← België

Arrest 149297 - - 22/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.297 Rolnummer: A. 155583/XIV-20597 Zaak: Arrest 149297 - - 22/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-04 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-03 00:38 Fiche Arrest nr 149.297 van 22 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 149.297 van 22 september 2005 in de zaak A. 155.583/XIV-20.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. VAN ROSSEM, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Boomgaardstraat 93 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nepalese nationaliteit, op 13 september 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 10 augustus 2004 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 30 juni 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 11 augustus 2004; Gelet op de beschikking van 16 september 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 24 maart 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 11 mei 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-20.597-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat S. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 16 juni 2004 en zich vluchteling verklaart op 18 juni 2004; dat op 30 juni 2004 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 10 augustus 2004 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U verklaart de Nepalese nationaliteit te bezitten en geboren te zijn in Kavre, Mahendrajoti 'VDC' (Village Development Committee), district Palanchok, op 1 april
  3. U zou niet politiek actief geweest zijn in uw land van herkomst. Sinds 2058 (Gregoriaanse kalender: 2001) zou uw dorp, Mahendrajoti, onder het bewind staan van de Mao Badi. Op de 9de dag van 7de maand in 2059 (26 oktober 2002) zou de dorpeling, Kancha Karki, door de politie opgepakt zijn. Hij zou verdacht zijn van samenwerking met de Mao Badi. Na een week zou deze persoon vrijgelaten zijn, maar hij zou nog de avond van zijn vrijlating vermoord zijn door de Mao Badi. Op de 7de dag van de tweede maand in 2061 (20 mei 2004) zou u een oproepingsbrief van de politie ontvangen hebben met de boodschap dat u zich op de 15de dag van die maand moest aanmelden op het politiekantoor van Benepa. U verklaart dat u gevlucht bent uit Nepal omwille van deze oproepingsbrief. U vreesde immers enerzijds dat u zou gestraft worden door de politie indien u zich niet zou aanmelden en anderzijds dat u zou kunnen gedood worden door de Mao Badi indien u wel zou gaan, zoals met Kancha Karki gebeurd was. Op de 1 Ode dag van de tweede maand in 2061 (23 mei 2004) zou u naar Kathmandu gevlucht zijn en van daaruit zou u op diezelfde dag naar Delhi gegaan zijn. Op 16 juni 2004 zou u vanuit Delhi met het vliegtuig naar Frankrijk gereisd zijn en u zou diezelfde dag nog in België aangekomen zijn, waar u twee dagen later asiel aanvroeg. B. Motivering Na het gehoor in Dringend Beroep op het Commissariaat-generaal (CGVS) blijkt dat getwijfeld kan worden aan de geloofwaardigheid van uw asielaanvraag om de hiernavolgende redenen. Vooreerst zijn uw opeenvolgende verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en op het CGVS niet eensluidend, waardoor de geloofwaardigheid van uw vluchtrelaas in het gedrang komt. Zo verklaart u voor DVZ dat u vanuit uw dorp Mahendrajoti op de 10de dag van de tweede maand in 2061 naar Kathmandu vertrokken bent (zie gehoorversiag DVZ, pp. 12 en 14), terwijl u op het CGVS verklaart dat