id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.302 Rolnummer: A. 119866/XIV-9642 Zaak: Arrest 149302 - - 22/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-10-04 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-03 00:38 Fiche Arrest nr 149.302 van 22 september 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.302 van 22 september 2005 in de zaak A. 119.866/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. MOMMERENCY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Angolese nationaliteit, op 18 april 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 20 maart 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 29 januari 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 23 april 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 28 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-9642-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. CALLEWAERT, die loco advocaat J. MOMMERENCY verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 3 januari 2002 en zich op 8 januari 2002 vluchteling verklaart; dat op 29 januari 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 20 maart 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Ik vestig de aandacht van de Minister op de moeilijke humanitaire toestand in uw land van herkomst. Het komt aan hem toe bij een eventuele gedwongen terugleiding hiermee rekening te houden. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). Ik vestig de aandacht van de Minister van Binnenlandse Zaken op het feit dat u krachtens uw nationale wet minderjarig bent en dat bijgevolg het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989, geratificeerd door België, op u kan worden toegepast. De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. U kan tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring of/en een beroep tot schorsing, eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid, instellen voor de afdeling Administratie van de Raad van State. Deze beroepen zijn niet opschortend. Het beroep tot nietigverklaring en het beroep tot schorsing moet u inleiden door afzonderlijk gedagtekende verzoekschriften die door u of door uw advocaat zijn ondertekend. U dient deze per post aangetekend toe te zenden aan de Heer Eerste Voorzitter van de Raad van State, Wetenschapsstraat 33, 1040 Brussel. Deze beroepen dienen te worden ingesteld binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van deze beslissing. De dag van de kennisgeving is niet in deze termijn inbegrepen. Het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient ingediend te worden binnen de termijn bepaald door de rechtsspraak van de Raad van State (op straffe van onontvankelijkheid). Gecoördineerde Wetten op de Raad van State: artikelen 14 en 17 – Regentsbesluit van 23/08/1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Administratie van de Raad van state – Koninklijk Besluit van 05/12/1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State - Koninklijk Besluit van 09/07/2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de vreemdelingenwet. Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U beweerde de Angolese nationaliteit te bezitten, tot de bakongo-etnie te behoren en uit Luanda afkomstig te zijn. U verbleef sedert begin 2001 in Luanda in de woning van een vriend van uw vader, Nzissala Alfonse. Voordien verbleef u in Damba (provincie Uige) met uw ouders, Longui André en Suaminu Teresa, en uw broers en zussen. Eén broer, A. (OV 4.161.114 en CG 91-25.659), XIV-9642-2/7 verblijft sedert een niet nader door u bepaalde periode in België. Uw oom, S. (HCR C/94737), verbleef eveneens sedert een u onbekend tijdstip in België, maar hij overleed in
- Uw beide ouders zijn gewoon lid van het “FNLA” (Frente Nacional de Libertação de Angola). Uw oom oefende een niet nader door u bepaalde belangrijke functie uit binnen het FNLA. Hij kreeg problemen met de Angolese autoriteiten en vluchtte naar België. Uw broer, Longui Maquinilas André, kreeg eveneens problemen omwille van uw oom en verliet evenzeer zijn land van herkomst. U sympathiseerde met het FNLA. In Damba werd uw familie veelal bedreigd door de militairen. U ging begin 2001 naar Luanda. De leraars en de directrice van de school, Nanda, vroegen of u familie was van S. (uw oom), maar u ontkende dit altijd. Op 10 september 2001 werd u op school aangehouden door vijf of zes geüniformeerde agenten. U werd naar de “DNIC” (Direcção Nacional d’ lnvestigação Criminal) gebracht, alwaar u naar de verblijfplaats van uw oom en u broer werd gevraagd. U werd er bedreigd en geslagen. Op 27 december 2001 slaagde u er in om uit de gevangenis te ontsnappen met behulp van A., die een kapitein omkocht. A. bracht u onder in de woning van een blanke kennis, F., in Luanda, die de nodige regelingen trof opdat u het land zou kunnen verlaten. Op 2 januari 2002 reisde u vanuit Luanda, onder begeleiding van F., per vliegtuig naar België (met tussenlanding in een u onbekend land), alwaar u ‘s anderendaags aankwam. U vroeg op 8 januari 2002 asiel aan in België. Uw broer, A., werd in België de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling geweigerd door de Commissaris-generaal op 8 augustus 1995, hetgeen werd bevestigd door de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen op 15 oktober
