← België

Arrest 149310 - - 22/09/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.310 Rolnummer: A. 166010/XII-4533 Zaak: Arrest 149310 - - 22/09/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-09-26 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-03 00:40 Fiche Arrest nr 149.310 van 22 september 2005 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 149.310 van 22 september 2005 in de zaak A. 166.010/XII-

  1. In zake : Zinebe AMMOUCHE, vertegenwoordigd door haar ouders Mohammed Ammouche en Fatiha Loudasi, die woonplaats kiest bij advocaat Chr. Lesaffer, kantoor houdende te Antwerpen, Alfred Coolsstraat 2-4 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door Scholengroep 5 - Mechelen - Keerbergen - Heist-Op-Den-Berg, dat woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Amerikalei 220, bus
  2. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Zinebe Ammouche, vertegenwoordigd door haar ouders M. Ammouche en F. Loudasi, op 14 september 2005 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 6 september 2005 van het college van directeurs van Scholengroep 5 van het Gemeenschapsonderwijs houdende weigering tot samenroeping van de klassenraad; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 15 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 september 2005, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat Chr. Lesaffer, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij; XII-4533-1\9 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De voorgaanden
  3. Overwegende dat de feiten dienstig voor de beoordeling van de vordering tot schorsing de volgende zijn : Verzoekster is tijdens het schooljaar 2003-2004 ingeschreven in het koninklijk technisch atheneum in Niel. Op het einde van dat schooljaar wordt beslist tot een attestwijziging met heroriëntatie naar het buitengewoon onderwijs. Partijen betwisten of de attestwijziging voldoende duidelijk aan de ouders is gecommuniceerd, zeker is dat het attest zelf “gezien de voorgaande incidenten” niet onmiddellijk aan de ouders wordt overgemaakt. Onbewust van de attestwijziging van type 1 naar type 2, wordt verzoekster in september voor het schooljaar 2004-2005 ingeschreven in De Beemden, school voor buitengewoon secundair onderwijs, in het tweede leerjaar, studiegebied personenzorg, opleiding logistiek assistent: een opleiding die behoort tot de zogenaamde opleidingsvorm 3 (OV3, buitengewoon secundair beroepsonderwijs) van type 1 (buitengewoon onderwijs dat aangepast is aan de opvoedingsbehoeften van kinderen en adolescenten met licht mentale handicap). Pas in de loop van de maand oktober krijgt de school rechtstreeks van het CLB het attest en het inschrijvingsverslag, waaruit blijkt dat verzoekster verwezen is naar type 2 (buitengewoon onderwijs dat aangepast is aan de opvoedingsbehoeften van kinderen en adolescenten met matig mentale handicap en/of van kinderen en adolescenten met ernstig mentale handicap), opleidingsvorm 2 (OV2, onderwijs tot sociale aanpassing en arbeidsgeschiktmaking). De ouders worden uitgenodigd voor een gesprek, waarvan het resultaat is dat het attest vooralsnog niet veranderd wordt maar dat verzoekster, aldus verwerende partij, “nog een tijdje in OV3 mocht blijven om na te gaan of zij eventueel, ondanks haar zwakke mentale mogelijkheden, toch over de nodige handvaardigheid zou beschikken”. XII-4533-2\9 Op 30 juni 2005 ontvangt verzoekster een eindrapport met de mededeling : “Eindbeslissing. De klassenraad oordeelt dat uw dochter niet geschikt is voor OV 3 De proefperiode in OV 3 is ten einde.”