← België

Arrest 149298 - - 22/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.298 Rolnummer: A. 119665/XIV-9560 Zaak: Arrest 149298 - - 22/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-04 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-03 00:38 Fiche Arrest nr 149.298 van 22 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.298 van 22 september 2005 in de zaak A. 119.665/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat K.-W. ADAM, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 122 bus 32 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 15 april 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 3 april 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 mei 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 18 april 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 28 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-9560-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat K.-W. ADAM, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 25 oktober 2000 en zich op 27 oktober 2000 vluchteling verklaart; dat op 4 mei 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 3 april 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U, een Russisch staatsburger van Russische origine, verklaart omwille van dienstweigering uw land te zijn ontvlucht. Op 20 of 21 oktober 2000 verliet u uw land. Op 25 oktober 2000 kwam u in België aan waar u op 27 oktober 2000 asiel hebt aangevraagd bij de Belgische autoriteiten. U bent niet in het bezit van een geldig identiteitsdocument. U was net begonnen aan de universiteit van Yaroslav1, toen u een convocatie kreeg om u te gaan melden voor uw legerdienst. U kreeg een convocatie om u op 13 september 2000 aan te bieden bij het militair commissariaat. U bezorgde het militair commissariaat een attest zodat u vanwege uw studies uw legerdienst nog niet zou moeten doen. Dit attest werd aanvaard, maar u werd toch opnieuw geconvoceerd op 3 oktober 2000 om een medisch onderzoek te ondergaan. Majoor Yovzvinsky deelde u mee dat u uw legerdienst toch zou moeten doen en dat u, indien u dat wenst, eventueel nadien nog kan verder studeren. U zou terechtkomen bij de afdeling Volgograd. U werd opnieuw geconvoceerd op 12 oktober
  3. Deze keer ging u echter niet en 's avonds kreeg u reeds bezoek van drie politieagenten. U werd geslagen en naar het politiekantoor gebracht waar u in een cel werd opgesloten. Ook in de cel werd u geslagen door twee politieagenten. De volgende ochtend werd u van het politiekantoor naar het militair commissariaat gebracht. U werd gedwongen een document te ondertekenen waarin stond dat u de stad niet zou verlaten en u kreeg een nieuwe convocatie mee voor 23 oktober
  4. U raadpleegde een jurist, een kennis van uw vader, die u aanraadde u te verbergen aangezien gerechtelijke stappen niets zouden uithalen. U zag geen andere uitweg dan te vluchten. Er dient te worden vastgesteld dat uw verklaringen niet overeenstemmen met de informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt. Het feit dat uw uitstel geweigerd werd, alhoewel u een attest voorlegde dat u voltijds zou gaan studeren, is wel rechtsgeldig indien u reeds meerdere keren uitstel verkreeg zoals u zelf verklaarde. Het is dus normaal dat u gevraagd werd eerst uw legerdienst te vervullen, om eventueel later uw studies verder te zetten (UNHCR Background information on military service in the Russian Federation, 12 juni 1997; UNHCR Update on military service in the Russian Federation, 22 juni 1998). Verder dient te worden opgemerkt dat u weigerde uw dienstplicht te vervullen omdat u enerzijds uw studies wou voltooien en anderzijds omdat u niet wilt doden en sympathie hebt voor het Tsjetsjeense volk. Indien u omwille van gewetensbezwaren uw legerdienst niet wil volbrengen, kunt u een aanvraag indienen voor alternatieve dienstplicht. Het is mogelijk alternatieve dienstplicht aan te vragen via gerechtelijke weg. Vele jongeren proberen op die manier op te komen voor hun rechten en slagen daar ook in (zie: antwoord Cedoca dd. 24/01/01). Uit uw verklaringen blijkt dat u zich niet de moeite hebt genomen bij hel, militair commissariaat om alternatieve dienstplicht te verzoeken en/of een gerechtelijke procedure op te starten om uw gelijk te halen. U geeft trouwens zelf aan dat u een geval kent waarbij de aanvrager van alternatieve dienstplicht zijn gelijk heeft gekregen. Verder is het zeer merkwaardig dat u geen enkel origineel document kan voorleggen om uw asielrelaas te ondersteunen. De uitleg die u daarvoor geeft is onvoldoende. Bij uw binnenkomst in België had u geen enkel document bij en de documenten die u van thuis kreeg doorgestuurd, hebt u niet meer omdat ze op mysterieuze wijze zijn verdwenen uit uw woning in België. Enkel de kopies van twee convocaties werden niet ontvreemd uit uw woonst hier in XIV-9560-2/6 België omdat u deze beter verstopt had. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde kopies van documenten wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. De kopieën van de convocaties gaan over een oproeping door het militair commissariaat. De kopie van het diploma bewijst uw opleiding. Het reisbiljet bewijst dat u het openbaar vervoer gebruikte.”; 2.1.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel opwerpt dat luidt als volgt: “Schending van de motiveringsplicht opgelegd door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, en artikel 62 van de wet van 15 december