- Uw oom, S. werd in 1987 in België de hoedanigheid van vluchteling in de zin van de Conventie van Genève verleend. Er dient te worden benadrukt dat u niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door u ingeroepen feiten ter staving van uw asielaanvraag een uiting zouden zijn van een geïndividualiseerde “vrees voor vervolging” in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève. Vooreerst bestaan er tijdens het verhoor voor het Commissariaat-generaal (CG) enige twijfels omtrent uw beweerde verblijf in Damba (Uige) van kort na uw geboorte tot begin
- Immers, u kent geen enkele rivier in de onmiddellijke omgeving van Damba, alhoewel u verzekert dat er wel degelijk rivieren in de buurt zijn (CG p.3). Merkwaardigerwijs kent u geen enkel dorp of stad in de buurt van Damba (CG p.2). U vermeldt verder nog voor het Commissariaat-generaal dat u en uw familie Damba ontvluchtten indien er aanvallen waren of u en uw familie bedreigd werden door de militairen (CG pp.2, 3 en 11). Wanneer u vervolgens door het Commissariaat-generaal wordt gevraagd op welke andere plaatsen u zich dan vestigde, antwoordt u dit niet te weten omdat u het in Uige niet zo goed kent (CG p.2), hetgeen een weinig overtuigende verklaring is. U stelt voor het Commissariaat-generaal dat Damba wordt bezet door het FNLA en de “UNITA” (União Nacional para a Independencia Total de Angola) (CG p.4). Wanneer u vervolgens door het Commissariaat-generaal in dit verband wordt gevraagd of het FNLA een gewapende strijd levert in Angola, blijft u het antwoord schuldig (CG p.4). U stelt voor het Commissariaat-generaal dat u naar de school, “Seda do Kimbo”, ging in Damba, maar u kent geen enkele andere naam van een school in Damba (CG p.4). U kent verder voor het Commissariaat-generaal ook geen enkel dorp of stad op de weg van Damba naar Luanda (CG p.4). Wanneer u naar de provincies in de onmiddellijke omgeving van de provincie Uige wordt gevraagd, beweert u dit niet te weten, maar stelt u wel alle Angolese provincies te kennen (CG p.5). U kent buiten Damba geen enkele andere grote stad in de provincie Uige (CG p.5). Ook omtrent uw beweerde sympathie voor het FNLA (CG p.9) en het lidmaatschap van uw ouders van het FNLA (CG pp.3 en 6) kunnen enige vraagtekens worden gesteld. Zo is het bijzonder opmerkelijk dat u er geen idee van blijkt te hebben tijdens het verhoor in dringend beroep of u ouders activiteiten hebben voor het FNLA (CG p.6) en u weet evenmin of uw ouders een lidkaart van het FNLA in hun bezit hebben (CG p.6). Wanneer u door het Commissariaatgeneraal de vraag wordt gesteld of het FNLA een verboden partij is in Angola, beweert u dit niet te weten (CG p.7). U kan voor het Commissariaat-generaal ook niet verduidelijken of het FNLA vertegenwoordigd is in het parlement (CG p15) en u blijkt er ook geen idee van te hebben of het FNLA over een kantoor beschikt in Luanda (CG p.15). Verder is het bijzonder merkwaardig dat u voor het Commissariaat-generaal de voorzitter van het FNLA verkeerdelijk benoemt als Horden Roberto (CG p.9 en bijlage bij het verhoorverslag CG) (zie bijgevoegde informatie in het administratief dossier)-. U bent verder ook niet in staat de vlag van het FNLA correct te beschrijven en de kleuren van de vlag van het FNLA zijn u zelfs in het geheel onbekend (CG p.9 en bijlage bij het verhoorverslag CG) (zie bijgevoegde informatie in het administratief dossier). Bovendien legt u omtrent de vervolgingsfeiten eveneens vage, incoherente en weinig aannemelijke verklaringen af voor het Commissariaat- generaal, die de geloofwaardigheid van uw asielrelaas in verdere mate ondermijnen. U verklaart immers voor het Commissariaatgeneraal dat u werd gearresteerd omwille van de problemen van uw oom (en zijn twee zonen) en uw broer (CG p.10). U specificeert nog voor het Commissariaat-generaal dat uw broer problemen had omwille van uw oom (Cg p.7). Wanneer u door het Commissariaat-generaal wordt gevraagd welke problemen uw broer precies heeft gekend, blijkt u dit niet te weten (CG p.7). U blijkt ook niet te weten of uw broer, Longui Maquinilas André, lid zou zijn geweest van het FNLA in Angola (CG p.7). U beweert voor het Commissariaat-generaal dat uw oom problemen kreeg in