aan dat: - de verwerende partij geen oproeping voorlegt voor de zitting dd. 20.09.2001 die voldoet aan de bepalingen van art. 10 van de Regularisatiewet dd. 22.12.1999, - het ter zitting dd. 12.07.2001 uitstellen van de behandeling van de zaak niet wettelijk is voorzien, en het niet verschijnen op een dergelijke zitting, niet kan worden gesanctioneerd onder de bepalingen art. 11 van de Regularisatiewet dd. 22.12.1999. Betreffende verzoekers kritiek dat de verwerende partij geen oproeping voorlegt voor de zitting dd. 20.09.2001 die voldoet aan de bepalingen van art. 10 van de Regularisatiewet dd. 22.12.1999, merkt de verwerende partij op dat de voormelde kritiek feitelijke grondslag mist, nu uit de stukken van het administratief dossier afdoende blijkt dat verzoeker, zowel voor de zitting dd. 12.07.2001 als deze van 20.09.2001 conform het art. 10 van de Regularisatiewet dd. 22.12.1999 werd opgeroepen. XIV-13.019-9/12 Inderdaad blijkt uit de stukken van het administratief dossier dat aan verzoeker op 14.09.2001 conform het voormelde art. 10 werd kennis gegeven door tussenkomst van politiediensten van de plaats waar betrokkene verblijft. De verwerende partij is de mening toegedaan dat dit onderdeel van verzoekers derde middel niet kan worden aangenomen. Betreffende verzoekers kritiek dat het ter zitting dd. 12.07.2001 uitstellen van de behandeling van de zaak niet wettelijk is voorzien, en het niet verschijnen op een dergelijke zitting, niet kan worden gesanctioneerd onder de bepalingen art. 11 van de Regularisatiewet dd. 22.12.1999, laat de verwerende partij gelden dat indien de mogelijkheid tot het uitstellen van een zaak naar een latere zitting al niet zou blijken uit art. 10 van de Regularisatiewet dd. 22.12.1999, waar wordt gesproken over “de oproepingen van de Commissie voor regularisatie" (vetschrift en onderlijning toegevoegd), het voormelde in elk geval ook niet wordt verboden door één of andere rechtsregel, laat staan op straffe van nietigheid. Het uitstellen van een zaak naar een latere zitting om de vreemdeling toe te laten bijkomende informatie te verschaffen of om de Commissie voor regularisatie toe te laten het nodige onderzoek te voeren, kan uiteraard geenszins de eventuele nietigverklaring van de in casu bestreden beslissing verantwoorden. In casu werd verzoeker conform art. 10 van de Regularisatiewet dd. 22.12.1999 opgeroepen voor de zitting dd. 20.09.2001, zitting waarop hij niet gerechtvaardigd afwezig was, en besliste de Federale Minister voor Binnenlandse Zaken geheel terecht en conform de ter zake relevante wetsbepalingen, het art. 11 incluis, dat de voormelde afwezigheid tot een negatieve beslissing leidt. Verzoekers beschouwingen kunnen aan voorgaande geen afbreuk doen. De verwerende partij is derhalve de mening toegedaan dat verzoekers derde middel niet kan worden aangenomen. 2.4 Betreffende verzoekers uiteenzetting, aangaande het art. 2 van de Regularisatiewet dd. 22.12.1999. Bij lezing van verzoekers inleidend verzoekschrift blijkt deze tevens een uiteenzetting naar voor te brengen aangaande de beoordeling van de Commissie voor regularisatie aangaande het door de verzoekende partij ingeroepen criteria, vervat in het art. 2 van de Regularisatiewet. De verwerende partij acht de voormelde uiteenzetting niet dienstig, nu de in casu bestreden beslissing dd. 04.03.2002 enkel “verwijst” naar het advies van de Commissie voor regularisatie, waarvan de motivering, houdende de beoordeling van het door de verzoekende partij ingeroepen criteria geenszins werd overgenomen. De bestreden beslissing dd. 04.03.2002 van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken stelt enkel vast dat verzoeker ter zitting dd. 20.09.2001 niet gerechtvaardigd afwezig was, en overeenkomstig art. 11 van de Wet dd. 22.12.1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, deze niet gerechtvaardigde afwezigheid (automatisch) leidt tot een negatieve beslissing. Bovendien dient er op te worden gewezen dat, gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover het bestuur te dezen beschikt, de Raad van State het niet als zijn bevoegdheid kan beschouwen om verzoekers verblijfsregularisatieaanvraag aan een volledig nieuw feitelijk onderzoek te onderwerpen. Er kan slechts worden geverifieerd of de verwerende partij in het geval van verzoeker geen kennelijk onredelijke invulling heeft gegeven aan de voor de beoordeling van zijn verblijfsregularisatieaanvraag relevante wettelijke begrippen De verwerende partij