u. op de 7de dag van de tweede maand in 2061 vanuit uw dorp Mahendrajoti naar uw tante in Thimi Katunje (district Bhaktapur) vertrokken bent en dat u vanuit Thimi Katunje naar Kathmandu gegaan bent op de 10de dag van de tweede maand in 2061 (zie, gehoorverslag CGVS, p. 2). Na confrontatie met deze verschillende verklaringen, beweert u dat u voor DVZ zou gezegd hebben dat u bij uw tante zou zijn geweest en vraagt u zich af waarom dit niet neergeschreven werd voor DVZ (zie gehoorverslag CGVS, p. 6). Vervolgens verklaart u voor DVZ dat XXX twee weken na zijn arrestatie vrijgelaten werd (zie gehoorverslag DVZ, p. 13), terwijl u op het CGVS verklaart dat hij slechts een week vastgehouden werd (zie gehoorverslag CGVS, p. 6).-Na confrontatie met deze tegenstrijdigheden verklaart u dat DVZ een fout moet gemaakt hebben, dat u weet dat het één week was (zie gehoorverslag CGVS, p. 6). Evenzo verklaart u voor DVZ dat de Mao Badi uw identiteitskaart (citizenshipkaart) in beslag namen in de vierde maand van 2060 Guli 2003; zie gehoorverslag DVZ, pp. 6, 14), terwijl u op het CGVS verklaart dat dit in de tiende maand van 2060 januari 2003) gebeurde (zie gehoorverslag CGVS, p. 6). Na confrontatie met deze discrepanties, beweert u dat u voor DVZ niet gevraagd werd in welke maand uw XIV-20.597-2/8 identiteitskaart in beslag genomen werd en dat het misschien zo door DVZ neergeschreven werd, maar dat u het niet gezegd hebt (zie gehoorverslag CGVS, p. 6). Tenslotte verklaart u voor DVZ dat de politie twee dorpelingen vermoord heeft (zie gehoorverslag DVZ, p. 14), terwijl u op het CGVS verklaart dat de politie geen mensen in uw dorp vermoordde (zie gehoorverslag CGVS, p. 7). Bij confrontatie met de anders afgelegde verklaring voor DVZ, verklaart u dat twee broers vermoord werden door de politie, maar dat deze niet van uw dorp waren, dat DVZ zich moet vergist hebben (zie gehoorverslag CGVS, p. 7). Opgemerkt dient te worden dat u bij elke confrontatie met tegenstrijdigheden verklaart dat u deze zaken niet zou gezegd hebben voor DVZ of dat het door DVZ verkeerd neergeschreven werd. In dit kader dient te worden opgemerkt dat er nergens uit het verslag van DVZ valt op te maken dat er zich problemen zouden hebben voorgedaan. Bovendien verklaarde u voor DVZ de tolk goed te begrijpen en geen bezwaar te hebben tegen de tolk (zie gehoorverslag DVZ, p. l). Daarenboven heeft u het gehoorverslag van DVZ getekend ter goedkeuring nadat het verslag u in het Nepalees werd voorgelezen (zie gehoorverslag DVZ, p. 16). Hierdoor kan er geen geloof worden gehecht aan uw verklaringen dat er zich bij DVZ problemen zouden hebben voorgedaan. U legt, behalve een brief van uw vrouw en een lidkaart van de jeugdgroep waarvan u lid was, geen andere documenten naar voren ter staving van uw asielrelaas. Gezien deze documenten geen nieuwe elementen aan uw asielrelaas toevoegen vermogen ze niet de appreciatie van het Commissariaat-generaal inzake uw asielaanvraag in positieve zin te wijzigen. In de marge dient nog te worden opgemerkt dat het enigszins merkwaardig is dat u de oproepingsbrief van de politie niet kan neerleggen voor DVZ of op het CGVS. U verklaart dat deze brief waarschijnlijk weggegooid zal zijn door uw familie uit vrees dat de Mao Badi deze brief zou vinden (zie gehoorverslag CGVS, p. 5). Het is hoe dan ook zeer opmerkelijk dat uw familie een dergelijk officieel document zou weggooien. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en) ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al 2.).”; 2.