. Verzoekster tekent beroep aan en verzoekt dat de klassenraad zijn beslissing zou heroverwegen. Zij schrijft dat “uit het rapport van 30 juni jl. [...] niet [blijkt] welke motieven de klassenraad geleid hebben” en dat zij “met name niet [begrijpt] hoe [het] eindoordeel te rijmen valt met de voorgaande rapporten voor het schooljaar 2004-2005 alsook het feit dat Zinebe in september 2004 in OV3 aanvaard werd”. Op 22 augustus 2005 antwoordt de directeur aan verzoeksters raadsman : “Ik kan niet ingaan op de vraag van de ouders om de klassenraad terug samen te roepen. Uit de info die ik u hieromtrent reeds bezorgde op 8 juli 2005 blijkt dat de klassenraad naar alle eer en geweten geoordeeld heeft dat Zinebe door haar beperkte mogelijkheden geen kans maakt op de reguliere arbeidsmarkt. Wij volgen hierin eveneens het advies van het CLB van Boom. Zinebe kan met de mogelijkheden die zij heeft, zeer goed functioneren in opleidingsvorm
  4. Deze opleiding leidt naar een beschermde tewerkstelling. Het welbevinden van de jongere staat voor ons centraal. Wij streven ernaar om ouders en schoolteam op eenzelfde golflengte te houden, zodat we samen het beste voor elk kind kunnen bereiken”. Op 29 augustus 2005 tekent verzoekster beroep aan, waarbij zij herinnert aan haar eerdere grieven en herhaalt niet te begrijpen welke motieven de klassenraad geleid hebben bij het nemen van zijn beslissing. Bij brief van 6 september 2005 deelt de algemeen directeur van de scholengroep aan de ouders mee wat volgt : “Na uw bezwaarschrift heeft de beroepscommissie, die ik had samengesteld, het dossier in verband met de eindbeslissing over uw dochter bestudeerd en een advies geformuleerd aan het college van directeurs. Op de vergadering van het college van directeurs secundair van 6 september 2005 werd beslist op basis van het advies van de beroepscommissie de delibererende klassenraad niet meer samen te roepen. In bijlage vindt u het advies van de beroepscommissie”. XII-4533-3\9 Het in bijlage gaand advies van de beroepscommissie luidt : “Op 30 augustus 2005 kwam de beroepscommissie samen in verband met het beroep dat werd aangetekend door de ouders van Zinebe Ammouche tegen het advies van de klassenraad. Het oordeel van de beroepscommissie is dat Zinebe, gezien haar beperkte mogelijkheden, geen kans maakt op de reguliere arbeidsmarkt en dat de klassenraad in eer en geweten gehandeld heeft. Zinebe kan met de mogelijkheden die zij heeft zeer goed functioneren binnen Opleidingsvorm
  5. Deze opleiding leidt naar een beschermde tewerkstelling. Ook het CLB van haar vorige school (Rivierenland, Boom) heeft dit advies gegeven (zie bijgevoegd sociaal verslag) en een attest voor Opleidingsvorm 2, type 2 opgemaakt. Zinebe deed heel erg haar best op school, maar presteerde zwak over de hele lijn. Zij kan onmogelijk zelfstandig werken en heeft zelfs bij korte opdrachten individuele begeleiding nodig. Het welbevinden en de toekomstmogelijkheden van de jongere staan voor ons centraal. Wij streven ernaar om ouders en schoolteam op dezelfde golflengte te brengen, zodat we samen het beste voor elk kind kunnen bereiken. Het schoolteam ondernam verschillende stappen (zie bijgevoegd verslag) om de ouders te helpen bij het accepteren van de handicap van hun dochter. Toch blijft dit voor hen zeer moeilijk”; De schorsingsvoorwaarden
  6. Overwegende dat luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
  7. Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat verzoekster met reden opmerkt dat een gewone schorsing geen soelaas kan bieden, omdat het haar dan niet meer mogelijk zal zijn om van opleidingsvorm te veranderen en de achterstand nog tijdens het zelfde schooljaar weg te werken; dat verwerende partij overigens de uiterst dringende noodzakelijkheid niet betwist; dat de eerste voorwaarde is vervuld; 4.
