id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.252 Rolnummer: A. 106796/XII-3189 Zaak: Arrest 149252 - - 22/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-03 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 00:35 Fiche Arrest nr 149.252 van 22 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.252 van 22 september 2005 in de zaak A. 106.796/XII-
- In zake : de BVBA H.G. AUTRIQUE & PARTNERS, die woonplaats kiest bij advocaat M. Theunis, kantoor houdende te Antwerpen, Jules Moretuslei 374-376 tegen : de BELGISCHE DIENST VOOR DE BUITENLANDSE HANDEL, die woonplaats kiest bij advocaat J. Bourtembourg, kantoor houdende te 1060 Brussel, Zwitserlandstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA H.G. Autrique & Partners op 2 juli 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de Belgische Dienst voor de Buitenlandse Handel [...] van 18.03.2001 om tot het einde van 2001 verzoekster niet te raadplegen voor het programma van de beurzen, waarvan verzoekster kennis werd gegeven bij brief gedateerd op 03.05.2001, door verzoekster ontvangen op 07.05.2001”; Gelet op het arrest nr. 100.083 van 23 oktober 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 21 november 2001 ingediend door de verzoekende partij; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur J. Stevens; XII-3189-1/6 Gelet op de beschikking van 21 december 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 11 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 april 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. Turkry, die loco advocaat M. Theunis verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. Stevens; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Op 8 december 1999 blijkt de verwerende partij de verzoekende partij belast te hebben met het architecturaal project van het Belgisch paviljoen van Vakbeurs Prodexpo 2000 te Moskou van 7 tot 11 februari
- Er ontstaat onenigheid tussen partijen omtrent het goedkeuren van de offerte van Russische ondernemingen. Finaal beraadslaagt de raad van bestuur van verwerende partij en op 18 maart 2001 wordt het volgende besluit getroffen dat te dezen wordt bestreden : “De architect had niet het recht zich rechtstreeks tot de exposanten te wenden zonder vooraf de directie van de BDBH, zijn opdrachtgever, te raadplegen. Het meningsverschil met betrekking tot de keuze van de aannemer gaf de architect XII-3189-2/6 niet het recht de steun te zoeken van de exposanten, die klanten zijn van de BDBH. De opeenvolging van de gebeurtenissen doet veronderstellen dat de architect zijn mededeling met opzet overhaast deed. De architect aanvaardt zijn opdracht voor de Prodexpo-beurs pas op 20 december 1999 (Instemming met de brief van de BDBH van 8 december ). Alhoewel de BDBH vanaf vrijdag 22 december gesloten was wegens de eindjaarfeesten, werd de architect toch die dag in kennis gesteld van de beslissing de opdracht aan Expo-Consta te gunnen. Vanaf zaterdag 23 december correspondeert hij met deze aannemer om een oplossing te zoeken voor zijn bekommernissen inzake de veiligheid; deze oplossing wordt op 12 januari 2000 gevonden en bestaat erin de ruiten van 3 mm te vervangen door PVC-platen van dezelfde dikte. Waarom verkoos de architect zich op 5 januari 2000 rechtstreeks tot de exposanten te wenden, hoewel hij op dat moment nog ononderbroken in onderhandeling is met de aannemer en hoewel de BDBH de beslissing tot toekenning van de opdracht pas die dag formaliseert en hij dus op dat moment nog onwetend was over de verplichtingen die de BDBH hem zal opdragen betreffende de aansprakelijkheid van de uitvoering van de werken-het zou vanwege de BDBH wel erg misplaatst zijn geweest zijn raadgever aansprakelijk te stellen voor de gevolgen van zijn eigen keuze! Het incident werd verzwaard door de laatste zin van de mededeling : ‘Terloops deel ik u mee dat deze ongemakken zich niet voordoen op stands van Export Vlanderen en van de VLAM voor de World Food in Moskou.’ Bij gebrek aan een overtuigende verklaring en gezien de verrassende beslissing van de heer H. Autrique zijn standpunt niet te komen verdedigen voor de Raad van Bestuur, heeft deze laatste geen verklaring voor de handelswijze van deze architect. Naast het feit dat de woordkeuze betreurenswaardig en beledigend voor de BDBH is, kan de rechtstreekse mededeling aan de exposanten niet worden gewettigd door : - de verplichtingen van de architect toezicht uit te oefenen op de uitvoering van de werken; - het feit dat verscheidene exposanten van Prodexpo ook deelnamen aan de World Food beurs te Moskou in de stands van Export Vlaanderen en van VLAM en dat zij hem hadden kunnen verwijten hen niet correct te hebben ingelicht. World Food vindt pas in de tweede helft van september, hetzij zeven maanden na Prodexpo, plaats. Het was dus niet dringend om de exposanten te verwittigen, noch stond het met zekerheid vast dat de benaderde ondernemingen aan deze andere