Angola omwille van zijn lidmaatschap van het FNLA (CG p.8). Wanneer u door het Commissariaatgeneraal wordt XIV-9642-3/7 gevraagd welke problemen uw oom dan wel had, kan u dit niet specificeren (CG p.8). U kan evenmin tijdens het verhoor in dringend beroep verduidelijken welke functie uw oom binnen het FNLA uitoefende (tenzij “een belangrijk lid” en “hij hield zich bezig met een u onbekend gedeelte van het FNLA”) (CG p.8). Ook de activiteiten van uw oom voor het FNLA zijn u onbekend (CG p.8). U blijkt evenmin te weten tijdens het verhoor in dringend beroep of uw oom actief was voor het FNLA in Luanda of elders (CG p.9). Uw eventuele “verantwoording”, met name dat u nog niet geboren was op het moment dat uw oom problemen kreeg en u slechts vijf jaar was toen uw broer problemen kreeg (CG p.9), komt op het eerste gezicht aannemelijk over, maar niettemin mag er redelijkerwijze van u worden verwacht dat u enige informatie kanverstrekken over de functie en de activiteiten van uw oom binnen het FNLA en de problemen die hij omwille van dit lidmaatschap zou hebben gekend, aangezien u zich voor wat betreft de motieven van uw asielaanvraag, uitsluitend op het lidmaatschap van uw oom van het FNLA en de problemen die hij hierdoor heeft gekregen baseert. Verder kan u voor het Commissariaatgeneraal ook niet verduidelijken hoe de politie te weten kwam dat u gerelateerd was met uw oom en uw broer (CG p.12). U vermoedt dat het misschien door een gelijkenis was of door de naam, maar deze verklaring komt weinig overtuigend over (CG p.12). U bent verder voor het Commissariaat-generaal niet in staat te preciseren hoeveel keer u door de politie werd ondervraagd over de verblijfplaats van uw oom en uw broer (tenzij “dikwijls”) (CG p.13). U blijkt er ook geen idee van te hebben hoe A. te weten kwam dat u in de gevangenis was opgesloten en u weet evenmin hoeveel A. aan de kapitein betaalde om u uit uw detentieplaats te halen (CG p.13).Wanneer u door het Commissariaat-generaal wordt gevraagd of A. eveneens lid is van het FNLA, blijft u het antwoord schuldig (CG p.15), alhoewel u voor het Commissariaatgeneraal stelt sedert begin 2001 bij A. in Luanda te verblijven (CG p.1). Daarenboven, zelfs indien de door u ingeroepen feiten aan de werkelijkheid zouden beantwoorden (quod non), is het weinig waarschijnlijk dat u nu nog omwille van uw sympathie voor het FNLA en uw banden met het FNLA zou worden vervolgd door de Angolese autoriteiten. Immers het FNLA is een legale partij in Angola die wordt vertegenwoordigd in het parlement (zie bijgevoegde informatie in het administratief dossier). Er zijn geen aanwijzingen dat leden (en sympathisanten) van het FNLA zouden worden vervolgd in Angola (zie recente mensenrechtenrapporten Human Rights Watch, World Report 2000 en 2001 en Amnesty International Annual Report 2000 en 2001). De erkenning van de hoedanigheid van vluchteling van uw (vermeende) oom, S. door het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen, vertegenwoordiging voor België, in 1987, doet geen afbreuk aan voorgaande vaststellingen, omdat iedere aanvraag individueel onderzocht en beoordeeld moet worden. De door u voorgelegde documenten, met name een “Certificat d’inscription au registre des étrangers” op naam van XXX; een Belgische identiteitskaart op naam van A. (een zoon van uw oom); een identiteitskaart voor vreemdeling op naam van C. (een zoon van uw oom); een schrijven van de Dienst Vreemdelingenzaken, dd. 22 april 1999 betreffende XXX en een attest van R., dd. 15 mei 1992 betreffende S. , doen geen afbreuk aan voorgaande vaststellingen, omdat deze documenten irrelevant zijn voor uw asielrelaas en in elk geval niet op u van betrekking zijn. De door u voorgelegde “Cédula pessoal” (geboortecertificaat) van Angola, doet geen afbreuk aan voorgaande vaststellingen, omdat uw identiteit (zoals die op dit certificaat figureert) niet meteen in twijfel wordt getrokken. U blijkt verder niet in het bezit te zijn van enig document dat een controle van uw reisweg mogelijk zou kunnen maken. Overigens is het bijzonder merkwaardig dat u voor het Commissariaat-generaal niet weet met welke luchtvaartmaatschappij u Luanda zou hebben verlaten en in welke luchthaven u een tussenlanding zou hebben gemaakt (CG p.15). Tot slot brengt het verzoekschrift van uw raadsman, Meester Edith Flamand, tot instelling van een dringend beroep geen andere elementen naar voor die de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken vermogen te wijzigen.