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij twee middelen opwerpt die als volgt luiden: “Schending van beginselen van behoorlijk bestuur (redelijkheid, zorgvuldigheid, ...) Motiveringsplicht Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur Verzoeker werd geweigerd als vluchteling door het commissariaat-generaal zonder ooit rekening te hebben gehouden met de verklaringen die hij heeft afgelegd. Rond de zogenaamde tegenstrijdigheden. Waarom is dit artikel dan in de wet toegevoegd. Juist om dergelijke gevolgen te vermijden. Dat verzoeker, punt per punt, de zogenaamde ontstane tegenstrijdigheden heeft weerlegd en tevens heeft toegelicht waarom verzoeker niet terug kan momenteel naar Nepal en wat zijn concrete angst is. Dat hier op geen enkele wijze op ingegaan is door het commissariaat-generaal, dat zij een beschikking hebben gewezen waarbij al de aangehaalde punten opnieuw naar voor worden gebracht en er telkens bij gezegd wordt dat de uitleg ervoor gegeven niet telt omdat hij zijn ondervraging op DVZ heeft getekend, zonder enige verdere andere verklaring of zonder in te gaan op de redenen waarom het niet voldoende overtuigend is. Dat er verwezen wordt naar de mogelijkheid van het bekomen van de oproepingsbrief als bewijs. Dat men het merkwaardig vindt dat de familie dit zou hebben vernietigd uit angst voor de Mao Badi; dit is toch logisch en ligt volledig in de lijn van de verklaringen door verzoeker afgelegd. Dat dit dan ook geen reden van weigering kan zijn. Dat bovendien de situatie escaleert en de laatste weken nog vel verergerd is. XIV-20.597-3/8 Dat er zeer repressief zal opgetreden worden en opgetreden is, tegen één ieder wie een zweem van medewerking met de Mao Badi vertoont. Dat dit alles ter zitting wordt uiteengezet met het voorbeeld van iemand die hetzelfde lot heeft ondergaan in zijn dorp... Dat de concrete feiten zoals ze door verzoeker worden aangehaald niet in twijfel kunnen worden getrokken dat hij in de huidige situatie groot gevaar loopt voor willekeurige arrestatie. Dat blijkt dat verzoeker wel degelijk heeft geantwoord op de vragen die opengebleven waren op het commissariaat-generaal. Dat verzoeker immers helemaal niet inziet op welke basis met zijn argumenten weerlegt en motiveert waarom hij niet voldoende elementen aanbrengt ... Dat verzoeker dan ook meent dat zijn aanvraag tot asiel niet op een zorgvuldige wijze werd behandeld. Dat er daarbij geen rekening werd gehouden met de door hem aangebrachte redenen die in de huidige context van het conflict in Nepal voldoende zijn om onmiddellijk over te gaan tot arrestatie. Dat hierop niet wordt geantwoord. Dat een beslissing genomen werd alleen op grond van het feit dat zij menen dat er geen geloof kan gehecht worden aan het feitenrelaas. Het komen tot een beslissing op deze wijze brengt mee dat men telkens elke aanvraag tot asiel kan afwijzen zonder verder onderzoek al men meent om blijkbaar subjectieve redenen dat verzoeker niet voldoende heeft overtuigd aangezien er geen enkele reden wordt opgegeven waarom hij niet overtuigd heeft. Dat op deze wijze het nieuwe artikel volledig wordt ondergraven. Dat dit dan zeker nooit tegen verzoeker als motivering kan worden gebruikt. Dat ondanks de vermelding van al deze elementen door verzoeker hier niet verder op wordt ingegaan... Dat verzoeker zich immers dan nadien heeft moeten verdedigen zonder ooit te weten waarom men aan zijn