← België

Arrest 149251 - - 22/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.251 Rolnummer: Zaak: Arrest 149251 - - 22/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-05 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 00:34 Fiche Arrest nr 149.251 van 22 september 2005 - Beslissing : Vernietiging Samenvoeging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.251 van 22 september 2005 in de zaak A. 79.014/XII-1469 A. 81.942/XII-

  1. In zake : I. + II. Ronald VAN SPAENDONK, die woonplaats kiest bij advocaat H. Ketsman, kantoor houdende te Brussel, Schoonslaapsterstraat 29, bus 1 tegen : I. + II. de STAD BRUSSEL, die woonplaats kiest bij advocaat N. Weinstock, kantoor houdende te Brussel, De Roodebeeklaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, I. Gezien het verzoekschrift dat Ronald Van Spaendonck op 18 juni 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “
  3. Het besluit nr. 278 van de Gemeenteraad van de stad Brussel dd. 20 april 1998, waarbij de verwerende partij de voorwaarden wijzigt voor de toegang tot de graad van adviseur bij de Sectie ‘Protocol en Publieke Relaties’ in het departe- ment Organisatie van de stad Brussel door het afschaffen in de personeelsforma- tie van een betrekking van Adviseur en het vervangen van die betrekkingen door een betrekking van Adviseur, het toevoegen van een bijzondere graad Adviseur (Protocol Publieke Relaties) en het vastleggen van het programma van het toelatingsexamen tot de graad van Adviseur (Protocol en Publieke Relaties).
  4. De impliciete weigering van de verwerende partij om verzoeker te benoemen door bevordering in de graad van adviseur in de sectie Protocol en Publieke Relaties in het departement Organisatie van de Stad Brussel.
  5. De Beslissing van de verwerende partij om een openbare oproep voor het examen van Adviseur (Protocol en Publieke Relaties) uit te schrijven, evenals Dienstorder nr. 5031 dd. 20 mei 1998 van de Stad Brussel in verband met de XII-1469-1/22 interne kandidatuurstelling voor de betrekking van Adviseur bij de Sectie ‘Protocol en Publieke Relaties’ in het departement Organisatie.”; (A.79.014) Gelet op het arrest nr. 76.330 van 13 oktober 1998 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 18 november 1998 ingediend door verzoeker; II. Gezien het verzoekschrift dat dezelfde verzoeker op 13 januari 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “
  6. De beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van de Stad Brussel, genomen op een aan verzoeker niet gekende datum, tot homologatie van de uitslag van het door de verwerende partij ingerichte examen voor Adviseur (Protocol en Publieke Relaties) -zittijd 26.6.1998-, en, voor zoveel als nodig, van de beraadslaging van de examencommissie en het daaromtrent opgestelde proces-verbaal, krachtens dewelke verzoeker niet geslaagd is en de genoemde Diane Dasseville wel geslaagd is in genoemd examen, beslissing welke voor wat betreft het niet geslaagd zijn van verzoeker hem ter kennis werd gebracht bij brief van 19 november 1998, evenals voor zoveel als nodig van alle voorbereidende beslissingen met betrekking tot de inrichting van genoemd examen.
  7. De beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van de verweren- de partij, genomen op 19 november 1998 of op elke andere aan verzoeker niet gekende datum, krachtens dewelke de genaamde Diane Dasseville wordt benoemd tot Adviseur en wordt toegelaten tot de stage van Adviseur (protocol en publieke relaties) vanaf 1 november 1998, evenals tot vaststelling van de weddeschaal van betrokkene en tot het nemen van een ontwerpbesluit.
  8. De impliciete weigering van de verwerende partij om verzoeker te benoemen tot Adviseur in de sectie Protocol en Publieke Relaties in het departement Organisa- tie van de Stad Brussel”; (A. 81.942) Gelet op het arrest nr. 81.443 van 29 juni 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; XII-1469-2/22 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 13 augustus 1999 ingediend door verzoeker; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord in beide zaken; Gezien de verslagen in beide zaken opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikkingen van 18 september 2001 en 3 september 2002 die de neerlegging ter griffie van de verslagen en van de dossiers gelasten; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen en gezien de laatste memories in beide zaken; Gelet op de beschikkingen van 7 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 april 2005; Gehoord de verslagen van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. Jacubowitz, die loco advocaat N. Weinstock verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord de eensluidende adviezen van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecöordineerd op 12 januari 1973;
  9. De samenvoeging. Overwegende dat de zaken gekend onder rolnummers A. 79.014 en A. 81.942 door dezelfde verzoeker tegen dezelfde verwerende partij bij de Raad van State zijn aangebracht en in wezen de respectieve ambtelijke relaties betreffen tussen verzoeker, Diane Dasseville en de verwerende partij; dat het dienvolgens passend is, zoals verzoeker vraagt, ze samen te voegen; XII-1469-3/22 Overwegende dat op de vraag van verzoeker, om de zaken ook nog samen te voegen met een zaak die een beroep betreft van Françoise Themelin betreffende de in het geding zijnde beslissingen, niet kan worden ingegaan; dat de Raad van State immers reeds bij arrest nr. 109.720 van 12 augustus 2002 aan Françoise Themelin de afstand toewees van het door haar ingestelde beroep zodat de gevraagde samenvoeging niet langer mogelijk is;
  10. De gegevens van de zaken. Overwegende dat de gegevens van de zaken kunnen worden samengevat als volgt : 2.
  11. Verzoeker werkt als adjunct-adviseur in de sectie relaties van het departement organisatie van de stad Brussel. 2.
  12. Op 3 november 1997 richt verzoeker een brief aan het college van burgemeester en schepenen waarin hij stelt dat als gevolg van de opruststelling van Joseph Van Droogenbroeck, binnen afzienbare tijd een betrekking van adviseur in de sectie relaties vrijkomt en dat hij zich kandidaat stelt voor bevordering in die graad. Krachtens het op 21 juni 1993 aangenomen personeelsstatuut mag deze betrekking enkel bij bevordering worden begeven aan kandidaten die adjunct-adviseur zijn en die drie jaar graadanciënniteit bezitten. 2.