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending opwerpt van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat zij aanvoert dat in de bestreden beslissing wordt getwijfeld aan het verblijf van de verzoekende partij in Damba (Uige), doch dat zij slechts 15 jaar was toen zij uit Uige vertrok en daarom niet uit eigen ervaring plaatsen en rivieren kende, dat in de bestreden beslissing vraagtekens bij de sympathie voor en het lidmaatschap van het FNLA worden geplaatst en dat op een aantal vage, incoherente en XIV-9642-4/7 weinig aannemelijke verklaringen wordt gewezen, doch dat de verzoekende partij te jong was om inzicht te hebben in politieke feiten en structuren, dat zij daardoor ook de politieke activiteiten van haar familieleden niet kon duiden en dat zij omwille van familieverwantschap om politieke redenen werd vervolgd, dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat het FNLA inmiddels een legale partij in Angola is en er geen aanwijzingen zijn dat de leden ervan worden vervolgd, doch dat het centrale gezag in Angola niet voldoende bij machte is om eigengereide acties tegen politieke opposanten te vermijden, dat nog steeds een niet-terugleidingsclausule van kracht is voor Angola, dat de bestreden beslissing erg aarzelende bewoordingen gebruikt, zoals “enige twijfels”, “enige vraagtekens” en “weinig waarschijnlijk” en dat de bestreden beslissing onvoldoende is gemotiveerd gezien de jeugdige leeftijd van de verzoekende partij en de nog steeds gevaarlijke toestand in Angola; 2.
- Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de uitdrukkelijke motiveringsplicht; dat deze tot doel heeft dat de bestuurde in de hem aanbelangende beslissing de gronden kan terugvinden waarop die beslissing is gesteund om aldus met kennis van zaken te kunnen nagaan of het zinvol is gebruik te maken van de beroepsmogelijkheden waarover de bestuurde in rechte beschikt; dat de motieven in casu op eenvoudige wijze in de bestreden beslissing kunnen worden gelezen en er nader in zijn ontwikkeld, te weten de twijfel aan het voorgehouden verblijf van de verzoekende partij in Damba (Uige), de twijfel aan de voorgehouden sympathie van de verzoekende partij voor het FNLA en aan het lidmaatschap van haar ouders, een aantal vage, incoherente en weinig aannemelijke verklaringen en de onwaarschijnlijkheid dat de verzoekende partij omwille van haar sympathie voor en banden met het FNLA nog zou worden vervolgd in Angola; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij deze motieven kent en ze inhoudelijk aanvecht; dat aldus aan de voornaamste doelstelling van de uitdrukkelijke motiveringsplicht is voldaan; dat het enige middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij met haar inhoudelijke kritiek in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt en dat het middel verder vanuit dat standpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling daarvan niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat de verzoekende partij met de verwijzing naar haar vertrek op vijftienjarige leeftijd uit Damba niet aannemelijk maakt dat het kennelijk onredelijk is om in aanmerking te nemen dat zij geen enkele plaats, stad of XIV-9642-5/7 rivier in de streek aldaar kent; dat de verzoekende partij met de verwijzing naar haar leeftijd evenmin aannemelijk maakt waarom zij zo goed als geen kennis heeft van het FNLA en zelfs niet weet hoe de vlag van het FNLA eruit ziet en of het al dan niet een verboden partij is; dat de verzoekende partij niet concreet ingaat op de in de bestreden beslissing vermelde “vage, incoherente en weinig aannemelijke verklaringen” doch zich beperkt tot een eigen algemeen standpunt dat men ook omwille van familieverwantschap om politieke redenen kan worden vervolgd; dat zij met haar eigen standpunt over de onmacht van het centrale gezag in Angola de vaststellingen in de bestreden beslissing over het huidige statuut van het FNLA als legale en parlementair vertegenwoordigde partij niet weerlegt; dat de commissaris-generaal in zijn advies aan de minister van Binnenlandse Zaken over de terugleiding wijst op de “moeilijke humanitaire toestand” in Angola en op de toepassing van het verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989; dat deze toestand los staat van de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag; dat de motivering van de bestreden beslissing bovendien als een geheel moet worden gelezen, waarbij niet ieder afzonderlijk element die beslissing in haar geheel moet kunnen dragen; dat de verzoekende partij met het voorgaande niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing is gesteund op onjuiste feitelijke gegevens of kennelijk onredelijk is; dat het enige middel ook in die mate ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-9642-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig september tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-9642-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.302 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.