uitleg geen gevolg geeft. Dat hij dus nooit begrepen heeft waarom tot een dergelijke beslissing werd overgegaan. Dat hij dus nooit zich heeft kunnen verdedigen zoals het hoort. Dat het feit dat hij het verslag dat hij heeft ondertekend bij DVZ geen reden is om zijn opmerkingen niet in rekening te brengen en om vandaag de dag te stellen dat hij dus geen gevaar zou lopen bij de autoriteiten integendeel dat men dit in de huidige context van het conflict moet beoordelen. Dat de huidige beslissing en de argumentatie die ervoor gegeven wordt niet meer redelijk is gelet op de gevolgen die huidige beslissing voor verzoeker heeft. Dat op dit ogenblik de situatie voor Nepalezen die lid zijn of in aanraking zijn geweest met de Mao Badi beweging, uiterst gevaarlijk is en dat hiermee zeker ook zou moeten rekening gehouden zijn op het ogenblik van de beoordeling. Dat bovendien uit het gebied komt waar de Maoisten de macht hebben. Schending van de motiveringsverplichting. Dat in huidige casu er een gebrekkige motivering is aangezien beslissingen in bestuurszaken dienen gemotiveerd te worden zodanig dat de motivering de beslissing draagt en verzoeker duidelijk maakt waarom tot een dergelijke weigering werd overgegaan. Dat de motivering in huidig geval verschillende gebreken vertoont aangezien op generlei wijze werd aangetoond waarom verzoeker zijn angst voor vervolging niet aannemelijk kan maken, en men gewoon overgaat tot het nemen van de weigeringsbeslissing. Verzoeker heeft op geen enkele wijze verklaringen afgelegd die niet met gekende feiten overeenkomen. Hij heeft stukken neergelegd die zonder enige verdere motivering worden weggevaagd en niet mee in rekening worden gebracht zonder enige verdere motivering hieraan te geven. Het zou geen nieuwe elementen toevoegen in zijn asielrelaas. Neen dat is juist maar het ondersteunt wel zijn aanvraag. Op geen enkele wijze wordt geantwoord op zijn uitlag van de ontstane misverstanden. Hij heeft uiteengezet op het commissariaat-generaal waarom deze misverstanden mogelijks zijn ontstaan. Het commissariaat-generaal onterecht haar beslissing had genomen en geen rekening gehouden met het belang voor betrokkene onderstreept en hierop wordt niet ingegaan. Hij heeft tevens onderstreept dat zijn redenen onder de Conventie vallen en coherent waren. Dat hij antwoordt op alle vragen en dat dit afgedaan wordt als niet voldoende overtuigend zonder meer. Dat men stelt dat verzoeker wel een aantal elementen heeft uitgelegd doch dat dit onvoldoende is om te overtuigen. Waarom is het niet voldoende overtuigend ? Op al deze elementen wordt niet ingegaan en verzoeker kan zich dan ook niet verzoeken met een dergelijke motivering om over te gaan tot weigering van zijn aanvraag. XIV-20.597-4/8 Deze motivering draagt de beslissing niet integendeel verzoeker heeft alleen het gevoel gekregen dat zijn aanvraag zeer snel moest behandeld worden zonder dit grondig te doen, terwijl de werkelijke belangrijke fundamentele redenen onbeantwoord zijn gebleven. Dat verzoeker nogmaals het werkelijke gevaar wenst te benadrukken dat hij loopt bij een eventuele terugkeer. Dat hiervoor tevens verwezen wordt naar het rapport van Amnesty International. De problematiek ter plekke is dus zeer ernstig en de beslissing van de Vaste Beroepscommissie is dan ook onbegrijpelijk. Dat verzoeker dan ook met aandrang vraagt huidige beslissing te willen vernietigen omwille van zijn gebrekkige motivering en onzorgvuldige behandeling.”; 2.