beurs zouden deelnemen. De Heer H. Autrique gaf nooit een overtuigende uitleg over zijn handelswijze en evenmin aanvaardde hij ze als een flater te beschouwen. De brief van 14 maart 2001, opgesteld nadat de architect op 9 maart op de BDBH inzage had kunnen nemen van het administratief dossier, geeft niet de verwachte preciseringen en ontkracht evenmin de tegenargumentatie die de BDBH gaf zowel tijdens gesprekken als in briefwisseling (rechtstreeks met de BDBH of door toedoen van de federale Ombudsman of nog bij de Raad van State). Nu het principe van de niet-nakoming van de verplichtingen vaststaat, stelt de Raad vast dat de kwaliteit van de prestaties van de architect in zijn voordeel pleit en wettigt dat hij niet geschrapt wordt op de lijst van de te raadplegen architecten. Gelet op de breuk in het vertrouwen en om de sereniteit van de toekomstige relaties te herstellen, beslist de Raad dat de BDBH architect Autrique niet zal raadplegen voor het programma van de beurzen tot het einde van 2001.”. XII-3189-3/6 Die beslissing wordt aan de verzoekende partij medegedeeld met een brief van 3 mei
- In die brief is de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State vermeld;
- De exceptie. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij stelt dat er geen “kaderovereenkomst” bestaat die de partijen verbindt en dat elke tussenkomst van de verzoekende partij, in haar hoedanigheid van dienstverlener, derhalve moet worden geacht een onderscheiden dienstenovereenkomst te zijn, dat derhalve de bestreden beslissing de verzoekende partij enkel een nadeel zou kunnen berokkenen indien een dergelijke opdracht aan een derde wordt gegund, zodat het beroep onontvankelijk is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij repliceert hetgeen volgt : “Uit de officieuze lijst van de geplande manifestaties en briefwisseling blijkt dat de jaarbeurs voor China aan verzoekster werd toegewezen. Dit project werd dan na de bewuste feiten aan een andere architect toegekend. Zoals de referentielijst van verzoekster aantoont, ontving verzoekster wel degelijk onafgebroken twee opdrachten per jaar. Verzoekster heeft dus zeker een belang bij onderhavige procedure”; 2.
- Overwegende dat de bestreden beslissing enkel opdrachten betreft die de verwerende partij in de loop van 2001 nog zou toewijzen; dat, indien de bestreden beslissing, zoals de verzoekende partij laat vermoeden, enkel betrekking zou hebben op de opdracht voor de jaarbeurs voor China, die volgens haar memorie van wederantwoord eerst aan haar zou zijn toegewezen, maar dan aan een andere gegadigde, dient te worden opgemerkt dat de verzoekende partij een beroep had kunnen en moeten indienen tegen de intrekking van toewijzing van die opdracht alsmede tegen de toewijzing aan een ander, hetgeen de verzoekende partij blijkbaar niet heeft gedaan; dat zij alsdan geen enkel voordeel zou trekken uit de gevraagde nietigverklaring van de bestreden beslissing; dat die nietigverklaring de toewijzing van de voormelde opdracht immers onverlet zou laten; Overwegende voorts, indien de bestreden beslissing betrekking zou hebben gehad op nog andere opdrachten, toe te wijzen in de loop van 2001, dat dient te worden opgemerkt dat de verwerende partij daarbij de regeling inzake overheids- opdrachten had dienen te volgen hetgeen de verzoekende partij de gelegenheid zou XII-3189-4/6 hebben gegeven om in rechte te treden tegen elke toewijzing aan een derde die volgens haar in strijd was met de voormelde regeling; dat daaromtrent dezelfde conclusie geldt als bij de genoemde jaarbeurs voor China; Overwegende ten slotte, wat betreft de “aantasting van haar goede naam bij andere overheidsinstellingen, zoals “Export Vlaanderen” en de “Vlaamse Dienst voor Agro- en Visserijmarketing”, dat de verzoekende partij louter omdat zij niet zal worden aangezocht voor een relatief korte periode -van eind maart tot eind december 2001-, niet kan beweren dat haar goede naam in het gedrang komt; dat zij overigens geen concrete elementen aanbrengt omtrent een dergelijke aantasting; dat het trouwens op zichzelf niet eerrovend is, dat een overheidsopdracht niet aan een bepaalde kandidaat wordt toegekend; Overwegende dat uit al hetgeen voorafgaat volgt dat de bestreden “beslissing” een loutere intentieverklaring is die niet voor nietigverklaring vatbaar is; dat het beroep niet ontvankelijk is; Overwegende, wat de kosten betreft, dat deze ten laste van de verwerende partij worden gelegd, aangezien aan de verzoekende partij is medegedeeld dat beroep bij de Raad van State kan worden ingesteld, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XII-3189-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig september 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3189-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.252 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.100.083 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.