id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.295 Rolnummer: A. 148253/XIV-18817 Zaak: Arrest 149295 - - 22/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-04 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 00:37 Fiche Arrest nr 149.295 van 22 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.295 van 22 september 2005 in de zaak A. 148.253/XIV-18.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat K. TRIMBOLI, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Munthofstraat 135 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Jemenitische nationaliteit, op 29 februari 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 30 januari 2004 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 25 november 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 8 maart 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 9 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 juni 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-18.817-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat G. CASTIAUX, die loco advocaat K. TRIMBOLI verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 25 oktober 2003 en zich op 28 oktober 2003 vluchteling verklaart; dat op 25 november 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 30 januari 2004 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U, die verklaart de Jemenitische nationaliteit te bezitten, zou afkomstig zijn van Ta'iz. U zou sinds 1990 lid zijn van de Jemenitische Socialistische Partij. U zou pamfletten van de partij hebben verspreid en met andere mensen hebben gesproken over de partij. Halverwege 1998 zou u uw activiteiten voor de partij hebben gestaakt. Op 25 september 2000 zou er' in uw huis in Aden een bom zijn ontploft. U zou zijn gearresteerd en beschuldigd worden achter de explosie te zitten. U zou er immers van verdacht worden deel uit te maken van de beweging ‘al-Mawj’ genaamd, omdat ze wisten dat u en uw vader lid waren van de Socialistische Partij. U zou negen maanden zijn vastgehouden zonder enige vorm van proces. U zou bij gebrek aan bewijzen zijn vrijgelaten op 25 juni
- Na uw vrijlating zou u naar uw huis zijn gegaan en hebben gemerkt dat het in beslag was genomen door de directeur van ‘al-'Amn al-'Amm’, Turaykh genaamd. U zou hiertegen klacht hebben ingediend bij de rechtbank. U zou ook hebben geprobeerd tot een onderling akkoord te komen met Turaykh. Deze zou echter uw eigendomsakte hebben afgenomen en niet hebben teruggegeven. U zou opnieuw naar de rechtbank zijn gegaan en er werd een zitting gepland voor 10 juli
- De rechter zou u hebben gezegd dat u in fout was indien u geen eigendomsakte kon voorleggen. Op 14 juli 2001 zou u met enkele familieleden gewapend uw huis zijn gaan opeisen. Er zou een vuurgevecht zijn ontstaan waarbij uw broer gewond werd. U en de rest van de familie zouden zijn gevlucht. Uw broer zou naar een ziekenhuis zijn gebracht. U zou bij verschillende vrienden onderdak hebben gevonden. In september zou ‘al-'Amn as-Siyasi’ u thuis zijn komen zoeken tijdens een nacht dat u daar net aanwezig was. U zou echter zijn kunnen vluchten naar een een vriend. U zou twee maanden bij hem hebben verbleven. in november 2001 zou u naar Saoedi-Arabië zijn gevlucht. Daar zou u illegaal in de stad Najran hebben verbleven tot mei
- Dan zou u op clandestiene wijze zijn teruggekeerd naar Jemen omdat u vreesde anders te worden gedeporteerd door de Saoedische autoriteiten. U zou vervolgens zijn ondergedoken in Sana'. Op 21 oktober 2003 zou u Jemen hebben verlaten en op 25 oktober 2003 zou u in België zijn aangekomen. Op 28 oktober 2003 vroeg u hier asiel aan. B. Motivering Vooreerst dient te worden opgemerkt dat u in de loop van uw asielprocedure enkele tegenstrijdige en ongerijmde verklaringen aflegde waardoor ernstige twijfels rijzen over de geloofwaardigheid van uw relaas. Zo heeft u tegenover de dienst Vreemdelingenzaken en tegenover het Commissariaat-generaal tegenstrijdige verklaringen afgelegd met betrekking tot de problemen die uw familie omwille van u zou hebben ondervonden. Tijdens uw gehoor in dringend beroep verklaart u dat alleen uw broer door u problemen' zou hebben gehad met de autoriteiten. Niemand anders van uw familie zou omwille