  8. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoekster als eerste middel de schending aanvoert van artikel 4 juncto artikel 13, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 december 2002 betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 (hierna: OV3-besluit); XII-4533-4\9 dat zij toelicht met succes de observatiefase te hebben doorlopen, dat die fase volgens artikel 4 van het OV3-besluit het eerste leerjaar omvat en beperkt is tot één schooljaar, dat het oordeel dat “de proefperiode in OV3 is ten einde” hiermee in strijd is en niet gemotiveerd is, wat dan weer strijdt met het artikel 13 van het OV3-besluit; Overwegende dat verzoekster een tweede middel put uit de schending van de formele motiveringsplicht en van artikel 13, § 1 van het OV3- besluit; dat zij “de afwezigheid van enig motief” vaststelt in de eindbeslissing van de klassenraad en wijst op de “ongerijmdheid tussen de goede tweemaandelijkse rapporten en de eindbeoordeling” die ook na afloop van de beroepsprocedure is blijven bestaan, omdat zowel de beslissing van de directeur van 22 augustus 2005 als de eindbeslissing van het college van directeurs alsmede het advies van de beroepscommissie telkenmale de voorgaande beslissingen overnemen zonder méér; 4.
  9. Overwegende dat verwerende partij repliceert, wat het eerste middel betreft, dat de klassenraad heeft beslist dat verzoekster niet geschikt is voor OV3 en weigert om het attest OV2, dat verzoekster reeds had, te wijzigen; Overwegende dat zij met betrekking tot het tweede middel argumenteert dat de formele motiveringsplicht in de bestreden beslissing wel is nageleefd door te refereren aan het advies van de beroepscommissie dat is bijgevoegd en dat zelf afdoende is gemotiveerd; dat zij voorts opmerkt dat de materiële motiveringsplicht eveneens is nageleefd; dat zij verzoekster verwijt slechts een deel van de beslissing van de klassenraad te citeren, maar niet de met de hand bijgeschre- ven motivering; dat zij vervolgens opmerkt dat het rapport dat aan de leerling wordt overhandigd in de context van het buitengewoon onderwijs beoordeeld moet worden, dat men de leerling negatieve ervaring en kritiek wil besparen maar steeds elke kleine stap positief beoordeelt, dat men de rapportcijfers dan ook niet mag vergelijken met de cijfers in het gewoon onderwijs, dat men “echter ook rekening [dient] te houden met het gekleurde kruisjessysteem in het individueel vorderingsdossier” waar met gekleurde kruisjes de verwerving van de vaardigheden worden bijgehouden en waaruit blijkt dat verzoekster “er niet in slaagt in OV-3 een vaardigheid te verwerven. Dit dossier bevat immers geen groene kruisjes. De inzet van de leerling is er wel, maar zij behaalt geen resultaat”; dat zij besluit dat de beslissing overeenstemt met het administratief dossier waarop het gesteund is; XII-4533-5\9 4.
  10. Overwegende dat de “eindbeslissing” van de klassenraad slechts ten dele aan verzoekster is meegedeeld op het rapport, zo lijkt; dat immers verwerende partij met haar nota het administratief dossier overlegt; dat hierin een afschrift is te vinden van de beslissing zelf van de klassenraad met een -inderdaad handgeschreven- motivering; dat de beslissing luidt : “Rekening houdend met deze motivering beslist de klassenraad, bijgestaan door het begeleidend CLB, dat genoemde leerling verder de lessen zal volgen in opleidingsvorm 2 fase 2”; dat de motivering luidt : “Zinebe zat op proef in OV
  11. Verwijzend naar het vorderingsdossier stellen wij vast dat zij onvoldoende vorderingen maakt. Wij geven dan ook geen advies voor een attestwijziging naar OV3”; Overwegende dat ook het zogenaamde vorderingsdossier wordt overgelegd aan de Raad, met het beschreven kruisjessysteem, waaruit blijkt dat verzoekster inderdaad voor geen enkel onderdeel een groen kruisje heeft, dat moet staan voor een gekende vaardigheid; 4.