  5. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In een eerste middel beroept verzoeker zich op een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, zoals de redelijkheid en de zorgvuldigheid. Vooreerst benadrukt verweerder dat het zorgvuldigheidsbeginsel hem oplegt zijn beslissingen zorgvuldig voor te bereiden en deze te stoelen op een correcte feitenvinding. De commissaris-generaal heeft zich voor het nemen van de bestreden beslissing gesteund op alle gegevens van het administratief dossier, op de algemeen bekende gegevens over het voorgehouden land van herkomst van verzoeker en op alle dienstige stukken. Uit het administratief dossier blijkt verder dat verzoeker door verweerder werd verhoord. Tijdens het interview kreeg hij de mogelijkheid zijn asielmotieven uiteen te zetten, zijn argumenten kracht bij te zetten, kon hij nieuwe enlof aanvullende stukken neerleggen en werd hij bijgestaan door zijn raadsman, dit alles in aanwezigheid van een tolk die de Nepalese taal machtig is. Dat niet zorgvuldig is tewerk gegaan kan niet worden weerhouden. Evenmin kan een schending van het redelijkheidsbeginsel worden volgehouden. De beslissing staat immers geenszins in wanverhouding tot de motieven waarop ze is gebaseerd. Verder benadrukt verweerder dat de Raad van State reeds vroeger geoordeeld heeft dat het bedrieglijk karakter (van de asielaanvraag) ondermeer kan worden aangetoond door vast te stellen dat de verklaringen van verzoeker zijn aangetast door tegenstrijdigheden of omdat ze verward of onsamenhangend zijn of omdat ze gesteund zijn op valse verklaringen of op niet authentieke documenten (R.v.st nr. 89.966 van 02 oktober 2000). De vastgestelde tegenstrijdigheden moeten enerzijds hun grondslag vinden in het administratief dossier, anderzijds betrekking hebben op gebeurtenissen die essentieel zijn in het asielrelaas (zie o.m. R.v.St., nr. 85.073 van 3 februari 2000), zoals in casu het geval is. Verweerder benadrukt dat in de bestreden beslissing duidelijk wordt weergegeven waarom er geen geloof kan worden gehecht aan verzoekers verklaringen dat er zich bij de dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) problemen zouden hebben voorgedaan. Verweerder wijst er op dat wanneer een kandidaat-vluchteling wordt geconfronteerd met bepaalde tegenstrijdigheden het geenszins volstaat dat hij een of andere uitleg geeft; deze uitleg moet in het concrete geval immers ook plausibel zion. In de bestreden beslissing wordt duidelijk aangegeven waarom dat in casu niet het geval is. Bij elke confrontatie met tegenstrijdigheden verklaarde verzoeker dat hij deze zaken niet zou hebben gezegd voor DVZ of dat het door DVZ verkeerd neergeschreven werd. In de bestreden beslissing wordt terecht opgemerkt dat er nergens uit het verslag van DVZ valt op te maken dat er zich problemen zouden hebben voorgedaan. Bovendien verklaarde verzoeker voor DVZ de tolk goed te begrijpen en geen bezwaar te hebben tegen de tolk. Daarenboven heeft verzoeker het gehoorverslag van DVZ getekend ter goedkeuring nadat het verslag hem in het Nepalees werd voorgelezen. Wat de mogelijkheid van het verkrijgen van een oproepingsbrief als bewijs betreft, stelt verzoeker dat het logisch is dat zijn familie dit document uit angst voor de Mao Badi heeft verbrand. Verweerder merkt op dat rekening dient te worden gehouden met het geheel van de motivering en niet met diverse onderdelen van de motivering op zich. Eén onderdeel op zich kan misschien een beslissing niet dragen, maar kan in samenlezing met andere onderdelen voldoende draagkrachtig zijn. In de bestreden beslissing wordt expliciet gesteld dat deze opmerking slechts in de marge wordt gedaan. Het zijn in de eerste plaats de vastgestelde tegenstrijdigheden die de commissaris-generaal tot de conclusie hebben gebracht dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk is. Los daarvan meent verweerder dat de commissaris- generaal hoe dan ook terecht kon menen dat het zeer opmerkelijk is dat verzoekers familie een dergelijk officieel document zou weggooien. Verzoeker verwijst naar de escalerende situatie in Nepal en naar het feit dat er zeer repressief wordt opgetreden tegen eenieder die een zweem van medewerking met de Mao Badi vertoont. Verweerder antwoordt dat de geloofwaardigheid van verzoekers relaas ernstig wordt ondermijnd door het feit dat zijn opeenvolgende verklaringen voor de DVZ en het CGVS niet XIV-20.597-5/8 eensluidend zijn. Verweerder herhaalt dat de bestreden beslissing duidelijk