van uw problemen zijn gearresteerd (CG p.22B). Bij de dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u echter dat uw vader, toen u in september 2001 nipt kon ontsnappen aan de veiligheidsdienst die u thuis kwam zoeken, in uw plaats werd gearresteerd. Hij zou ongeveer twee maanden zijn vastgehouden (DVZ p. 13). XIV-18.817-2/7 Wanneer u met deze tegenstrijdige verklaringen wordt geconfronteerd, kan u hiervoor geen afdoende uitleg geven. U zegt alleen dat u dit nooit heeft gezegd. U zou op de Dienst Vreemdelingenzaken alleen hebben gezegd dat uw vader tijdens de oorlog was opgepakt en twee maanden vastgehouden (CG p.22B). Uit het gehoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken blijkt echter dat u duidelijk verklaarde dat uw vader in uw plaats werd gearresteerd en dat u reeds tevoren had uitgelegd dat uw vader tijdens de oorlog was gearresteerd. Gezien de arrestatie van uw vader in september 2001 een essentieel deel uitmaakt van uw vluchtaanleiding en uw vrees, kunnen dergelijke anomaliëen niet worden aanvaard. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat u in de loop van uw procedure uw verklaringen over de beschuldigingen die in 2000 tegen u werden gesteld, heeft aangedikt. Zo verklaart u tijdens uw gehoor in dringend beroep dat u, samen met de beschuldiging verantwoordelijk te zijn voor de bom, eveneens werd beschuldigd lid te zijn van de beweging al-Mawj ((CG p.9). Tegenover de dienst Vreemdelingenzaken heeft u de beschuldiging lid te zijn van het verboden al-Mawj helemaal niet aangehaald. U maakte alleen melding van de beschuldiging dat u zelf achter de explosie zat (DVZ p.12). In uw verzoekschrift bij uw dringend beroep heeft u evenmin melding gemaakt dat u werd beschuldigd lid te zijn van al-Mawj. Het feit dat u expliciet werd beschuldigd lid te zijn van een verboden organisatie is echter te belangrijk om te kunnen aanvaarden dat u er aanvankelijk geen melding van heeft gemaakt. Het niet eerder vermelden van dit essentieel element doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van uw relaas. Verder heeft u tegenstrijdige verklaringen afgelegd met betrekking tot uw activisme voor de Socialistische Partij. U verklaart tijdens uw gehoor in dringend beroep dat u alleen pamfletten uitdeelde en op feesten met mensen over de partij sprak. U weet niet of de partij vergaderingen hield. U zou er in eik geval niet aan hebben deelgenomen (CG p.7B). Tegenover de dienst Vreemdelingenzaken beweerde u echter dat één van uw activiteiten voor de partij het bijwonen van de vergaderingen was. Tijdens deze vergaderingen zou onder andere de corruptie binnen de regering zijn besproken (DVZ p. 12). Deze inconsistentie doet twijfels rijzen over uw activisme voor de partij. Het is ook opmerkelijk dat u in dringend beroep verklaart dat u omwille van het verspreiden van pamfletten, door de autoriteiten meermaals werd bedreigd met de bedoeling uw activiteiten te stoppen (CG p.8B). Noch tijdens uw gehoor bij de dienst Vreemdelingenzaken, noch in uw verzoekschrift dringend beroep heeft u dit vermeld. Nochtans haalt u aan dat de autoriteiten op de hoogte waren dat u lid was van de Socialistische Partij en dat u hierdoor zou zijn beschuldigd van lid te zijn van al-Mawj (CG p. 10). U heeft ook tegenstrijdige verklaringen afgelegd met betrekking tot de chronologie van de gebeurtenissen. Zo verklaart u in dringend beroep een dag nadat Turaykh uw eigendomsakte had afgenomen, naar hem te zijn teruggekeerd om ze terug te eisen (CG p.1 7). Tegenover de Dienst Vreemdelingenzaken beweerde u echter dat het een week later was dat u terugging (DVZ p. 13). Vervolgens verklaart u in dringend beroep dat nog diezelfde dag dat u de eigendomsakte ging terugvragen, u naar de rechtbank bent teruggekeerd (CG p. 17). Op de dienst Vreemdelingenzaken had u dan weer gezegd dat u pas de volgende dag naar de rechtbank bent gegaan (DVZ p.13). Het is eveneens bevreemdend dat u tijdens uw gehoor in dringend beroep verklaart te zijn vrijgelaten op 25 juni 2001 (CG p. 16) terwijl u tegenover de dienst Vreemdelingenzaken beweert de exacte datum niet te kennen. U kon daar alleen zeggen dat het in juni 2001 was (DVZ p. 12). Het is ook bevreemdend dat u, ondanks het feit dat de