← België

Arrest 149209 - - 21/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.209 Rolnummer: A. 162227/X-12298 Zaak: Arrest 149209 - - 21/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-30 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 00:26 Fiche Arrest nr 149.209 van 21 september 2005 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.209 van 21 september 2005 in de zaak A. 162.227/X-12.

  1. In zake : Axel WINKLER, die woonplaats kiest bij Advocaat A. DE VISSCHER, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Ezelstraat 25 tegen : de gemeente KNOKKE-HEIST, dat woonplaats kiest bij Advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8200 SINT-ANDRIES-BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan
  2. Tussenkomende partij : de n.v. IPROM, die woonplaats kiest bij Advocaat A. COPPENS, kantoor houdende te 8800 ROESELARE, Westlaan
  3. -------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Axel WINKLER op 3 mei 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 18 maart 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente KNOKKE-HEIST waarbij aan de n.v. IPROM de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het oprichten van een appartementsgebouw na afbraak te Knokke-Heist, Jef Mennekenslaan 10, op een perceel kadastraal bekend, Sectie B, nr. 0439A; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-12.298-1/5 Gelet op de beschikking van 27 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 september 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. DE VISSCHER die verschijnt voor verzoeker, van Advocaat A. LUST, die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat A. COPPENS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de n.v. IPROM met een verzoekschrift van 30 mei 2005 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat verzoeker ter terechtzitting aanvullende stukken heeft neergelegd; dat dit niet is voorzien in het procedurereglement betreffende de behandeling van de schorsing; dat deze uit de debatten worden geweerd; Overwegende dat de tussenkomende partij de ontvankelijkheid van de vordering betwist; dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de opgeworpen exceptie uitspraak te doen; dat een onderzoek van en uitspraak over deze exceptie alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; X-12.298-2/5 Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat, wat de tweede door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, verzoeker, die arts is en luidens de vordering tot schorsing woont te Dortmund (Duitsland), uiteenzet dat het gedeelte van de noordelijke zijgevel van de vergunde constructie onmiddellijk paalt aan het open gedeelte van zijn zuidelijk terras, derwijze dat het open gedeelte van dit terras zal worden afgesloten voor een totale oppervlakte, in driehoekvorm, van (minstens) 1, 2 m² doch wellicht zelfs van 1, 6 m², dat hij aldus wordt beroofd van heel wat lichtinval en van een belangrijk stuk uitzicht en het bouwen tot tegen het terras een benauwende ingeslotenheid op zijn terras zal veroorzaken, dat deze nadelen ernstig zijn want manifest zeer ingrijpend voor de leefkwaliteit die anders in het appartement kan worden genoten, dat dit des te meer geldt nu verzoeker zowat de enige gebruiker is van het appartement dat immers nooit verhuurd wordt, hooguit gedeeld met bezoekers; dat voorts verzoeker stelt dat hij een "zeer frequente gebruiker (is) van het appartement"; Overwegende dat de verzoekende partij zich in de uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet mag beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar concrete en precieze gegevens dient aan te brengen waaruit enerzijds de ernst van het nadeel blijkt dat zij ondergaat of dreigt te ondergaan, hetgeen inhoudt dat zij concrete en precieze aanduidingen moet verschaffen omtrent de aard en de omvang van het nadeel dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte kan berokkenen, en waaruit anderzijds het moeilijk te herstellen karakter van het nadeel blijkt; X-12.298-3/5 Overwegende dat verzoeker stelt "enige eigenaar en (quasi) enige (overigens frequente) gebruiker" te zijn van een appartement gelegen aan de Mennekenslaan te Knokke-Heist; dat blijkt dat verzoeker het appartement niet bewoont daar hij in Dortmund (Duitsland) woont; dat derhalve verzoekers appartement dienst doet als tweede verblijf; dat verzoeker zich omtrent het gebruik van dit eigendom als tweede verblijf en het ernstig nadeel dat de tenuitvoerlegging van de bestreden vergunning aan dat gebruik dreigt te veroorzaken, beperkt tot de hiervoor aangehaalde algemene bewering dat hij "zowat de enige gebruiker is van het appartement dat immers nooit verhuurd wordt, hooguit gedeeld met bezoekers, (dat) voorts (...) verzoeker een zeer frequente gebruiker (is) van het appartement"; dat verzoeker, behoudens deze niet door enig stuk of ander bewijsmiddel gestaafde blote bewering, evenwel in gebreke blijft concrete en precieze verduidelijking te geven omtrent het gebruik van zijn eigendom als tweede verblijf en het ernstig nadeel dat de tenuitvoerlegging van de bestreden vergunning aan dat gebruik dreigt te veroorzaken; dat in deze concrete omstandigheden, bij gebreke aan concrete en precieze aanduidingen omtrent de aard en de omvang van het aangevoerde nadeel in zijn hoofde, als eigenaar van een eigendom dat hij niet bewoont, verzoeker niet aannemelijk maakt dat het in algemene bewoordingen uiteengezette nadeel, mocht dit zijn aangetoond, zodanig is dat het als een ernstig nadeel in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan worden beschouwd; dat de uiteenzetting van verzoeker onvoldoende concrete en precieze gegevens bevat waaruit blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen zoals bedoeld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, X-12.298-4/5 BESLUIT: Artikel
  4. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. IPROM in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
  5. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  6. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig september 2005, door : de H. G. DEBERSAQUES, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. G. DEBERSAQUES. X-12.298-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.209 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.594 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.