  13. Op voorstel van het college van burgemeester en schepenen schaft de gemeenteraad op 20 april 1998 een betrekking van adviseur in de sectie relaties van het departement organisatie af en vervangt deze door de betrekking van “adviseur (protocol en publieke relaties)”. De betrekking van deze nieuwe, bijzondere graad kan slechts bij aanwerving worden begeven aan iemand die geslaagd is voor een toelatingsexamen, die het diploma heeft vereist voor betrekkingen van niveau 1 in de Rijksbesturen en die 5 jaar ervaring heeft in het domein van het protocol en de publieke relaties. In dezelfde zitting stelt de gemeenteraad het examenprogramma vast. Dit is de eerste bestreden beslissing in de zaak nr. A. 79.
  14. XII-1469-4/22 2.
  15. Het examenprogramma voorziet in vier proeven met volgende puntenverhouding : “ maximum vereist minimum I. Schriftelijk gedeelte over de algemene vorming 50 30 Samenvatting en commentaar van een voordracht over een onderwerp van algemene aard II. Mondeling gedeelte over onderwerpen van 50 30 algemene aard Gesprek van de hak op de tak III. Mondeling gedeelte in verband 100 60 met de uit te oefenen functie Gesprek van de hak op de tak IV. Mondeling gedeelte over de kennis van talen - Gesprek in het Frans 20 12 - Gesprek in het Engels 20 12 - Gesprek in het Duits, Spaans of Italiaans, 20 12 naar keuze van de kandidaten.”; 2.
  16. Bij dienstorder nr. 5031 van 20 mei 1998 van het college wordt de datum voor het indienen van de kandidaturen vastgesteld op 26 juni
  17. Achttien kandidaturen worden ontvangen. De beslissing om een openbare oproep van het voornoemde examen uit te schrijven en het voormelde dienstorder vormen het derde voorwerp van de zaak nr. A.79.
  18. 2.
  19. Bij beslissing van 6 augustus 1998, aangevuld op 8 oktober 1998, stelt het college van burgemeester en schepenen de examenjury samen. Op 1 oktober 1998 verwerpt het college van burgemeester en schepenen twaalf kandidaturen omdat zij niet voldoen aan de voorwaarde van de vereiste ervaring. 2.
  20. Aan het examen nemen drie kandidaten deel : verzoeker, Diane Dasseville en Anny Maervoet. Blijkens het proces-verbaal van de examenverrichtingen, opgemaakt door de examenjury op 26 oktober 1998, slaagt alleen Diane Dasseville XII-1469-5/22 voor het examen. Verzoeker behaalt op de eerste en de tweede proef wel een betere uitslag (verzoeker : 38/50 en 35/50; Dasseville : 36/50 en 30/50), zoals op de vierde proef waar verzoeker 18, 17 en 15/20 en Dasseville 17, 15 en 12/20 behaalt. Voor de derde proef krijgt verzoeker echter 40/100 en Dasseville 80/
  21. Op 24 november 1998 neemt verzoeker ervan kennis dat hij niet geslaagd is in het examen. 2.
  22. Het college van burgemeester en schepenen bekrachtigt op 29 oktober 1998 de beslissing van de examenjury en besluit op 19 november 1998 Diane Dasseville met ingang van 1 november 1998 toe te laten tot de stage als adviseur (protocol en publieke relaties) bij het departement organisatie. Deze beide beslissingen vormen het eerste en tweede voorwerp van het beroep in de zaak nr. A.81.
  23. 2.
  24. Tussen partijen wordt niet betwist dat het college van burgemeester en schepenen op 9 december 1999 de beslissing nam om Diane Dasseville aan te stellen tot adviseur (protocol en publieke relaties). In de beide zaken breidt verzoeker in zijn laatste memorie zijn beroep tot nietigverklaring uit tot deze beslissing;
  25. De excepties in de zaak nr. A. 79.
  26. 3.
  27. Overwegende, wat het tweede voorwerp van het beroep betreft, namelijk de impliciete weigering om verzoeker te bevorderen, dat de verwerende partij betoogt dat deze beslissing niet bestaat en het beroep op dat punt zonder voorwerp is; Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift met betrekking tot het tweede voorwerp stelt dat verwerende partij door het nemen van de eerste bestreden beslissing eensdeels erkent dat de betrokken functie vacant is en dat zij “deze vacature wenst op te vullen” terwijl zij anderdeels impliciet weigert verzoeker, die zich als enige kandidaat heeft gesteld, te bevorderen; dat verzoeker in de laatste memorie benadrukt dat uit de door hem aangehaalde gegevens blijkt dat er wel degelijk een verband bestaat tussen het afschaffen van de betrekking van adviseur en XII-1469-6/22 zijn bevorderingsmogelijkheden, dat zijn kansen om adviseur (protocol en publieke relaties) te worden ingrijpend zijn gewijzigd aangezien hij, indien de eerste bestreden beslissing niet had bestaan, als enige in aanmerking kwam om te worden bevorderd tot adviseur-protocol; Overwegende dat verzoeker de weigering om hem tot adviseur te benoemen afleidt uit de op 20 april 1998 door de gemeenteraad van Brussel aan de personeelsformatie aangebrachte wijziging, het eerste voorwerp van zijn vordering; dat die beslissing, omdat zij een algemeen en onpersoonlijk karakter heeft, als zodanig wel ook voor verzoekers situatie gevolgen zal hebben, maar dat daaruit - zeker niet in dit concrete geval waarin de gemeenteraad op geen enkele wijze het verband lijkt te hebben gelegd tussen de afschaffing van de betrekking van adviseur en de bevorderingsmogelijkheden van verzoeker- niet mag worden afgeleid dat de gemeenteraad met zijn uitdrukkelijke beslissing meteen ook impliciet een voor verzoeker negatieve beslissing genomen heeft; dat, in elk geval, hoewel de wijziging van de personeelsformatie met de eerste bestreden beslissing tot gevolg heeft dat verzoekers kans om in de bedoelde betrekking te worden benoemd is verminderd, hij daartoe toch nog steeds een kans heeft; dat hij door de eerste bestreden beslissing niet van benoeming wordt uitgesloten; dat het tweede voorwerp van de vordering niet bestaat en het beroep in zoverre niet ontvankelijk is; 3.