autoriteiten u geregeld thuis zouden zijn komen zoeken sinds 14 juli 2001, u toch nog naar huis ging waardoor u daar in september 2001 bijna werd gearresteerd. Wanneer u tijdens uw gehoor wordt gevraagd of het niet riskant was terug naar huis te gaan als de autoriteiten u er geregeld kwamen zoeken, zegt u alleen dat het toch geen kwaad kan door een uurtje naar huis te gaan (CG p. 19). Daarnaast dient te worden opgemerkt dat het feit dat u in mei 2003 bent teruggekeerd naar Jemen, allerminst een aanwijzing is als zou u worden vervolgd door de Jemenitische autoriteiten. Het doet immers afbreuk aan de door u ingeroepen vrees voor de Jemenitische autoriteiten. Uw verklaring als zou u vanuit Saoedi Arabië alleen naar Jemen zijn kunnen terugkeren, is een onvoldoende afdoende verklaring. Bovendien moet worden vastgesteld dat u, ook al was u ondergedoken, nog zes maanden in Jemen bent verbleven. U zegt dat u niet sneller een passeur kon vinden (CG p.21-22). Gezien deze talrijke tegenstrijdige en uiteenlopende verklaringen, kan geen geloof worden gehecht aan uw asielrelaas. Bovendien moet worden vastgesteld dat u geen enkel begin van bewijs voorlegt van de door u ingeroepen vluchtmotieven. Tot slot dient te worden opgemerkt dat u niet in het bezit bent van enig reis- of identiteitsdocument waardoor uw reisweg en identiteit niet kunnen worden gecontroleerd. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. XIV-18.817-3/7 Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2.).”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending opwerpt van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 1 tot 4 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 houdende de vaststelling van bepaalde elementen van de procedure die dienen gevolgd te worden door de dienst van de dienst Vreemdelingenzaken die belast is met het onderzoek van de asielaanvragen op basis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van het beginsel van behoorlijk bestuur, van de algemene zorgvuldigheidsplicht en de kennelijke beoordelingsfout; dat zij aanvoert dat het voornoemde koninklijk besluit van 11 juli 2003 oplegt dat de verklaringen van de kandidaat-vluchteling op schrift worden gezet, dat op het commissariaat-generaal vragen en antwoorden worden opgeschreven terwijl het op de dienst Vreemdelingenzaken veeleer een samenvatting van het relaas van de kandidaat-vluchteling betreft, dat aldus een vergelijking is gemaakt tussen de nota’s van het commissariaat-generaal en van de dienst Vreemdelingenzaken terwijl geen vergelijking mogelijk is tussen die nota’s, dat de verzoekende partij op het commissariaat-generaal zou hebben gezegd dat niemand is aangehouden op grond van haar problemen terwijl zij op de dienst Vreemdelingenzaken heeft verklaard dat haar vader in haar plaats werd aangehouden in september 2001, dat dit laatste op de dienst Vreemdelingenzaken verkeerd is genoteerd en dat de verzoekende partij er enkel heeft verklaard dat haar vader gedurende de oorlog in 1994 werd aangehouden, dat er dus geen tegenstrijdigheid is, dat geen tegenstrijdigheid bestaat tussen hetgeen de verzoekende partij heeft verklaard over de beschuldiging te haren laste in 2000, dat zij immers op de dienst Vreemdelingenzaken heeft verklaard dat zij werd beschuldigd van het plaatsen van explosieven terwijl zij op het commissariaat-generaal heeft verklaard dat zij verantwoordelijk was voor de aanslag en beschuldigd werd van lidmaatschap van de Al Mawj-partij, dat het de verzoekende partij wordt verweten op de dienst Vreemdelingenzaken de beschuldiging van dat lidmaatschap niet te hebben vermeld, dat het geen tegenstrijdigheid betreft doch dat de weergave van haar verklaringen in het verslag van de dienst Vreemdelingenzaken waarschijnlijk niet volledig is, dat de verzoekende partij betreffende haar betrokkenheid in de partij op de dienst Vreemdelingenzaken heeft verklaard dat zij propaganda voerde en deelnam aan vergaderingen terwijl zij op het commissariaat-generaal heeft verklaard dat zij gedurende feesten met anderen discussieerde over de partij, dat zulks geen tegenstrijdigheid vormt maar een andere manier om hetzelfde te zeggen, dat vergissingen in de chronologie van gebeurtenissen waarschijnlijk