  6. Vooreerst dient de motivering, die het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen aan haar beslissing dd 3 april 2002 ten gronde legt, als onvoldoende te worden beschouwd. Meer bepaald wijst het commissariaat-generaal de asielaanvraag van verzoeker af op grond van de overweging dat het relaas van verzoeker niet in overeenstemming zou zijn met de gegevens waarover het commissariaat-generaal zou beschikken. Zoals reeds vermeld, is in casu niet duidelijk over welke gegevens zij zou beschikken en welke gegevens van het relaas van verzoeker hiermee niet in overeenstemming zouden zijn. Met betrekking tot dit argument dient te worden opgemerkt dat de eventuele tegenstrijdigheden in het relaas van verzoeker hoogstens betrekking zouden kunnen hebben gehad op loutere details, meer bepaald data, waarvan niet kan worden verwacht dat verzoeker deze steeds even correct weergeeft. Indien al van enige inconsequentie sprake zou zijn in hoofde van verzoeker - quod non - zou deze in geen enkel geval als determinerend mogen worden beschouwd gelet op de gebeurtenissen waarvan verzoeker het slachtoffer is geweest. Het commissariaat-generaal lijkt voorbij te gaan aan het feit dat verzoeker zware tijden achter de rug heeft, tijdens dewelke hij voortdurend vreesde voor zijn leven. Uit de bestreden beslissing blijkt evenwel niet dat verzoeker tegenstrijdigheden heeft verteld, die van wezenlijke aard zouden kunnen zijn voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van de asielaanvraag. Het commissariaat-generaal moet er zich immers toe beperken na te gaan of de betrokkene effectief een gegronde vrees kan laten gelden voor de vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging. Verzoeker is, na vele traumatische ervaringen, zijn geboorteland ontvlucht om in een vreemd land, met een voor hem vreemde cultuur en ver weg van de rest van zijn familie, terecht te komen. Dit alles heeft logischerwijze voor heel wat psychische inspanningen gezorgd, wat minieme tegenstrijdigheden, zoals het verwisselen van data, kan verklaren.”; 2.1.
  7. Overwegende dat de uitdrukkelijke motiveringsplicht, waarop de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) betrekking hebben, tot doel heeft dat de bestuurde in de hem aanbelangende beslissing de gronden kan terugvinden waarop die beslissing is gesteund om aldus met kennis van zaken te kunnen nagaan of het zinvol is gebruik te maken van de beroepsmogelijkheden waarover de bestuurde in rechte beschikt; dat, anders dan de verzoekende partij voorhoudt, in de bestreden beslissing duidelijk wordt uiteengezet waarom de uitleg van de verzoekende partij niet in overeenstemming met de informatie van de commissaris-generaal wordt geacht, dit met betrekking tot de mogelijkheid van uitstel van militaire dienst en de mogelijkheid van alternatieve dienst; dat telkens nauwkeurig naar de bronnen wordt verwezen waarop de commissaris-generaal zich steunt; dat aldus aan de voornaamste doelstelling van de uitdrukkelijke motiveringsplicht is voldaan; dat het eerste middel in die mate ongegrond is; XIV-9560-3/6 Overwegende dat de verzoekende partij verder verwijst naar mogelijke tegenstrijdigheden in haar verklaringen en deze minimaliseert; dat in de bestreden beslissing echter geen enkele tegenstrijdigheid als motief voorkomt, zodat het eerste middel in die mate feitelijke grondslag mist; 2.2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel opwerpt dat luidt als volgt: “Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder de verplichting van de overheid om zich te informeren over alle elementen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het dossier en de verplichting van de overheid om uit deze feiten juiste gevolgtrekkingen af te leiden. Het commissariaat-generaal werpt verder op dat er zich een aantal hiaten zouden voordoen in de verschillende verklaringen van verzoeker. Voor zover dit het geval is, zou dit het loutere gevolg zijn van een onvolledig interview van verzoeker door het commissariaat-generaal. Verzoeker heeft in zijn geboorteland zoveel gruwel meegemaakt dat het voor hem onmogelijk is om zijn verhaal, dat begint op datum waarop hij in België aankwam, hetzij op 25 oktober 2000, en dat tot nu doorloopt, telkens even gestructureerd en gedetailleerd weer te geven. Meer bepaald is het de taak van het commissariaat-generaal om alle elementen van de zaak na te gaan en verzoeker met gerichte vragen te helpen zijn verhaal te reconstrueren. Ten onrechte wordt door het commissariaat-generaal geponeerd dat het normaal is dat aan verzoeker werd gevraagd om eerst zijn dienstplicht te vervullen, om eventueel zijn studies verder te zetten. Eveneens ten onrechte wordt door het commissariaat-generaal geponeerd dat verzoeker zich geen enkele moeite zou hebben getroost om bij het militair commissariaat om alternatieve