  28. Overwegende, wat het derde voorwerp van het beroep betreft, namelijk de beslissing een openbare oproep voor het examen en een dienstorder voor interne kandidatuurstelling voor de betrokken functie uit te vaardigen, dat die beslissingen van het college van burgemeester en schepenen louter voorbereidend zijn ten opzichte van de beslissing waarbij de nieuw ingestelde betrekking wordt begeven; dat het beroep zich aldus richt tegen niet voor nietigverklaring vatbare handelingen en in zoverre niet ontvankelijk is; 3.
  29. Overwegende, wat het beroep in zijn geheel betreft maar, gelet op hetgeen hiervoor onder randnummers 3.
  30. en 3.
  31. is vastgesteld, enkel nog te betrekken op het eerste voorwerp, dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord een exceptie aanvoert waarin zij verzoeker belang ontzegt bij zijn vordering omdat verzoeker zijn belang afhankelijk stelt van de eventuele aanstelling van een andere kandidaat en dat het bijgevolg om een “zuiver eventueel of louter potentieel” belang gaat; XII-1469-7/22 Overwegende dat de betrekking die verzoeker ambieert voorheen uitsluitend bij wijze van bevordering kon worden begeven; dat de eerste bestreden beslissing ertoe leidt dat deze betrekking bij wijze van aanwerving wordt begeven zodat verzoekers kansen om deze te verkrijgen verminderen; dat het tegengaan daarvan verzoeker voldoende en blijvend belang verschaft bij zijn beroep bij de Raad van State;
  32. De uitbreiding van het voorwerp van de beroepen tot de aanstelling van Diane Dasseville van 9 december 1999 en de daarmee verband houdende exceptie in de zaak nr. A. 79.
  33. 4.
  34. Overwegende dat de verwerende partij in de zaak A. 79.014 in de laatste memorie in een exceptie aanvoert dat Diane Dasseville bij beslissing van 9 december 1999 van de gemeenteraad werd “benoemd tot adviseur “protocol en publieke relaties”, dat mag worden aangenomen dat verzoeker hiervan dadelijk op de hoogte was, dat, zelfs indien dit niet het geval zou zijn geweest, hij alleszins kennis kreeg van deze beslissing via het schrijven van 31 januari 2000 van de raadsman van verwerende partij aan zijn raadsman waarbij werd meegedeeld dat het betrokken stuk ter griffie werd neergelegd, dat verzoeker heeft nagelaten dit besluit tijdig aan te vechten door hetzij een annulatieberoep in te dienen, hetzij een uitbreiding van het voorwerp van zijn beroepen te vragen, dat bijgevolg de benoeming van Diane Dasseville niet meer kan worden nietigverklaard zodat verzoeker geen belang meer heeft zijn beroep in de zaak nr. A. 79.014 dat hem geen voordeel meer kan opleveren; 4.
  35. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie van 24 oktober 2001 in de zaak nr. A. 79.014 meedeelt dat hij “sedert de neerlegging van zijn memorie van wederantwoord heeft [..] vernomen dat bij besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van de Stad Brussel dd. 09 december 1999 Mevrouw Diane Dasseville vast ‘bevorderd’ werd tot adviseur (protocol en publieke relaties”; dat hij daarin voorts stelt dat “het voorwerp van het [...] ingediende annulatieverzoek dient [...] te worden uitgebreid tot deze afgeleide nagekomen beslissing”; dat hij overigens ook in zijn laatste memorie van 23 oktober 2002 in de zaak nr. A. 81.942 vraagt de “bestreden beslissingen met inbegrip van ‘het voormelde besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van 9 december 1999’ nietig te verklaren”; XII-1469-8/22 Overwegende dat verzoeker aldus ondubbelzinnig het voorwerp van zijn twee beroepen heeft uitgebreid naar de definitieve benoeming van Diane Dasseville, terwijl hij haar aanstelling als stagedoend reeds had bestreden in de zaak nr. A. 81.443; dat in beide zaken verzoekers memories van wederantwoord dateren van vóór de voormelde definitieve benoeming van 9 december 1999, namelijk van 24 februari 1999 (zaak nr. A. 79.014) en van 2 december 1999 (zaak nr. A. 81.942); dat verzoeker aldus in het eerstvolgende nuttig procedurestuk namelijk zijn laatste memories om uitbreiding heeft verzocht zodat moet worden besloten dat hij de voormelde uitbreiding tijdig deed; dat verzoeker bij zijn beroep nr. A. 79.014 nog steeds over het vereiste belang beschikt en de exceptie niet wordt aangenomen;
  36. De grond van de zaak nr. A. 79.
  37. 5.