zijn en XIV-18.817-4/7 geen reden vormen om een asielaanvraag af te wijzen, zeker niet in de ontvankelijkheidsfase van de behandeling van de aanvraag, dat het de verzoekende partij wordt verweten enkele keren in Jemen te zijn geweest na haar vertrek naar Saoedi-Arabië, dat de verzoekende partij echter onmogelijk in Saoedi-Arabië kon blijven en terug moest keren naar Jemen waar zij mensen kende die haar zouden helpen vluchten, dat de verzoekende partij meerdere stukken heeft neergelegd om haar belevenissen te bewijzen, dat de verzoekende partij daar geen rekening mee heeft gehouden en dat aldus het beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij de schending van artikel 11 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 houdende de vaststelling van bepaalde elementen van de procedure die dienen gevolgd te worden door de dienst Vreemdelingenzaken die belast is met het onderzoek van de asielaanvragen op basis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen opwerpt omdat het verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken slechts een samenvatting van haar verklaringen zou vormen; dat uit het verhoorverslag blijkt dat de interviewer de verzoekende partij heeft gewezen op de noodzaak dat zij haar zaak “op een zo volledig mogelijke wijze uiteenzet”; dat het verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken op het einde van het verhoor aan de verzoekende partij is voorgelezen, dat haar werd gevraagd of zij nog iets had toe te voegen en of zij alles had begrepen en dat de verzoekende partij het verhoorverslag zonder enig voorbehoud heeft ondertekend; dat de verzoekende partij aldus geen schending van artikel van het voornoemde koninklijk besluit aannemelijk maakt; Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent en die motieven één voor één inhoudelijk aanvecht; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt en dat het middel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij haar verklaring betreffende de aanhouding van haar vader, zoals deze op de dienst Vreemdelingenzaken is genoteerd en in de bestreden beslissing in aanmerking is genomen, thans gewoonweg ontkent; dat zij XIV-18.817-5/7 daarmee niet aannemelijk maakt dat dit element ten onrechte of op onzorgvuldige of kennelijk onredelijke wijze in de bestreden beslissing is betrokken; dat de verzoekende partij slechts aanvoert dat het “erg waarschijnlijk” is dat haar verklaring op de dienst Vreemdelingenzaken over de feiten waarvan zij in Jemen werd beschuldigd, onvolledig werd genoteerd; dat zij voorbijgaat aan het feit dat zij dat verhoorverslag zonder enig voorbehoud heeft ondertekend alhoewel haar werd gevraagd of zij nog iets had toe te voegen nadat het verslag haar was voorgelezen; dat zij het verschil in haar verklaringen over haar betrokkenheid in de Al Mawj-partij tracht te verklaren door “een verschillende manier om de zaken uit te leggen”, doch daarmee niet aannemelijk maakt dat dit element op onjuiste of kennelijk onredelijke wijze in de beoordeling werd betrokken; dat zij de vergissingen in de chronologie van de feiten slechts op algemene wijze minimaliseert; dat de verzoekende partij met de stelling dat zij terug naar Jemen moest om hulp te vinden voor haar vlucht, evenmin aannemelijk maakt dat haar navolgend verblijf van zes maanden in Jemen op onjuiste of kennelijk onredelijke wijze in de beoordeling werd betrokken; dat de motivering van de bestreden beslissing als een geheel moet worden gelezen, waarbij het niet is vereist dat ieder afzonderlijk element van die motivering op zichzelf de beslissing kan dragen; dat de verzoekende partij met het voorgaande niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing is genomen op onzorgvuldige wijze, op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid waarover de commissaris-generaal krachtens de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet beschikt; dat het enige middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- XIV-18.817-6/7 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig september tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-18.817-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.295 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.