is en dat het de taak van verzoeker is om in deze fase van de procedure een geloofwaardig en coherent verhaal te vertellen. Verweerder stelt vast dat verzoeker zijn gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie niet aannemelijk kan maken en dat aldus op grond van de in de bestreden beslissing opgesomde motieven zijn beweerde problemen eveneens ongeloofwaardig zijn. Het eerste middel is niet gegrond. In een tweede middel beroept verzoeker zich op een schending van de motiveringsverplichting. Verweerder antwoordt dat de bestreden beslissing op een correcte wijze genomen en gemotiveerd is. Naast een uiteenzetting van het vluchtrelaas door verzoeker zelf aangevoerd tijdens zijn verhoor op het commissariaat-generaal bevat de bestreden beslissing gedetailleerde overwegingen die de beslissing afdoende motiveren. Zo wordt in de bestreden beslissing terecht opgemerkt dat de door verzoeker neergelegde documenten (een brief van zijn vrouw en een lidkaart van de jeugdgroep waarvan hij lid was) geen nieuwe elementen aan zijn asielrelaas toevoegen en dus de appreciatie van het commissariaat-generaal inzake zijn asielaanvraag niet in positieve zin kunnen wijzigen. Wat betreft het door verzoeker aangehaalde rapport van Amnesty international betreffende de situatie in zijn land van herkomst, merkt verweerder op dat algemene rapporten niet volstaan om aan te tonen dat verzoeker in zijn land van herkomst werkelijk wordt bedreigd en vervolgd. Deze vrees voor vervolging dient in concreto te worden aangetoond en verzoeker blijft hier in gebreke. Verder verwijst verweerder naar zijn antwoord op het eerste middel. Het tweede middel is niet gegrond.;” 2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij er in de memorie van wederantwoord het volgende aan toevoegt: “Gelet op de memorie van antwoord van tweede tegenpartij, dat de eerste verwerende partij geen antwoord heeft gegeven alhoewel de vordering tot nietigverklaring ook tegen har was gericht. Wil verzoekende partij bij huidige memorie nog enige bijkomende verduidelijking te geven. Dat verzoeker zich beroept op de schending van de motiveringsverplichting. Verzoeker meent dat de beslissing onbegrijpelijk is om verschillende redenen. Schending van de motivering. Dat de motivering op zich eveneens tegenstrijdig is. Dat de overheid de plicht heeft om elke beslissing uitdrukkelijk te motiveren zodat ze aan verzoeker duidelijk maakt waarom tot een dergelijke beslissing werd overgegaan. Hoe kan dit in casu duidelijk zijn voor verzoeker. Dat er problemen zijn met de tolk bij het vertalen van de juiste weergave van het asielrelaas. Dat dit dan leidt tot enkele onjuistheden over de juiste maand en onjuistheden in de situering in tijd. Als verzoeker dit dan opwerpt tijdens het interview wordt hier niet de minste waarde aan gehecht omdat men stelt dat verzoeker zijn verslag heeft ondertekend. Dit is de reinste onzin, het verslag is in het Nederlands en hoe kan hij weten dat hier onjuistheden inzitten, ja dan neen. Dat hij bovendien documenten heeft aangebracht die zijn asielrelaas ondersteunen. Dat deze opgesomd worden doch dat ze niet meer in rekening worden gebracht. Dat hij werkelijk niet terug kan naar het land van oorsprong. Dat de situatie sinds hij vertrokken is alleen maar erger geworden is. Dat moest hij nu teruggaan hij onmiddellijk zou worden opgepakt. Hoelang kan iemand dit blijven verdragen van telkens met dit risico van leven. Dat het hulp bieden aan een terroristische organisatie zoals de Mao Badi een voorwendsel is om burgers op te pakken en onder druk te zetten en dat dit vaak gebeurde en nu elke dag meer en meer ... Zijn dorp stond onder het bewind van de Mao Badi en dit maakt hem zeker verdacht. Hij liep constant het risico te worden opgepakt. Dat men weet door informatie waarover men beschikt dat het risico op mishandelingen eens men gearresteerd is door de politie of het leger vrij groot zijn. Dat men niet moet doen of dit zuiver hypothetisch is. Dat elkeen die naar België vlucht en stelt wat hem kan overkomen bij terugkeer en welk zijn concrete angst is, telkens zal verklaren wat hem hypothetisch kan overkomen indien het hem al overkomen was, had hij of zij immers niet meer kunnen vluchten. XIV-20.597-6/8 Dat hij zeker aanwijzingen heeft aangebracht die erop wijzen dat hij risico loopt en dat dit verder onderzocht had moeten worden. Dat er dan ook meer dan voldoende redenen zijn om te stellend at de huidige beslissing dient vernietigd te worden.”; 2.