  38. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel schending aanvoert “van de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde grondwet van 17.02.1994, van beginselen van behoorlijk bestuur, ondermeer van de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, van het zorgvuldigheidsbeginsel, van het redelijkheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, machtsafwending.”; dat hij daartoe betoogt dat de beslissing lijkt te steunen op een verslag van het college van burgemeester en schepenen waarin de specifieke functie van adviseur protocol en publieke relaties en het voor die functie vereiste bijzonder profiel verantwoord wordt door de rol die de ambtenaar zal moeten spelen bij het vestigen van het imago van de stad als Europese hoofdstad en waarin om die reden gepleit wordt voor een zo ruim mogelijke keuze waarbij ook de in dienst zijnde ambtenaren desgevallend een rol kunnen spelen; dat hij evenwel van oordeel is, eerste onderdeel, dat de beslissing zelf geen motieven bevat en dat de verwijzing naar het verslag van het college van burgemeester en schepenen niet als motief van de beslissing aangenomen kan worden; dat hij in het tweede onderdeel van het middel betoogt dat het gemeenteraadsbesluit, doordat het ingrijpt op een situatie waarin de betrekking van adviseur bij de sectie relaties reeds vacant was en waarin hij zich reeds kandidaat had gesteld, retroactieve werking wordt gegeven, zijn rechten schaadt; dat hij in het derde onderdeel van het middel stelt dat aan het gemeenteraadsbesluit andere motieven dan die vermeld in het verslag van het schepencollege ten grondslag liggen -te weten de bedoeling om niet verzoeker, maar een ander persoon te benoemen- en dat de in dat verslag uiteeng- ezette redenen niet wijzen op enige noodzaak om een nieuwe betrekking van adviseur in te stellen; dat hij tenslotte in het vierde onderdeel van het middel betoogt dat de XII-1469-9/22 gemeenteraadsbeslissing afwijkt van de algemene regel dat benoemingen in de graad van adviseur in het stadsbestuur bij bevordering begeven worden; Overwegende dat de verwerende partij tegenwerpt in haar memorie van antwoord dat de wet van 29 juli 1991 alleen van toepassing is op eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking, dat verzoeker er geen recht op heeft dat de personeelsformatie in ongewijzigde vorm blijft voortbestaan, dat hij het bestaan van machtsafwending niet aantoont en dat zulks ook niet blijkt uit het feit dat externe kandidaten in de nieuwe graad kunnen benoemd worden, dat de Raad van State niet in de plaats van de overheid kan beslissen over de noodzaak om een nieuwe betrekking van adviseur in te stellen en dat de bevorderingsmogelijkheden van de ambtenaren wel degelijk van elkaar mogen verschillen voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord vooraleer onderdeel per onderdeel te repliceren, een aantal feiten uiteenzet om aan te tonen dat de benoemingsvoorwaarden werden gewijzigd teneinde Diane Dasseville en niet hem tot adviseur te benoemen en wel als volgt : - ten tijde van de eerste bestreden beslissing was hij de enige die voor bevordering in aanmerking kwam, hij bezat 18 jaar anciënniteit in niveau 1, hij werd op basis van een specifiek examen aangeworven voor de dienst protocol en publieke relaties en stelde zich als enige kandidaat voor de betrokken functie van adviseur; - na de pensionering van Joseph Van Droogenbroeck werd geen waarnemend adviseur aangesteld hetgeen onlogisch is, gezien door het belang dat verwerende partij hecht aan deze functie, normaal mocht worden verwacht dat verzoeker, die adjunct-adviseur is, zou worden aangeduid om de functie tijdelijk waar te nemen, hetgeen niet gebeurde; - Diane Dasseville gebruikte reeds vóór het examen een visitekaartje met de vermelding “Protocolgelastigde” en ondertekende documenten in deze hoedanig- heid, zij stond ook in voor de voorbereiding van de begroting van het jaar 1999 voor de sectie protocol en publieke relaties terwijl aan hem enkel werd gevraagd hoeveel er op de uitgavepost moest worden voorzien voor het uitgeven van het gemeentelijk informatieblad; uit dit alles blijkt dat verwerende partij niet van plan was verzoeker tot adviseur te benoemen, bovendien werd hij geschrapt van de ledenlijst van de commissie van het kledingfonds terwijl Diane Dasseville wel lid bleef van deze commissie, hoewel zij zijn ondergeschikte was; XII-1469-10/22 - verwerende partij heeft niet “steeds” willen teruggrijpen naar een oude bekommernis nopens de specificiteit van het ambt : in 1978 was het te begeven door bevordering en/of door aanwerving, vervolgens werd de aanwervingsmogelijkheid geschrapt en sinds 1995 werd daar niet naar teruggegrepen : niet bij het wijzigen van het algemeen statuut in 1995 en niet bij het uitvaardigen van bijkomende uitvoeringsmaatregelen inzake het sociaal handvest in 1997; daarnaast kan de vraag worden gesteld waarom verwerende partij het statuut van bestuurssecretaris en adjunct-adviseur in dezelfde sectie niet verandert; - het eerste bestreden besluit geeft geen nieuwe inhoud aan de functie van adviseur, hoogstens worden de functiebeschrijving en de eraan verbonden taken anders geformuleerd; - de eerste bestreden beslissing staat in schril contrast met het organigram van het departement organisatie dat voorziet dat men door bevordering bestuurssecretaris en adjunct-adviseur kan worden; ook om eerste adviseur en directeur-generaal te worden zijn geen examens voorzien; enkel om adviseur te worden wordt een wervingsexamen ingesteld; - de gevraagde vijf jaar ervaring in protocol en publieke relaties is een fictieve voorwaarde aangezien studenten in het laatste jaar van studies die leiden tot het vereiste diploma aan het examen mogen deelnemen en Diane Dasseville slechts drie jaar en zes maanden ervaring had in protocol en publieke relaties daar zij pas sinds 1 januari 1995 effectief werkzaam is geweest in de sectie relaties; bijgevolg had Diane Dasseville niet mogen deelnemen aan het examen, doch dit werd omzeild door in de voorwaarden te voorzien dat het college van burgemeester en schepenen oordeelt over de gegrondheid van de ingeroepen ervaring; - de vermelding in de beslissing van 20 april 1998 dat reeds aanwezig personeel ook kan deelnemen is overbodig aangezien iedereen mag deelnemen aan een wervingsexamen; - Diane Dasseville werd bevoordeeld doordat zij sinds het vertrek van Joseph Van Droogenbroeck de kans kreeg zich optimaal voor te bereiden doordat zij een ruime bevoegdheid kreeg inzake protocol en deelnam aan allerhande externe vormingssessies en seminaries terwijl hijzelf naar het administratief centrum was overgeheveld zodat hij geen recepties en plechtigheden meer diende te leiden, wat hij voorheen meermaals per week deed; - het examenprogramma werd op maat van Diane Dasseville geschreven doordat op één vraag na bijna alle vragen over protocol handelden en niet over public XII-1469-11/22 relations, Duits een keuzetaal wordt omdat Diane Dasseville Duits-onkundig is en de kennis van de functie bij de mondelinge proeven wordt ondergebracht; - er was minstens een schijn van partijdigheid aanwezig doordat meerdere juryleden geen onbekenden zijn van Diane Dasseville, daarenboven was de samenstelling van de jury voor de mondelinge proeven eenzijdig zodat er bij gebrek aan specialisten inzake public relations en communicatie geen vragen werden gesteld over deze materies; - er namen geen externe kandidaten deel aan het examen omdat zij niet of niet tijdig werden uitgenodigd; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie nog bijkomend poogt aan te tonen, door een aantal feitelijke situaties aan te geven, dat Diane Dasseville, in tegenstelling tot hetgeen in de functiebeschrijving is bepaald, enkel de functie van protocolchef vervult; 5.