  12. Overwegende dat niet wordt betwist dat deze stukken voorheen nooit ter kennis van verzoekster werden gebracht; 4.
  13. Overwegende dat uit de thans voorliggende documenten op het eerste gezicht moet worden afgeleid dat het eerste middel faalt in feite; dat immers verzoekster niet, zoals zij zegt, “uit de observatiefase gegooid” wordt; dat de klassenraad wel, bijgestaan door het CLB, een negatief advies uitbrengt over de overgang van de opleidingsvorm OV2, waarvoor verzoekster over een attest beschikt dat zij niet heeft aangevochten, naar de opleidingsvorm OV3 en dit ter uitvoering van de opdracht die hem op dat vlak toekomt krachtens artikel 25 van het koninklijk besluit van 28 juni 1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs; Overwegende dat uit diezelfde documenten, uit de nota van verwerende partij en uit het verweer ter zitting wel prima facie blijkt dat het rapport, waarvan verzoekster bij herhaling voor de school én voor de Raad stelt dat het niet strookt met de bestreden beslissing, danig moet worden gerelativeerd en dat de materiële beweegredenen van de klassenraad om voornoemd negatief advies te geven XII-4533-6\9 in wezen te vinden zijn in het vorderingsdossier, waarnaar de klassenraad alleszins formeel wél verwijst; Overwegende dat verzoekster dit echter nooit te horen heeft gekregen van de directeur, de beroepscommissie of het college van directeurs als antwoord op haar bezwaren; dat integendeel die stukken in de loop van de beroepsprocedure nooit aan verzoekster op enige wijze kenbaar zijn gemaakt zodat zij er zich ook nooit tegen heeft kunnen verzetten of haar verweer nuttig kunnen voeren bij haar beroep; dat zij al evenmin, vooraleer huidige vordering in te stellen, kon oordelen of de motieven de bestreden beslissing vermogen te ondersteunen en of het al dan niet zinvol was om er in rechte tegen op te komen; dat het bestuur in die mate tekort is geschoten in de op hem rustende plicht tot formele motivering; dat het tweede middel ernstig is; 5.
  14. Overwegende, wat de derde voorwaarde betreft, dat verzoekster onder meer doet gelden dat de opleidingsvorm “leidt, zoals verwerende partij zelf aangeeft, tot beschermde tewerkstelling” terwijl opleidingsvorm 3 haar zou toestaan op volwaardige wijze deel te nemen aan het beroepsleven en voorts wijst op het onvermijdelijk verlies van minstens een schooljaar om de leerachterstand in te lopen indien de schorsing van tenuitvoerlegging van de beslissing niet zou worden bevolen; Overwegende dat verwerende partij in de nota opmerkt dat OV-2 naar tewerkstelling in een beschermd werkmilieu leidt, wat meer is dan louter beschermende werkplaats en dat verzoekster nog steeds productief werk zal kunnen presteren na haar opleiding; dat zij ook argumenteert dat een jaar langer verblijven in het buitengewoon onderwijs geen nadeel is, gezien de beschermende omgeving; 5.
  15. Overwegende dat luidens artikel 6 van het koninklijk besluit van 28 juni 1978 het type 1 van buitengewoon onderwijs van die aard is dat de leerlingen “elementaire schoolse kennis en vaardigheden kunnen verwerven en een beroepsvorming kunnen doormaken die voor hen een integratie in het gewoon sociaal en beroepsmilieu laat voorzien”, terwijl voor het type 2 de mogelijkheden van die aard zijn “dat door een sociale vorming en een aangepaste opleiding met arbeidska- rakter, hun opname in een beschermd socio-professioneel milieu kan worden beoogd”; dat het feitelijk gegeven dat ook in een beschermd werkmilieu productieve arbeid wordt verricht aan dit fundamenteel onderscheid geen afbreuk doet; dat de stelling dat een langer verblijf in de beschermende omgeving van het buitengewoon XII-4533-7\9 onderwijs niet negatief is, net uitgaat van de veronderstelling dat verzoekster in dat type 2 op haar plaats is, hetgeen zij juist betwist; dat het voor verzoekster beschreven nadeel ernstig is, en om de reden die zij geeft ook moeilijk herstelbaar;
  16. Overwegende dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen, BESLUIT: Artikel
  17. Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 6 september 2005 van het college van directeurs van Scholengroep 5 van het Gemeenschapsonderwijs over het bezwaarschrift van Zinebe Ammouche, houdende weigering tot samenroeping van de klassenraad. Artikel
  18. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. XII-4533-8\9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig september 2005, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4533-9\9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.310 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.356 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.