is de mening toegedaan dat in casu, zoals hierboven reeds werd uiteengezet, de Federale Minister van Binnenlandse Zaken handelde binnen de hem ter zake toebedeelde bevoegdheid en conform de ter zake relevante rechtsregels.”; 2.3.3.1.1. Overwegende dat in een eerste onderdeel verzoeker de schending aanvoert van artikel 11 van de Regularisatiewet; 2.3.3.1.2. Overwegende dat verzoekers argumentatie, met name dat voor de hoorzitting van 20 september 2001 geen oproeping werd gedaan conform artikel 10 van de XIV-13.019-10/12 voormelde wet, feitelijke grondslag mist; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de oproepingsbrief voor de zitting van 20 september 2001 per gewone post aan hem en zijn raadsman werd verstuurd alsook door tussenkomst van de gemeentepolitie aan hem werd ter kennis gebracht; dat verzoeker voor ontvangst tekende op 14 september 2001; dat de artikelen 10 en 11 van de Regularisatiewet luiden als volgt: “Art. 10. De oproepingen van de Commissie voor regularisatie worden rechtsgeldig bezorgd op het in artikel 9, 5/, bedoelde adres, per gewone post en, met toepassing van artikel 25 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, door tussenkomst van de gemeentepolitie van de plaats waar de aanvrager verblijft. Elke adreswijziging moet onmiddellijk per aangetekende brief worden medegedeeld aan de Commissie voor regularisatie en aan de burgemeester van de plaats waar de aanvrager verblijft. Art. 11. De niet-gerechtvaardigde afwezigheid van de aanvrager op de in artikel 10 bedoelde oproeping zal automatisch leiden tot een negatieve beslissing.”; dat uit deze bepalingen niet kan worden afgeleid dat er slechts één oproeping mogelijk is; dat evenmin blijkt dat de aanvrager enkel bij de eerste oproeping aanwezig dient te zijn en slechts dan de sanctie van artikel 11 kan worden toegepast; dat deze zienswijze steun vindt in de voorbereidende werken, die hebben geleid tot de Regularisatiewet; dat uit de parlementaire werkzaamheden blijkt dat artikel 11 “bepaalt dat de niet gerechtvaardigde afwezigheid van de aanvrager ingevolge een oproeping automatisch een negatieve beslissing inhoudt. Deze bepaling wordt verantwoord door de waarborgen die zijn voorzien opdat betrokkene zou op de hoogte gesteld worden van de oproeping (keuze woonplaats, tussenkomst gemeentepolitie)” (Gedr. St., Kamer 1999-2000, doc 50 0234/001, 17); dat overigens de Minister van Binnenlandse Zaken heeft geantwoord dat “inschikkelijkheid ten opzichte van een aanvrager die niet op een oproeping ingaat, misplaatst is. De wetgever moet hem evenwel de mogelijkheid bieden aan te tonen dat zijn afwezigheid gewettigd is” (Gedr. St., Kamer 1999-2000, doc.50 0234/005, 90); dat bovendien blijkt dat verzoeker op de zitting van 12 juli 2001 instemde met de beslissing om de zitting uit te stellen naar 20 september 2001; dat, gelet op het voorgaande, in alle redelijkheid kon worden vastgesteld dat verzoeker niet gerechtvaardigd afwezig was op de zitting van 20 september 2001 en de Minister krachtens artikel 11 van de Regularisatiewet een negatieve beslissing kon nemen betreffende de regularisatieaanvraag van verzoeker; dat het eerste onderdeel van het derde middel niet gegrond is; 2.3.3.2.1. Overwegende dat in een tweede onderdeel verzoeker kritiek uit op de overwegingen van het advies met betrekking tot de toepassing van artikel 2,4/ van de Regularisatiewet; XIV-13.019-11/12 2.3.3.2.2. Overwegende dat verzoekers uiteenzetting niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden, aangezien daaruit blijkt dat de Minister de overwegingen van de Commissie in dit verband niet heeft overgenomen; dat de Minister enkel de vaststelling van de niet-gerechtvaardigde afwezigheid heeft onderschreven en daaraan het bij artikel 11 van de Regularisatiewet opgelegde gevolg verbonden, met name krachtens artikel 11 van de Regularisatiewet leidt de niet-gerechtvaardigde afwezigheid van de aanvrager op de in artikel 10 bedoelde oproeping automatisch tot een negatieve beslissing; dat uit de voormelde bepaling overigens blijkt dat de Minister in beginsel over geen enkele beoordelingsbevoegdheid meer beschikt van zodra de niet-gerechtvaardigde afwezigheid wordt vastgesteld; dat het tweede onderdeel van het derde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig september tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-13.019-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.173 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.