  39. Overwegende, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker in zijn memorie van wederantwoord doet gelden, de eerste bestreden beslissing geen rechtshandeling met individuele strekking is; dat bijgevolg de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen die luidens zijn artikel 1 enkel eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking betreft niet van toepassing is op het eerste bestreden besluit; dat het eerste onderdeel niet gegrond is; Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat een bestuurlijke beslissing in principe geen terugwerkende kracht heeft; dat nergens blijkt dat te dezen een dergelijke retroactieve werking werd ingesteld aangezien enkel wordt voorgeschreven dat de voorheen geldende voorwaarden in de toekomst niet langer van toepassing zullen zijn; dat de betrekking van adviseur zelfs nog niet was vacantverklaard op het ogenblik dat tot de afschaffing van die graad werd beslist; dat aldus, mede in acht genomen dat een ambtenaar geen absoluut recht heeft op het behoud van de statutaire bepalingen die op een bepaald ogenblik op zijn situatie van toepassing zijn, verzoeker dan ook ten onrechte betoogt dat in zijnen hoofde enig recht of gerechtvaardigde aanspraak zou zijn miskend door het vervangen van een door hem geambieerde betrekking door een nieuwe betrekking waarvoor de toegang wordt verzwaard; dat het tweede onderdeel niet gegrond is; XII-1469-12/22 Overwegende, wat het derde en vierde onderdeel betreft, dat verzoeker niet aantoont dat de eerste bestreden beslissing op niet-veruitwendigde motieven zou zijn gegrond; dat, integendeel, de overwegingen in het door verzoeker gekende verslag van het college van burgemeester en schepenen aan de gemeenteraad in de lijn liggen van eerdere beslissingen van de gemeenteraad; dat immers uit het dossier blijkt dat reeds in 1978, bij de oprichting van de “Dienst van het Protocol en de publieke Relaties” werd geoordeeld dat aan de directeur van deze dienst een “bijzonder statuut” diende te worden toegekend, dat “de kennis van meerdere talen onontbeerlijk is”, dat hem contacten zouden worden opgedragen met “zeer uiteenlopende organisaties” en die de stad diende te vertegenwoordigen “in sommige bijzondere omstandigheden”; dat in 1993 de dienst “protocol en publieke relaties” werd omgevormd tot de “sectie relaties” binnen het nieuwe departement “organisatie” en dat de graad van directeur werd geherklasseerd tot een niet-specifieke betrekking van adviseur; dat het college van burgemeester en schepenen echter, door in het voornoemde verslag te stellen dat “uit ervaring” blijkt dat het gaat om “specifieke functies die een bijzonder profiel vereisen vanwege deze hoge ambtenaar en, bijgevolg, geactualiseerde toelatingsvoorwaarden” en dat het noodzakelijk is “de grootst mogelijke keuze toe te laten”, juist terugkeert naar de motieven die aan de oprichting van de dienst ten grondslag lagen, eerder dan een structuur op te zetten om verzoekers bevordering te ontlopen; dat het voorts aannemelijk voorkomt dat het gegeven dat Brussel Europese hoofdstad is niet in gewicht afneemt, wel integendeel, en dat een zo goed mogelijk imago voor verwerende partij van het grootste belang is; dat verwerende partij het vanuit die bekommernis nodig heeft geacht de toelatingsvoorwaarden te wijzigen en ze opnieuw te formuleren zoals ten tijde van de oprichting van de dienst het geval was; dat van de motieven zoals zij zijn verwoord niet kan worden gezegd dat ze niet zouden stroken met de feiten of dat ze rechtens niet zouden kunnen worden aangevoerd; dat ten slotte het feit dat deze wijziging niet werd doorgevoerd in 1995 en 1997 en dat de functie van adviseur in andere secties een bevorderingsambt is, hetgeen verzoeker oppert in zijn memorie van wederantwoord, niet van aard is voormelde conclusie in verband met de motieven aan te tasten; dat de motivering de deugdelijkheidstoets kan doorstaan, dat het derde en vierde onderdeel niet gegrond zijn; dat het eerste middel in zijn geheel niet gegrond is; 5.
  40. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel schending inroept van het sociaal handvest van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, van de bepalingen van dienstorder nr. 5001 van 2 oktober 1997, van de “beginselen van XII-1469-13/22 behoorlijk bestuur en van de regel patere legem quam ipse fecisti” doordat het eerste bestreden besluit de toegang tot de graad van adviseur in de sectie relaties van het Departement Organisatie wijzigt door het afschaffen van het systeem van de bevordering en het inrichten van een wervingsexamen terwijl voornoemd sociaal handvest bepaalt in zijn artikel 7.7.
  41. dat aanwerving in een bevorderingsgraad enkel mogelijk is wanneer geen interne kandidaat gevonden wordt die voldoet aan de bevorderingsvoorwaarden; dat verzoeker voorts stelt dat volgens dienstorder nr. 5001, dat de personeelsformatie van alle departementen heeft vastgelegd en kenbaar gemaakt, de graad van adviseur in de sectie relaties een bevorderingsgraad is zodat een kandidaat, om in aanmerking te komen voor bevordering, reeds adjunct-adviseur in de sectie relaties moet zijn en over de vereiste graadanciënniteit moet beschikken en dat hij aan deze bevorderingsvoorwaarden voldeed toen het bestreden besluit werd genomen; Overwegende dat uit de bepaling dat een betrekking niet bij aanwerving mag worden begeven als binnen het bestuur kandidaten aanwezig zijn die in aanmerking komen om in die betrekking te worden bevorderd, niet volgt dat het bestuur niet meer de bevoegdheid zou hebben om, op goede gronden een wijziging aan de personeelsformatie door te voeren die erin bestaat een betrekking te vervangen door een nieuwe betrekking waaraan andere benoemingsvereisten zijn gekoppeld; dat het tweede middel niet gegrond is; 5.