dienstplicht te verzoeker. Tevens had zij moeten vaststellen dat verzoeker niet eens de mogelijkheid heeft gehad om een gerechtelijke procedure te starten. De vaststelling dat het commissariaat-generaal stelt dat het merkwaardig is dat verzoeker geen identiteitspapieren kan voorleggen om zijn asielaanvraag te ondersteunen, impliceert de facto dat hetzij niet werd geïnformeerd achter de relevante feiten van het dossier, hetzij dat geen juiste gevolgtrekking werd afgeleid uit de relevante feiten van het dossier. In geen enkel geval zou het niet voorleggen van zijn identiteitspapieren tegen hem kunnen worden gebruikt als motivering om zijn aanvraag af te wijzen. Evenmin zou het commissariaat- generaal kunnen berusten in de vaststelling dat geen gerechtelijke stappen zouden zijn ondernomen om een alternatieve dienstplicht te vervullen, waardoor zij zou voorbijgaan aan de feiten en redenen die hiertoe aan de grondslag liggen. Tenslotte is niet duidelijk om welke reden het commissariaat-generaal stelt dat verzoeker slechts kopie zou hebben van twee convocaties, daar waar door verzoeker vier convocaties werden overlegd.”; 2.2.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij verwijst naar traumatische gebeurtenissen waardoor zij haar verhaal niet gestructureerd en gedetailleerd zou hebben kunnen weergeven; dat de bestreden beslissing echter niet is gesteund op onvolledige of tegenstrijdige verklaringen, doch op het feit dat de uitleg van de verzoekende partij over uitstel van militaire dienst en over alternatieve dienst in strijd is met de informatie waarover de commissaris-generaal beschikt; dat de verzoekende partij in het tweede middel niet op die motieven ingaat; Overwegende dat het niet kunnen voorleggen van identiteitspapieren geen weigeringsmotief vormt; dat de commissaris-generaal het slechts zeer merkwaardig acht dat documenten van de verzoekende partij op mysterieuze wijze uit haar woning in België zouden zijn verdwenen; dat het middel in die mate feitelijke grondslag mist; XIV-9560-4/6 Overwegende dat de verzoekende partij niet uiteenzet op welke punten uit haar asielrelaas de commissaris-generaal verder zou hebben moeten ingaan, daargelaten de vaststelling dat van een kandidaat-vluchteling mag worden verwacht dat hij op coherente wijze de feiten die aanleiding hebben gegeven tot zijn vlucht kan uiteenzetten; dat de verzoekende partij derhalve niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing op onzorgvuldige wijze tot stand zou zijn gekomen; dat het middel in die mate ongegrond is; 2.3.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel opwerpt dat luidt als volgt: “Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het recht van verdediging. Het commissariaat-generaal meent ten onrechte dat er geen elementen in het dossier aanwezig zijn die een positieve beoordeling van de aanvraag van verzoeker zou toelaten. Eveneens ten onrechte werd geen rekening gehouden met de argumenten die door verzoeker werden opgeworpen en die van aard zijn om zijn asielaanvraag te ondersteunen. Ten overvloede kan worden gesteld dat verzoeker, gezien de versnelde procedure, rekening houdend met de asielaanvraag van verzoeker en de kort daarop volgende beslissingen, in de onmogelijkheid verkeert om bijkomende elementen en stavingsstukken voor te leggen. Contact met de overige familieleden en vrienden in zijn geboorteland is op dit ogenblik namelijk uitgesloten. In casu dient te worden vastgesteld dat aan verzoeker de mogelijkheid werd ontnomen om zijn aanvraag op afdoende wijze te staven. Doordat tevens geen rekening werd gehouden met de door verzoeker opgeworpen grieven, werd afbreuk gedaan aan zijn recht van verdediging.”; 2.3.
  11. Overwegende dat de rechten van verdediging in administratiefrechtelijke zaken enkel van toepassing zijn op tuchtzaken doch niet op administratieve beslissingen die worden genomen in het raam van de Vreemdelingenwet, zoals in casu; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij met de stelling dat de bestreden beslissing te snel zou zijn genomen, blijkbaar de schending van de zorgvuldigheidsplicht opwerpt; dat de behandeling van de asielaanvraag ongeveer anderhalf jaar heeft geduurd, waarvan ongeveer tien maanden voor de behandeling van het dringend beroep; dat er bijna drie maanden zijn verlopen tussen het verhoor op het commissariaat-generaal op 16 januari 2002 en het nemen van de bestreden beslissing op 3 april 2002; dat de verzoekende partij toen nog over de tijd beschikte om stukken te bezorgen; dat zij ook thans niet uiteenzet welke “bijkomende elementen en stavingsstukken” zij had willen bijbrengen; dat de verzoekende partij aldus geen schending van de zorgvuldigheidsplicht aannemelijk maakt en dat het middel in die mate ongegrond is;
  12. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als XIV-9560-5/6 accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  13. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig september tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-9560-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.298 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.