  7. Overwegende, in de mate dat de verzoekende partij de schending van de uitdrukkelijke motiveringsplicht opwerpt, dat deze tot doel heeft dat de bestuurde in de hem aanbelangende beslissing de gronden kan terugvinden waarop die beslissing is gesteund om aldus met kennis van zaken te kunnen nagaan of het zinvol is gebruik te maken van de beroepsmogelijkheden waarover de bestuurde in rechte beschikt; dat de motieven op duidelijke wijze in de bestreden beslissing kunnen worden gelezen en er nader in zijn ontwikkeld, te weten een aantal concreet uitgewerkte tegenstrijdigheden in de opeenvolgende verklaringen van de verzoekende partij, met telkens een verwijzing naar de vindplaats ervan in de verhoorverslagen; dat in de bestreden beslissing eveneens wordt gemotiveerd waarom de uitleg van de verzoekende partij als zouden haar verklaringen op de dienst Vreemdelingenzaken verkeerd zijn genoteerd, niet aanvaard wordt; dat meer bepaald wordt verwezen naar het feit dat het verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken op het einde van het verhoor aan de verzoekende partij was voorgelezen, dat de verzoekende partij toen heeft verklaard dat zij de tolk goed had begrepen en dat zij het verhoorverslag zonder enig voorbehoud of opmerking heeft ondertekend; dat de verzoekende partij aldus de gronden waarop de bestreden beslissing is gesteund, duidelijk in die beslissing kan terugvinden; dat daarmee aan de voornaamste doelstelling van de uitdrukkelijke motiveringsplicht is voldaan; dat de middelen in die mate ongegrond zijn; Overwegende, in de mate dat de verzoekende partij de schending van de materiële motiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel opwerpt, dat het bij de beoordeling daarvan niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat de verzoekende partij zowel op de dienst Vreemdelingenzaken als op het commissariaat- generaal werd gehoord, dat zij op het commissariaat-generaal werd geconfronteerd met de tegenstrijdigheden in haar verklaringen en dat zij derhalve bezwaarlijk kan voorhouden dat zij niet werd gehoord of zich niet kon verdedigen; dat de verzoekende partij in wezen slechts haar eigen standpunt blijft herhalen, zonder daarmee echter aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze is genomen; dat de middelen in die mate ongegrond zijn; Overwegende dat de verzoekende partij evenmin aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, a fortiori niet nu XIV-20.597-7/8 de verzoekende partij op het commissariaat-generaal blijkt te zijn geconfronteerd met de verschilpunten tussen haar opeenvolgende verklaringen; dat de middelen ook in die mate ongegrond zijn; Overwegende dat de verzoekende partij met een ter post aangetekend schrijven van 7 maart 2005 wijst op het feit “dat sinds begin februari NEPAL afgesloten is voor de buitenwereld” en “dat de koning en de militairen de macht hebben gegrepen”; dat deze gegevens niet van aard zijn om de beoordeling van de wettigheid van de reeds in augustus 2004 genomen bestreden beslissing te kunnen beïnvloeden en derhalve niet dienstig kunnen worden aangevoerd;
  8. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  9. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig september tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-20.597-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.297 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.