  42. Overwegende dat verzoeker in een derde middel betoogt dat de impliciete beslissing hem niet te benoemen de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het grondwettelijk gelijkheids- beginsel en de zorgvuldigheidsplicht schendt en door machtsafwending is ingegeven; Overwegende dat het middel enkel is gericht tegen het tweede voorwerp van het beroep; dat het beroep op dat punt onder randnummer 3.
  43. niet ontvankelijk is bevonden; dat het middel dienvolgens niet dienstig is; 5.
  44. Overwegende dat dienvolgens het beroep in de zaak nr. A. 79.014 in zijn geheel dient te worden afgewezen, nu het ofwel niet ontvankelijk is, ofwel geen gegronde middelen bevat; XII-1469-14/22
  45. De exceptie in de zaak nr. A.81.
  46. Overwegende dat in het auditoraatsverslag wordt geconcludeerd tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep wat het derde voorwerp betreft wegens gebrek aan belang; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie tegenwerpt niet te betwisten dat zijn beroep tegen de impliciete weigering hem te benoemen niet ontvankelijk is, tenzij die weigering wordt bekeken in het licht van zijn beroep nr. A 79.014, waarin hij de “enige kandidaat voor de betrekking van adviseur [was] die aan alle gestelde voorwaarden beantwoordde” en dat het beroep tegen de impliciete weigering “in die context” dan ook ontvankelijk is; Overwegende evenwel dat hiervoor, onder randnummer 5.5, is gebleken dat het beroep nr. A.79.014 dient te worden verworpen; dat gelet op de voormelde verklaringen van verzoeker hij dienvolgens geacht wordt afstand te hebben gedaan van zijn beroep tegen de impliciete weigering om hem te benoemen;
  47. De grond van de zaak nr. A. 81.
  48. 7.
  49. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord een nieuw middel aanvoert, gesteund op inzage van het administratief dossier, waarin hij op de volgende wijze het examen aan kritiek onderwerpt : “Verzoeker maakt volgende bemerkingen bij een aantal examendocumenten uit het administratief dossier : (...) - examen ‘kennis functie’ dd. 12.10.1998 : verzoeker die sedert 18 jaar in onberispelijke dienst is en talloze malen voor zijn prestaties en optredens werd geloofd, krijgt maar de helft van de punten van mevr. Dasseville en scoort zelfs lager dan kandidaat Maervoet, die nooit actief was in de Dienst Protocol en de functie nooit vervulde. Verzoeker krijgt zelfs de quotering ‘onvoldoende’ voor gedeelten die hij gedurende jaren zonder enig probleem heeft vervuld. Dit is totaal ongeloofwaardig ! Men weet ook niet hoe de berekening der punten geschiedt, gezien in het rooster enkel vermeldingen voorkomen als ‘zeer goed, goed, voldoende, onvoldoende’. - In het rooster van mevr. Dasseville ontbreekt elke quotering in verband met het onderdeel ‘functie’ ! En betreffende haar algemene kennis krijgt zij een ‘onvoldoende’. Met één onvoldoende, geen quotering voor het onderdeel ‘functie’, slechts twee quoteringen ‘zeer goed’ en met een vermelding ‘black out’, bekomt zij toch 80 punten op
  50. Dit is eveneens totaal ongeloofwaardig. XII-1469-15/22 - Bij de quotering van de schriftelijke examens door dezelfde persoon valt op dat kandidaat 1 (Dasseville) 26 punten op 30 krijgt met vermelding ‘ik mis de inhoudelijke diepgang’, terwijl kandidaat 3 (verzoeker) slechts 24 punten op 30 krijgt met de vermelding ‘goed gestructureerd betoog met voldoende inhoudelijke diepgang’. Dit is volledige willekeur ! Er moet ook opgemerkt worden dat de verwerende partij enkel de beoordelingen en de quoteringen heeft neergelegd in het administratief dossier. De examenbladen zelf zijn niet neergelegd, zodat het zelfs niet mogelijk is na te gaan of de beoordelingen en quoteringen wel correct weergegeven zijn.”; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie het middel laattijdig acht, omdat verzoeker het slechts in zijn memorie van wederantwoord heeft verwoord en niet in een nieuw verzoekschrift of in een aanvullende memorie, binnen de zestig dagen nadat hij kennis had van de stukken waarop het middel steunt; dat de verwerende partij daarbij betoogt dat deze verzoeker bekend waren vanaf het neerleggen van het administratief dossier in de schorsingszaak; Overwegende dat de verwerende partij in deze exceptie niet wordt bijgevallen; dat het in een annulatievordering de gewone rechtsgang is voor een verzoeker om een nieuw middel, gesteund op het administratief dossier, te verwoorden in de memorie van wederantwoord; dat alsdan het auditoraat het nog kan onderzoeken in het verslag en de verwerende partij er nog kan op antwoorden in haar laatste memorie; dat aldus het argument gesteund op schending van rechtszekerheid, gelijkheid en zorgvuldige procesvoering, weinig relevant is en des te meer, nu de verwerende partij in haar laatste memorie ook nog ten gronde het middel beantwoordt; dat het bovendien een annulatieprocedure onnodig zou verzwaren indien van een verzoeker in de positie van de huidige verzoeker een nieuw verzoekschrift zou worden geëist of een niet in het algemeen procedurereglement voorgeschreven “aanvullende memorie”; dat het middel ontvankelijk is; Overwegende, waar verzoeker het over de quotering van een onderdeel van de schriftelijke examens heeft, dat hij dient te worden verbeterd : dat immers waar Diane Dasseville voor haar “commentaar” 26 punten op 40 (niet op 30) heeft behaald heeft verzoeker 32 op 40 behaald in plaats van op 30 zodat naar de feiten verzoeker zelfs zes punten méér heeft gekregen dan Diane Dasseville; Overwegende voorts dat het mondeling gedeelte van het examen in verband met de uit te oefenen functie vastgelegd is in een type-formulier waarin ruimte is voorzien voor de “besproken thema’s en uitdrukkingen” en waarin een XII-1469-16/22 kruisje kan worden geplaatst bij de quoteringen “zeer goed”, “goed”, “voldoende”, “onvoldoende”; dat voor de “motivatie van de beslissing van de examencommissie” vier regels beschikbaar zijn; dat aan verzoeker de volgende “thema’s” ter bespreking werden gegeven : “
  51. Brussel 2000 : eigen visie, strategie
  52. Cultuur in Brussel : welke zijn de personaliteiten van deze eeuw
  53. Bouwstijlen (in het algemeen) vanaf de Middeleeuwen
  54. Holbrooke/Servië/Kosovo/Schröder/Kohl
  55. Federale culturele instellingen in het Brussels gewest
  56. Onverwachte situatie : ontvangst ambassadeur/burgemeester afwezig : oplossing ?
  57. Voorrang van gasten
  58. Inhoud functie van chef protocol”; dat voor thema’s 1 en 2 verzoeker een onvoldoende krijgt; dat voor thema 3 “goed” is aangekruist; dat voor thema 4 tweemaal “goed” is aangekruist; dat voor thema 5 “onvoldoende” werd aangekruist, voor thema 6 “voldoende”; dat voor thema’s 7 en 8 een “onvoldoende” wordt genoteerd; dat de “motivatie” luidt : “Na deliberatie en met eenparigheid heeft de examen- commissie beslist dat deze kandidaat qua algemene kennis voldoet, maar dat hij ontoereikend is wat betreft de beroepsvaardigheid”; dat achter dat type-formulier een blad is gehecht waarop het volgende geschreven staat : “
  59. Béjart, Palner, Marijnen (M. Lauwers verduidelijkt de vraag : bekende belangrijke Brusselaars op het vlak van cultuur), Brel, Magritte, Delvaux/Horta.
  60. Kohl : afstraffing : waarom ?
  61. Muntschouwburg Musea : moderne kunst kunst en geschiedenis instrumentenmuseum
  62. ambassadeur GB-ontvangst (praktisch) onverwacht op het laatste ogenblik : burgemeester afwezig : oplossing ? antwoord : schepen protocolchef stadssecretaris min. pres. Brussels gewest uitleg aan ambassadeur ? : verontschuldigen boze reactie : begrip proberen op te wekken
  63. chef van het protocol : actief in welke terreinen ?
  64. - ontvangst/onthaal - redevoering ÷
  65. voorrang voorrang voorzitter kamer/voorzitter senaat voorrang kamerleden/senatoren (+ voorrang van vervangers) (vermijden van namen te XII-1469-17/22 eerbetoon plaatsen : hoe dan wel) ! ‘de zenuwen spelen mij parten’”; dat aan Diane Dasseville de volgende “thema’s” ter bespreking werden gegeven : “
  66. Hoofdstedelijk arrondissement Brussel : gouverneur - vice-gouverneur bevoegdheden
  67. Begrotingsoverleg : tekorten redenen
  68. Brusselse kunstenaars uit de 20ste eeuw
  69. Federale culturele instellingen in het Brussels gewest
  70. Brussel 2000 - culturele hoofdstad : advies ? eigen visie
  71. Inhoud functie protocolchef - voorrang van de gasten
  72. Grote internationale instellingen op het Brussels grondgebied/soorten
  73. Ambassadeurs voorstel van programma bezoek Brussel partners ambassadeurs
  74. Onverwachte situatie : bezoek Arafat 18H/vertraging 1H/andere receptie voorzien om 19H”; dat voor thema 1 de benoemde een vermelding “goed” krijgt; dat voor thema 2 een “voldoende” wordt toegekend; dat voor thema’s 3 en 4 “onvoldoende” is aangekruist; dat voor thema’s 5 en 6 “goed” werd aangekruist; dat voor thema 7 een “zeer goed” wordt genoteerd; dat voor thema 8 niets wordt genoteerd; dat voor thema 9 een “zeer goed” wordt aangekruist; dat de “motivatie” luidt : “Na deliberatie en met eenparigheid heeft de examencommissie beslist dat betrokkene qua algemene kennis en beroepsvaardigheid de nodige kennis bezit”; dat op de daaropvolgende bladzijde voor Diane Dasseville staat : Arafat 1h vertraging Oplossing Probleem uitsluiten op voorhand : geen 2 recepties Indien toch. mensen 2de receptie laten wachten + uitleg
  75. imago - renovatie - bezoekers onthaal/informatie Brussel moet zich beter ‘verkopen’ gekwalificeerd personeel infrastructuur
  76. - organisatie : vast scenario - voorrang van de gasten : systeem ? XII-1469-18/22 (uitnodigingen/antwoord) - flexibiliteit, verbeelding
  77. programma bezoek Brussel - partners ambassadeurs - tentoonstelling eerst peilen - museum kant naar interesses - chocolademuseum, brouwersmuseum - eten, hubertusgalerij”; dat de derde kandidate, Anny Maervoet, twaalf vragen heeft gekregen waarna over slechts vijf onderwerpen iets is neergeschreven; dat op een bijkomende bladzijde tenslotte betreffende de drie kandidaten een kolom staat met de punten inzake algemene kennis en in verband met de functie; dat vóór die punten telkens enige letters en cijfers zijn geplaatst; Overwegende dat, indien men het notuleringsformulier op zich beschouwt, het inzake motivering onvoldoende is door het louter aangebracht zijn van kruisjes en door de motievenloze formules onderaan dit formulier; dat indien men poogt de “antwoorden” op de erop volgende bladzijden te koppelen aan de gestelde vragen minstens de volgende vaststellingen blijven : - de cijfers op de bijgevoegde bladzijden corresponderen praktisch niet met de nummers van de vragen; wel lijken ze te corresponderen met bepaalde andere vragen maar niet met allemaal : N aldus werden aan verzoeker acht vragen gesteld en werd over vijf “antwoorden” iets genoteerd; N werden aan Diane Dasseville negen vragen gesteld en werd over zes “antwoorden” iets genoteerd; N werden aan Anny Maervoet twaalf vragen gesteld en werd over vijf “antwoorden” iets genoteerd; - de “antwoorden” kunnen eventueel slechts gedeeltelijk gelden als motief voor het gegeven waardeoordeel; aldus is het bij verzoeker onder
  78. genoteerde “Kohl : afstraffing : waarom ?” of het onder
  79. genoteerde “(vermijden van namen te plaatsen : hoe dan wel)”, of het bij Diane Dasseville bij
  80. genoteerde “(uitnodigingen/antwoord)”, ofwel nietszeggend ofwel onvoldoende als motivering; dat, zoals verzoeker betoogt, inderdaad niet kan worden opgemaakt hoe de puntenverdeling is geschied : N verzoeker heeft vijf onvoldoendes, 1 voldoende, driemaal goed (voor vraag vier zijn twee kruisjes aangebracht) : hij verwerft daarvoor 40/100 N Diane Dasseville heeft twee onvoldoendes, 1 voldoende, driemaal goed, tweemaal zeer goed : zij verwerft 80/100 XII-1469-19/22 N Anny Maervoet heeft zes onvoldoendes, drie voldoendes en driemaal goed : zij verwerft 45/100; dat voor drie onvoldoendes minder en tweemaal zeer goed méér dan verzoeker, Diane Dasseville het dubbel verkrijgt van zijn punten; dat zij echter negen vragen heeft gekregen en verzoeker acht vragen; dat het derhalve niet mogelijk is te detecteren welk gewicht aan de vragen werd gehecht om qua puntenaantal het resultaat op te leveren dat zij opgeleverd hebben; - zoals verzoeker aangeeft werd voor vraag acht voor Diane Dasseville geen kwotering aangebracht wat al evenmin van aard is toe te laten zicht te hebben op de punten; dat ook bij haar is vermeld dat zij een “black out” bleek te hebben; Overwegende dat derhalve wordt vastgesteld dat : - voor bepaalde vragen alleen een kruisje als motivering wordt gegeven - indien men zou aannemen dat het geschrevene als motivering kan gelden, deze onvolledig is en onduidelijk - voor een bepaalde vraag aan Diane Dasseville gesteld, geen beoordeling wordt gegeven - de Raad van State niet in de mogelijkheid is vast te stellen wat de waarde is die aan het antwoord werd gegeven, vertaald naar het resultaat toe, mede rekening gehouden met de omstandigheid dat er respectievelijk 8, 9 en 12 vragen werden gesteld aan de drie vermelde kandidaten. Overwegende dat motieven geacht worden niet bekend te zijn indien ze enkel met een “geijkte formule” verwoord zijn; dat in de omstandigheden van deze zaak de aangebrachte kruisjes op zich niets zeggen; dat zij verzoeker en nadien desgevallend de Raad van State niets leren over de reden van de keuze; dat de in deze zaak gevolgde selectieproef, een gesprek over de interesses, de kennis en de motivering van de kandidaat, een onder woorden gebrachte verantwoording van het uiteindelijk gegeven puntencijfer moet omvatten, die daarenboven meer is dan een vage beoordeling; dat, wanneer voor dergelijke selectie de beoordelingscommissie -zelfs unaniem- de quotering “niet geschikt” heeft toegekend, die commissie daarmee niet kan volstaan; dat zij aldus de uitslag niet deugdelijk heeft gemotiveerd; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie gaat cijferen met “voor de hand liggende kwoteringen”; dat van de aldus toegepaste punten zou kunnen worden aangenomen dat zij steek houden; dat, echter -mocht die becijfering achteraf al de voormelde kritiek kunnen tegemoetkomen, nadat de evaluatie reeds is vastgelegd in de examenstukken- ook hier niet verder wordt XII-1469-20/22 gekomen dan de cijfers en niets wordt gezegd over de inhoudelijke ondersteuning van de waarderingen “goed enz...” die tot die cijfers aanleiding gaven; dat het vaststellen van een dergelijk gebrek niets vandoen heeft met de toetsing waartoe -op het vlak van de beoordeling zelf- de Raad van State zich als rechter inderdaad moet beperken, zoals de verwerende partij nog stelt; dat het gebrek immers een motiveringsgebrek is; dat de Raad van State bevoegd is om dergelijke onrechtmatigheid te sanctioneren; dat het middel gegrond is; dat dienvolgens het examen gevitieerd is door een onrechtmatigheid; dat zulks dan eveneens het geval is voor de op grond van dat examen vastgestelde uitslag waarbij verzoeker niet en Diane Dasseville wel geslaagd wordt verklaard, en voor de bestreden beslissingen, namelijk deze van 29 oktober 1998 van het college van burgemeester en schepenen die deze uitslag homologeert, de beslissing van 19 november 1998 waarbij Diane Dasseville wordt toegelaten tot de stage als adviseur (protocol en publieke relaties) en de beslissing van 9 december 1999 waarbij zij definitief in die betrekking wordt aangesteld, BESLUIT: Artikel
  81. De zaken nrs. A. 79.014 en A. 81.942 worden gevoegd. Artikel
  82. Worden nietigverklaard :
  83. De beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel van 29 oktober 1998 tot homologatie van de uitslag van het door de stad Brussel ingerichte examen voor adviseur (protocol en publieke relaties) -zittijd 26 juni 1998;
  84. De beslissing van het voornoemde college van 19 november 1998 waarbij Diane Dasseville wordt toegelaten tot de stage van adviseur (protocol en publieke relaties) vanaf 1 november 1998;
  85. De beslissing van het voornoemde college van 9 december 1999 om Diane Dasseville aan te stellen tot adviseur (protocol en publieke relaties). XII-1469-21/22 Artikel
  86. De beroepen worden voor het overige afgewezen. Artikel
  87. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring in de zaak nr. A. 79.014, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring in de zaak nr. A. 81.942, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de stad Brussel. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig september 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1469-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.251 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.